Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
26 mei 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een jeugdige verdachte die op 3 december 2022 in een volle trein een stuk illegaal vuurwerk, een Cobra 6, bij zich had en dit opende en deels leegschudde in een prullenbak, waarna het vuurwerk ontplofte. Dit leidde tot letsel bij medereizigers en schade aan het treinmeubilair.
De rechtbank sprak de verdachte primair vrij, maar het hof oordeelde dat het handelen van de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig was en dat hij de ontploffing had kunnen en moeten voorzien, waardoor schuld aan het veroorzaken van de ontploffing bewezen was. De verdachte had na het drinken van alcohol de Cobra 6 in de trein laten zien en vervolgens opengemaakt.
Het NFI-onderzoek onderzocht drie hypotheses over de ontsteking van het vuurwerk en concludeerde dat het scenario waarbij de verdachte het vuurwerk opende en leegschudde het meest waarschijnlijk was. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en verwierp het cassatieberoep, waarbij werd benadrukt dat schuld in de zin van art. 158 Sr Pro aanmerkelijke onvoorzichtigheid inhoudt.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de verdachte verwijtbaar heeft gehandeld en dat de ontploffing aan zijn schuld te wijten is. Het cassatieberoep faalt en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt schuld van verdachte wegens aanmerkelijke onvoorzichtigheid bij ontploffing van Cobra 6 in trein.