Appellant, een alleenstaande bijstandsgerechtigde met een eigen woning, heeft meerdere aanvragen ingediend voor bijzondere bijstand voor extra verwarmingskosten, onderhoudskosten woning en eigen bijdragen voor rechtsbijstand en griffierecht. Het college van B&W Rotterdam wees diverse aanvragen af, waarop appellant bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank Rotterdam. De rechtbank verklaarde de meeste beroepen ongegrond, maar vernietigde het besluit over de warmtetoeslag 2021 gedeeltelijk.
In hoger beroep vernietigt de Raad het besluit over de warmtetoeslag 2020 wegens een onjuiste beoordelingsmethode van het college, maar laat de rechtsgevolgen in stand omdat appellant geen meerkosten had aangetoond. De Raad bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand voor onderhoudskosten woning, omdat deze kosten als algemeen noodzakelijk worden beschouwd en appellant onvoldoende bijzondere omstandigheden aannemelijk maakte.
Voor de eigen bijdragen rechtsbijstand en griffierecht oordeelt de Raad dat aanvragen die te laat zijn ingediend terecht zijn afgewezen. Wel vernietigt de Raad het besluit voor acht eigen bijdragen waarvoor onterecht een nota werd verlangd, en draagt het college op nieuw te beslissen. De Raad veroordeelt het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht van appellant.