Conclusie
1.Inleiding
2.De zaak in het kort
3.Het eerste middel
- hij, verdachte, reeds lange tijd bekend was met diabetes en
- hij eerder, op 8 februari 2019, een ernstige hypoglykemie had gehad en
- hij in de periode voorafgaand aan 11 maart 2019 lange werkdagen maakte en
- hij op die 11 maart 2019 zichzelf reeds meerdere malen een insulinehoeveelheid (een zogenaamde "bolus") had moeten toedienen in verband met een te hoog glucosegehalte in zijn bloed,
- op die afrit met een snelheid van 89 km/u heeft gereden, terwijl daar een maximumsnelheid van 50 km/u gold en
- zonder te remmen in strijd met een voor hem geldend rood licht uitstralend verkeerslicht de kruising van die afrit met de [a-straat] is opgereden en
- aan de overkant van die kruising met een snelheid van ongeveer 75 km/u in botsing of aanrijding is gekomen met een van rechts komende bestuurder van een personenauto, genaamd [slachtoffer] ,
Op 11 maart 2019, de dag van het ongeval, is de verdachte rond 08:30 uur begonnen met zijn werkzaamheden. Omstreeks 21:00 uur begint hij aan zijn laatste rit van [plaats] naar [plaats] ; de rit die eindigt met het ernstige verkeersongeval. De verdachte had die dag dus al een lange werkdag achter de rug. Óók in de werkdagen in de week voorafgaand aan het ongeval maakte de verdachte - zoals reeds hierboven vermeld - lange werkdagen; hij werkte gemiddeld bijna 14 uur per dag. Iets na 20:00 uur, een uur voor zijn vertrek van [plaats] naar [plaats] , heeft de verdachte zijn laatste meting uitgevoerd. De waarde bij die laatste meting was 6,3 millimol glucose/L bloed. Uit het dossier volgt dat de verdachte dient te streven naar een waarde tussen de 3,9 millimol glucose/L bloed en de 9,3 millimol glucose/L bloed. Beneden de genoemde onderwaarde ontstaan risico's op een hypo. Kort na het ongeval bleek de verdachte niet aanspreekbaar te zijn en uit onderzoek volgt dat zijn bloedsuikerspiegel zeer laag was, namelijk 2,2 millimol glucose/L bloed. Ten opzichte van de laatste meting was dit een daling van 3,4 millimol.
In het algemeen geldt dat onder ‘schuld’ als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan (vgl., over schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro 1994, HR 17 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4201). Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval (vgl., over schuld in de zin van artikel 308 Sr Pro, HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5630). In het licht van de onder 2.5 weergegeven totstandkomingsgeschiedenis bestaat die ‘schuld’ als delictsbestanddeel in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Het komt er daarbij op aan of de verdachte “minder nadacht, wist, beleidvol was dan de mensch in het algemeen”, dus of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid.
culpa in causaeen relevant aspect zijn. Wanneer de verdachte op het moment van handelen door omstandigheden niet anders kón handelen en de verwijtbaarheid dus in beginsel zou kunnen ontbreken, dient de vraag te worden beantwoord of de verdachte deze omstandigheden zelf teweeg heeft gebracht en of dit ertoe zou moeten leiden dat toch van verwijtbaarheid sprake is. Gerelateerd aan de in het arrest uit 2004 genoemde onmacht, dient dus te worden nagegaan of die onmacht verontschuldigbaar is. In de literatuur wordt het beeld gebruikt dat het beoordelingsmoment van de schuld dan als het ware naar voren schuift. [8]
NJ2018/472 oordeelde het hof dat het ongeluk desalniettemin aan de schuld van de verdachte te wijten was. Het hof stelde de in het arrest uit 2004 geïntroduceerde tweestapsbenadering voorop. Vervolgens wees het op de omstandigheid dat de verdachte bekend was met zijn aandoening, voorafgaand aan het ongeval niet volledig aanvalsvrij was, op de dag van het ongeval zijn medicatie niet had ingenomen (wat een aanvalsprovocerende werking kan hebben) en deze medicatie op zich al de rijvaardigheid beïnvloedde. De Hoge Raad was het eens met de conclusie van het hof, maar volstond bij het weergeven van het toetsingskader met enkel de eerste stap, dus van het criterium voor het aannemen van een aanmerkelijk onvoorzichtigheid.
NJ2018/473 [11] ging het om een Arubaanse zaak, maar de toepasselijk strafbepaling kwam “in de kern” overeen met art. 6 WVW Pro 1994. Ook hier oordeelde het hof dat het ongeluk aan de schuld van de verdachte te wijten was. Het hof stelde geen kader voorop, maar oordeelde wel conform de tweestapsbenadering als eerste dat sprake was van aanmerkelijk onvoorzichtig rijden en ging toen na of sprake was van verontschuldigbare onmacht. Het hof nam in aanmerking dat de verdachte al jaren bekend was met haar epilepsie, waarbij zij maandelijks aanvallen kreeg waarvan zij het moment, de aard en ernst niet op voorhand kon inschatten. Zij had ervoor gekozen geen medicatie te slikken voor de epilepsie en had geen medisch advies ingewonnen over de invloed van haar ziekte op haar rijvaardigheid. Van verontschuldigbare onmacht was volgens hof daarom geen sprake, ook al had haar huisarts steeds toestemming gegeven voor de afgifte en verlenging van haar rijbewijs. Van de verdachte mocht worden verlangd na te gaan of aan die toestemming daadwerkelijk een inhoudelijke medische beoordeling was voorafgegaan. Ook dit oordeel liet de Hoge Raad in stand en wederom stelde hij slechts de eerste stap van het toetsingskader voorop. Vermeldenswaard is nog dat in beide zaken de tenlastelegging alleen elementen van het rijgedrag vermeldde en niet ook van het gedrag van de verdachten rondom hun ziekte.
onmacht.
tweede deelklachthoudt in dat het hof deze laatste vraag centraal had moeten stellen en niet had moeten nagaan of het
verkeersgedragvan de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig is geweest.
derde deelklachthoudt in dat de bewijsmotivering ontoereikend is voor de bewezenverklaring van schuld, dan wel dat deze motivering niet begrijpelijk is. Deze klacht berust op twee pijlers. De eerste betreft het “cruciale verwijt” dat de verdachte niet adequaat heeft gehandeld door zijn suikerwaarde te meten nadat hij zich, vlak na het begin van de rit die tot het ongeval leidde, in de eerste fase van een hypo bevond. Dit ‘verwijt’ is volgens de steller van het middel onbegrijpelijk in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, te weten dat de verdachte op dat moment “in een door hem niet voorziene hypo terecht is gekomen en dat hij in die hypo niet of nauwelijks bij (normaal) bewustzijn was”. De tweede pijler betreft de mate van schuld. De motivering van de
aanmerkelijkheidvan de onvoorzichtigheid van de verdachte is ontoereikend, aldus de steller van het middel.
unawareness.
eerste deelklachthoudt in dat het hof zijn oordeel heeft gebaseerd op redengevende feiten en omstandigheden die niet blijken uit aangehaalde of met voldoende nauwkeurigheid aangeduide bewijsmiddelen. Het gaat om de passage in het arrest:
4.Het tweede middel
Vordering benadeelde partij [1] - [benadeelde 1] (broer)
Zo heeft hij, als iemand die de Nederlandse taal voldoende beheerst, als eerste familielid kennis moeten nemen van het bericht van de verbalisanten aan de deur dat zijn broertje was overleden. Vervolgens heeft hij dit bericht moeten vertalen voor zijn ouders, een bijna onmogelijke opdracht.
door het voorval.
Flatgebouw-arrest (HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958), vereist dat sprake is van geestelijk letsel dat naar objectieve maatstaven is vastgesteld. Dat is slechts het geval, indien de emotionele schok heeft geleid tot geestelijk letsel dat, gelet op aard, duur en/of gevolgen, ernstig is. Voorts moet het geestelijk letsel in voldoende mate objectiveerbaar zijn. (…)
Flatgebouw-arrest) een aantal gezichtspunten van belang (zie rov. 3.5). Deze gezichtspunten loop ik kort langs.
Flatgebouw, dient de rechter over te gaan tot aftrek van de shockschade vanwege toekenning van affectieschade, indien dit blijkens de omstandigheden van het geval billijk is. Volgens de verdediging is dat het geval gelet op de situatie van [verdachte] en de specifieke feiten en omstandigheden. Aftrek van de affectieschade (€17.500 voor de moeder en €17.500 voor de vader) leidt er per saldo toe dat er van de shockschade niets overblijft.
Vordering tot schadevergoeding [benadeelde 1]
Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die volgt uit door die laatste onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel zoals hierna onder 3.7 nader omschreven.
- De aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed.
- De wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was. Bij het aan dit gezichtspunt toe te kennen gewicht kan meewegen of het secundaire slachtoffer beroepsmatig of anderszins bedacht moest zijn op een dergelijke schokkende gebeurtenis.
- De aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen
eerste deelklachtis een motiveringsklacht. Het hof zou de hiervoor beschreven drie gezichtspunten niet of onvoldoende hebben betrokken bij zijn oordeel, terwijl de verdediging wel had betoogd dat rekening moest worden gehouden met het feit dat het ging om een ongewild ongeval en de verdachte geen opzet had. Verder was aangevoerd dat geen van de benadeelde partijen getuige is geweest van het ongeval en dat niet blijkt op welke wijze de ouders zijn geconfronteerd met de gevolgen van het ongeval, maar dat die confrontatie in ieder geval niet onverhoeds is geweest.
tweede deelklachtbehoeft dan geen bespreking voor zover die ziet op de ouders. Als daarover anders zou worden geoordeeld, meen ik dat de tweede deelklacht ook hier slaagt wat de ouders betreft, voor zover deze klacht inhoudt dat bij het bepalen van de hoogte van de vordering niet is ingegaan op de aanspraak die de ouders al hebben gemaakt op de vergoeding van affectieschade. Ik verwijs daartoe naar het gevoerde verweer en rov. 3.9 van het onder 4.8 geciteerde arrest HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958.