ECLI:NL:RBDHA:2024:17107
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Kroatië ongegrond verklaard
Eiser, een Syrische nationaliteit dragende persoon, stelde beroep in tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit op de verantwoordelijkheid van Kroatië voor de behandeling van de aanvraag, conform de Dublinverordening.
Eiser voerde aan dat hij onder dwang vingerafdrukken in Kroatië had moeten afstaan zonder daar een asielverzoek in te dienen, en dat het verzoek aan Kroatische autoriteiten onjuist was ingediend als terugnameverzoek in plaats van overnameverzoek. Tevens stelde hij dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel onterecht werd toegepast vanwege ernstige tekortkomingen in de opvang in Kroatië, met risico op schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, aangezien eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een onmenselijke behandeling. De rechtbank wees erop dat de hoogste bestuursrechter dit standpunt recentelijk had bevestigd en dat eiser de mogelijkheid heeft om zich tot Kroatische autoriteiten te wenden bij problemen.
Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Rechtbank Den Haag op 21 oktober 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.