Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
5 juni 2018.
Hoge Raad
Op 3 juli 2012 reed de toen 69-jarige verdachte buiten de bebouwde kom te Helvoirt met zijn auto tegen een voor hem rijdende fietser, waarbij deze zwaar lichamelijk letsel opliep. Verdachte stelde dat hij tijdens het ongeval een black-out had door een epileptische aanval en daardoor niet schuldig kon zijn aan het verkeersongeval.
Het hof stelde vast dat verdachte niet in staat was zijn voertuig tijdig tot stilstand te brengen en dat het ongeval aan zijn schuld te wijten was. Een neuroloog onderzocht verdachte en concludeerde dat epileptische aanvallen en een post-ictale periode complexe handelingen kunnen toelaten, maar dat verdachte bekend was met zijn aandoening en zijn medicatie niet had ingenomen, wat het risico op een aanval verhoogde.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had en dat het oordeel dat sprake was van schuld in de zin van art. 6 WVW Pro 1994 voldoende gemotiveerd was. Het cassatieberoep werd verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval ex art. 6 WVW 1994 en verwerpt het cassatieberoep.