ECLI:NL:HR:2022:1250

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 september 2022
Publicatiedatum
16 september 2022
Zaaknummer
20/03966
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Medeplegen van moord op echtgenoot met voorbedachten rade, bewijswaardering en schokschade

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 20 september 2022 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verdachte, een vrouw, werd beschuldigd van het medeplegen van de moord op haar echtgenoot. De feiten van de zaak zijn als volgt: op 9 juli 2017 werd het levenloze lichaam van het slachtoffer aangetroffen in een weiland nabij De Westereen. Het slachtoffer was door herhaaldelijk slaan met een hard voorwerp om het leven gebracht. De verdachte had het slachtoffer naar de Bûterwei laten komen, waar hij door geweld om het leven werd gebracht. Het hof oordeelde dat de verdachte samen met een onbekende medeverdachte betrokken was bij de dood van het slachtoffer. De verdachte had in haar verklaringen inconsistenties en kennelijk leugenachtige uitspraken gedaan, wat het hof als bewijs voor haar betrokkenheid aanmerkte. De Hoge Raad bevestigde de bewezenverklaring van moord en oordeelde dat de verdachte opzettelijk en met voorbedachten rade had gehandeld. Daarnaast werd de vordering van de benadeelde partijen ter zake van schokschade toegewezen, omdat de confrontatie met het lichaam van het slachtoffer hen ernstige geestelijke schade had berokkend. De Hoge Raad verlaagde de opgelegde gevangenisstraf van twintig jaar naar negentien jaar en zeven maanden, omdat de redelijke termijn van de procedure was overschreden.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/03966
Datum20 september 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 december 2020, nummer 21-003908-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
Namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] hebben C.H. Dijkstra en R.E.H. Jager, beiden advocaat te Amersfoort, een verweerschrift ingediend en bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De raadsman van de verdachte heeft een verweerschrift ingediend.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft – bij conclusie en aanvullende conclusie – geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 lid 2 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De raadsman van de verdachte heeft op de conclusie en de aanvullende conclusie schriftelijk gereageerd.

2.Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“zij op 9 juli 2017 te De Westereen, in de gemeente Dantumadiel, tezamen en in vereniging met [een] ander opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte en een mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] meermalen, met een hard en/of stevig voorwerp op het hoofd geslagen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.”
2.2
Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsvoering:
“2.1 De redengevende feiten en omstandigheden
(...)
Aantreffen van het lichaam van het slachtoffer
Op 9 juli 2017 omstreeks 10:25 uur is in een weiland gelegen aan de Bûterwei, nabij de kruising met de Fogelsang in De Westereen (Zwaagwesteinde, gemeente Dantumadiel), het levenloze lichaam van het slachtoffer aangetroffen. In het gras lag een paar meter voor hem zijn mobiele telefoon met het scherm naar beneden gericht. Nog een paar meter verderop lag zijn gesloten portemonnee. Het slachtoffer werd liggend op zijn buik aangetroffen. De knoopsluiting van zijn spijkerbroek was geopend en de broek was deels naar beneden geschoven, tot halverwege de billen.
Letsel slachtoffer
Uit het schouwverslag van de forensisch arts volgt dat sprake was van een niet natuurlijk overlijden door geweldpleging. Uit forensisch pathologisch onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) blijkt dat bij postmortaal radiologisch onderzoek en bij sectie uitwendig en inwendig letsel aan het lichaam werd vastgesteld.
Er waren uitwendig en inwendig letsels aan/in het hoofd, het aangezicht, de hals, heup, ledematen, geslachtsdelen en inwendig letsels aan de romp. Gelet op de begeleidende bloeduitstortingen zijn deze letsels bij leven ontstaan door ingewerkt uitwendig mechanisch stomp (botsend), (samen)drukkend geweld. Gezien de breuken aan het beenderstelsel (de schedel, bovenkaak beiderzijds en het neusbot) is dit geweld plaatselijk hevig geweest. De vorm van de letsels (sommige bandvormig, sommige boogvormig) en het aspect van de wondranden met deels rafelig en deels glad aspect en weefselbruggen in de diepte kunnen doen denken aan (plaatselijk hevig) en meervoudig slaan met één (of meerdere) hard(e), zwaar/zware, deels kantige en deels stompe (rond/ovaal/gebogen) voorwerp(en). De letsels betroffen ook inwendige organen/structuren, waaronder een complexe schedeldak-basisbreuk, bloeduitstorting onder de hersenvliezen, meervoudige hersenkneuzing (aan het hersenoppervlak en aan de hersenbasis) en hersenzwelling, een samengevallen linker long, luchtophoping tussen de borstvliezen links en kneuzingen van beide longen en breuk van de neus en de bovenkaak beiderzijds.
Het intreden van de dood wordt verklaard door hersenfunctiestoornissen en longfunctiestoornissen en daaropvolgende overige orgaanfunctiestoornissen ten gevolge van bovengenoemd ingewerkt uitwendig mechanisch stomp (botsend), (samen)drukkend geweld.
Uit het radiologisch rapport van 28 juni 2018 volgt dat er uitgebreide fracturen van de schedel zijn ten gevolge van heftig stomp uitwendig inwerkend geweld (waarbij sprake is van een hoge energieoverdracht). Deze letsels zijn ontstaan door meervoudige heftige geweldsinwerkingen waarbij minimaal één impact heeft plaatsgevonden op het aangezicht (midden in het gelaat, ter hoogte van de neusbrug) en minimaal één impact hoog op het rechterwandbeen (ter plaatse van de botbreuken rechts zijwaarts aan de schedel).
De huidletsels aan het hoofd worden verklaard door de meervoudige geweldsinwerking. De afwijkingen rond en in de hersenen worden verklaard door de geweldsinwerkingen op het hoofd.
Uit het radiologisch rapport van 9 juli 2018 volgt dat er in totaal minimaal vijf impacts zijn geweest. Minimaal twee impacts bij het toebrengen van de letsels aan het hoofd en andere impacts bij het toebrengen van de letsels op de rechterschouder, het rechterbeen en het strottenhoofd. Ten aanzien van de richting waaruit de geweldsinwerking is gekomen volgt uit de radiologische beeldvorming dat er minimaal één impact is op het aangezicht. Gezien het verloop van de breuken en de verplaatsing van de bovenkaak was deze impact boven de tanden in de bovenkaak en onder de oogkas. Minimaal één impact was op de rechterzijde van het hoofd. Tevens was een impact op de bovenzijde van de rechterschouder, op de voorzijde van het rechterbeen en op de rechterzijde van de hals.
Op aanvullende vragen heeft de patholoog aangeven dat het slachtoffer nog tot wandelen, strompelen, kruipen in staat geweest kon zijn, maar dat deze eventuele verplaatsing van het slachtoffer zelf niet over een grote afstand zal zijn geweest, gelet op de complexiteit van het schedel-hersen(vlies)letsel. Uit het bloedspoorpatroononderzoek zijn geen aanwijzingen verkregen die kunnen duiden op verplaatsing (door een ander) van het reeds bebloede lichaam.
Ten aanzien van zeven tijdens de sectie uitgenomen huiddelen (biopten) is wonddateringsonderzoek uitgevoerd. Het immuunprofiel van de vitale wondreacties bij de huiddelen van de letsels aan de rechter handpalm/pols, de penis en de strekzijde van het rechter bovenbeen (het hof begrijpt: letsels J, Q en I in het NFI-sectierapport) is minder uitgesproken vergeleken met de letsels aan het hoofd rechts, de rechter schouder achterwaarts en de strekzijde van het rechter onderbeen (het hof begrijpt: letsels A, N en H in het NFI-sectierapport) en derhalve waarschijnlijk ook iets recenter.
Met het oog op de vraag bij welk scenario het letsel van het slachtoffer het beste past is aanvullend een forensisch geneeskundige rapportage opgesteld. Gezien het verspreid voorkomen van de letsels - duidend op meerdere botsende geweldsinwerkingen op het hoofd en het lichaam - vanuit meerdere richtingen door impacts waarbij sprake is van een relatief klein contactoppervlak op het lichaam, is het aantreffen van de bij sectie op het lichaam van het slachtoffer waargenomen uitwendige letsels waarschijnlijker onder een hypothese van herhaald slaan met een voorwerp dan onder een hypothese van een aanrijding met een voertuig of een val van hoogte.
Tussenconclusie van het hof met betrekking tot de doodsoorzaak van het slachtoffer
Het hof stelt op grond van het bovenstaande vast dat het slachtoffer door herhaald slaan met een voorwerp op/tegen zijn lichaam, waaronder het hoofd, om het leven is gebracht.
Telefoon van het slachtoffer
De mobiele telefoon van het slachtoffer – die op enkele meters van hem is aangetroffen – is onderzocht door digitale experts van de politie. Aan de hand van gebruikersactiviteiten en locatiegegevens van het Google account van het slachtoffer ( [e-mailadres 2] @gmail.com) is inzicht verkregen in een tijdlijn met locaties en daarbij behorende activiteitgegevens, waaronder gebruikersactiviteiten (de Google Timeline). Ten aanzien van de gebruikersactiviteiten geeft Google hierbij een confidence-waarde: de waarschijnlijkheid dat het geschatte type activiteit correct is, weergegeven in een waarde van 0 tot 100. Het hof geeft de confidence-waarde hieronder in procenten weer.
Uit de gebruikersactiviteiten en locatiegegevens van het Google account van het slachtoffer van 9 juli 2017 blijkt het volgende:
 De telefoon van het slachtoffer bevindt zich om 00:01:07 uur op het festivalterrein ter hoogte van de Swemmerhaven, De Westereen. De geregistreerde locatie is tot op 11 meter nauwkeurig.
 Om 00:27:38 uur bevindt het toestel zich op een gebruiker die aan het lopen is, met een waarschijnlijkheid van 95%.
 Om 00:40:09 uur verandert de hoek waarop het toestel zich bevindt aanzienlijk, met een waarschijnlijkheid van 100%.
 Om 00:43:18 uur beweegt het toestel niet, met een waarschijnlijkheid van 100%.
 Om 00:44:56 uur verandert de hoek waarop het toestel zich bevindt aanzienlijk, met een waarschijnlijkheid van 100%.
 Om 00:46:34 uur, 00:49:54 uur, 00:56:03 uur en om 01:05:48 uur wordt geregistreerd dat het toestel niet beweegt, telkens met een waarschijnlijkheid van 100%.
 In de periode tussen 01:05:52 uur tot 12:44:07 uur bevindt het toestel zich in het weiland ter hoogte van de Bûterwei, De Westereen. De geregistreerde locaties zijn tot op 12 meter nauwkeurig. De geregistreerde locaties bevinden zich steeds op ongeveer 12 meter afstand van de uiteindelijke vindplaats van het toestel.
Uit de uitleg die Google geeft voor het interpreteren van de gegevens volgt dat wanneer een Gaussische (normale) distributie van de meetgegevens wordt aangenomen, dat de echte waarde van de gegevens zich binnen de grenzen van de nauwkeurigheid bevindt 68% is. Wanneer de straal om de geregistreerde locatie tweemaal zo groot wordt gemaakt, is de waarschijnlijkheid dat het toestel zich binnen deze cirkel bevindt 95%. Wanneer de straal van de cirkel om de geregistreerde locatie driemaal zo groot wordt gemaakt is de waarschijnlijkheid 99,7%. Verbalisant [verbalisant 1] beschrijft dat, omdat het toestel gekoppeld aan het Google account [e-mailadres 2] @gmail.com op 9 juli 2017 tussen 01:05:52 uur en 12:44:07 uur niet van breedte- en lengtegraad is veranderd, ook niet nadat de politie ter plaatse was tussen 10:20 uur en 11:00 uur, het vermoeden is dat de in de Google Timeline geregistreerde locatie om 01:05:52 uur met een door Google aangegeven nauwkeurigheid van 12 meter inderdaad 12 meter afwijkt van de uiteindelijke vindplaats van het toestel. Omdat het toestel van het slachtoffer na 00:46:34 uur niet meer is bewogen, afgaand op de door Google geregistreerde bewegingen met type activiteit “STILL” (het toestel beweegt niet), is het vermoeden dat het toestel zich vanaf dat tijdstip al op de uiteindelijke vindplaats van het toestel bevond.
In eerste aanleg is een contra-expertise uitgevoerd naar de bovenstaande onderzoeksdata betrekking hebbend op de Google Timeline door het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau (hierna: NFO). Telecomdeskundige ir. R. Pluijmers van het NFO heeft op de zitting in eerste aanleg verklaard dat hij zijn eigen script op de ruwe data van Google Timeline heeft toegepast. De tijdstippen en posities die daaruit kwamen heeft hij geplot op Google Maps. Pluijmers is hierbij tot exact dezelfde posities gekomen als weergegeven in het politieonderzoek. Voorts heeft hij aangegeven dat op basis van deze gegevens, de telefoon van het slachtoffer zich in elk geval vanaf 00:40:09 uur in het weiland ter hoogte van de Bûterwei bevond, op de positie waar het toestel om 01:05:52 uur is geregistreerd.
In hoger beroep is vervolgens door de verdediging een forensisch onderzoek ingebracht, uitgevoerd door het Nederlands Forensisch Incident Response (hierna: NFIR). Onder verwijzing naar de deskundigenrapportage van het NFIR is door de raadsman onder meer aangevoerd dat de uit het strafdossier blijkende locatiegegevens van Google Timeline niet accuraat en betrouwbaar zijn.
Het hof stelt vast dat tussen de digitale experts van de politie, het NFO en het NFIR consensus bestaat over het feit dat de locatiegegevens van Google niet gebruikt kunnen worden om een mobiele telefoon met absolute zekerheid en precies op een specifieke locatie te plaatsen. Er is sprake van overeenstemming in hun conclusies in het verrichte onderzoek door de politie en deskundige Pluijmers omtrent de tijdstippen en posities afkomstig van de ruwe data van Google Timeline. Met de ruwe data komen de politie en Pluijmers tot exact dezelfde tijdstippen en posities in Google Maps. Door het NFIR is een dergelijk volledig onderzoek niet verricht. In het geval van de telefoon van het slachtoffer is gebleken dat de door Google geregistreerde locatie van dit toestel vanaf 01:05:52 uur exact binnen de door Google zelf aangegeven nauwkeurigheidscirkel viel: 12 meter. Gelet op de hierboven weergegeven conclusies van de politie en Pluijmers op dit punt, acht het hof de door Google geregistreerde locatie van de telefoon vanaf 00:40:09 uur betrouwbaar. Nu het toestel van het slachtoffer daadwerkelijk is aangetroffen op een bepaalde locatie, kon de door Google geregistreerde locatie en bijbehorende confidence-waarde worden getoetst aan deze daadwerkelijke locatie van het toestel. Hieruit bleek dat de locatie van het aangetroffen toestel binnen de door Google geregistreerde locatie en bijbehorende confidence-waarde viel. In die zin ziet het hof daarom geen enkele reden om aan de betrouwbaarheid van de Google locatiegegevens te twijfelen en deze niet voor het bewijs te bezigen. Hetgeen het NFIR in algemene zin over de waardering van de exactheid van de Google Timeline heeft gesteld tast de concrete en beredeneerde onderzoeksresultaten van het onderzoek door de politie en deskundige Pluijmers in de betrouwbaarheid geenszins aan. Het hof zal de Google locatiegegevens evenwel slechts gebruiken als een indicatie van de locatie van het telefoontoestel, met inachtneming van de door Google zelf aangegeven confidence-waarde.
Vertrek en lopen door het slachtoffer vanaf het festivalterrein naar de Bûterwei
Uit de bovenstaande locatiegegevens van het Google account van het slachtoffer blijkt dat de telefoon van het slachtoffer zich om 00:01:07 uur nog op het festivalterrein bevindt. De afstand tussen de ingang van het feestterrein en de plaats in het weiland waar het slachtoffer is gevonden is circa 700 meter, berekend via het schelpenpaadje tussen de Lange Reed en de Bûterwei. Uitgaande van een normaal wandeltempo is de gelopen tijd op deze route 08.30 tot 09.00 minuten. De getuige [betrokkene 4] plaatst het vertrek van het slachtoffer richting 00:30 uur. De getuigen [betrokkene 13] en [betrokkene 14] hebben verklaard dat het slachtoffer ongeveer tussen 00:30 en 01:00 uur op het festival afscheid nam. De getuige [betrokkene 15] vertelt in haar verklaring aan de hand van door haar gemaakte foto’s dat zij het slachtoffer rond 00:25 uur voor het laatst op terrein van het festival heeft gezien.
Om 00:27:38 uur bevindt het toestel van het slachtoffer zich volgens de locatiegegevens van Google op een gebruiker die aan het lopen is. Volgens de bovenstaande gebruikersactiviteiten van Google verandert om 00:40:09 uur de hoek waarop het toestel zich bevindt aanzienlijk. Om 00:43:18 uur beweegt het toestel niet. Om 00:44:56 uur verandert de hoek waarop het toestel zich bevindt aanzienlijk waarna om 00:46:34 uur, 00:49:54 uur, 00:56:03 uur en om 01:05:48 uur wordt geregistreerd dat het toestel niet meer beweegt.
Het hof beschouwt het bovenstaande in combinatie met de resultaten van het bloedspoorpatroononderzoek en het pathologisch onderzoek. Daaruit volgt dat het niet waarschijnlijk is dat het slachtoffer na zijn dood is verplaatst of dat het slachtoffer met het toegebrachte letsel zelf nog een grote afstand kon afleggen.
Tussenconclusie van het hof over plaats en tijd van het doden van het slachtoffer
Het hof stelt op basis van de bovenstaande bewijsmiddelen vast dat het slachtoffer omstreeks 00:27 uur lopend van het festivalterrein is vertrokken. Het hof stelt ook vast dat het slachtoffer zich in elk geval vanaf 00:40:09 uur in het weiland ter hoogte van de Bûterwei bevond op de positie waar het slachtoffer later die dag is aangetroffen. Het hof stelt op basis van de bovenstaande bewijsmiddelen vast dat het slachtoffer op die plaats in het weiland aan de Bûterwei is gedood. Het hof concludeert daarnaast uit het bovenstaande dat in het tijdvak van ongeveer 00:30 uur tot 00:46:34 uur het dodelijke geweld op het slachtoffer is toegepast.
2.2
De betrokkenheid van de verdachte
Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of de verdachte betrokken is geweest bij de dood van het slachtoffer, hetgeen de verdachte heeft ontkend.
Verfdeeltjes op het slachtoffer en in de Mercedes van de verdachte
Bij de gerechtelijke sectie is lichaamsmateriaal uitgenomen en is het gelaat met folies bemonsterd voor verder onderzoek. Op de schedeldelen AAJL6679NL en AAJL6683NL zijn blauwe en witte op verf gelijkende deeltjes en een grijs deeltje aangetroffen. Deze deeltjes bevinden zich gedeeltelijk in het bot. In het uitgenomen huiddeel van letsel B (AAJL6681NL) zijn een blauwig en wit deeltje aangetroffen. In het huiddeel van letsel A (AAJL6682NL) zijn enkele blauwe en witte deeltjes aangetroffen. Deze deeltjes zijn niet verder onderzocht omdat ze erg klein zijn. In het huiddeel van letsel C (AAJL6680NL) zijn meerdere op verf gelijkende deeltjes aangetroffen. Er zijn op verf gelijkende deeltjes aangetroffen die uit meerdere lagen zijn opgebouwd. De meeste deeltjes zijn opgebouwd uit maximaal vier lagen: blauw-zwart-wit-wit. Er is één relatief groot deeltje aangetroffen dat is opgebouwd uit zes lagen: blauw-zwart-wit-wit-wit-blauw. Op het shirt (de hoody) van het slachtoffer zijn rondom de beschadiging nabij de rechterschouder op verf gelijkende deeltjes aangetroffen met een maximale laagopbouw van blauw-wit. Rondom de beschadiging in de broek ter hoogte van het scheenbeen zijn blauwe op verf gelijkende deeltjes aangetroffen. Rondom de beschadiging nabij de rechterschouder van het shirt zijn enkele kleine blauwe op verf gelijkende deeltjes aangetroffen. Op de schoenen zijn eveneens op verf gelijkende deeltjes en deeltjes die opgebouwd zijn uit de lagen blauw-wit en blauw-zwart aangetroffen. De meeste van de blauw-wit en blauw-zwarte deeltjes zijn op de rechterschoen aangetroffen. Op de plakfolies zijn meerdere blauwe op verf gelijkende deeltjes, een blauw-wit deeltje, enkele zwarte deeltjes en een wit-bruin deeltje aangetroffen. De in de beschadigingen in de schedeldelen aangetroffen deeltjes staal bevinden zich gedeeltelijk in het bot en in de beschadiging in het bot. Deze deeltjes zijn afkomstig van het voorwerp dat de beschadiging in het bot heeft veroorzaakt. De met de methode FTIR (Fourier-Transform Infraroodspectometrie) verkregen samenstelling van de grote groep soortgelijke blauwe op verf gelijkende deeltjes komt overeen met die van verf. De (meeste) aangetroffen blauwe, witte en zwarte verven bestaan allemaal uit alkyd als bindmiddel. Het NFI merkt op dat als alle onderzochte sporen dezelfde bron van herkomst hebben, deze afkomstig zijn van een geheel of gedeeltelijk stalen voorwerp waarop een blauwe alkydverf aanwezig is. De verschillen in laagopbouw doen vermoeden dat het voorwerp inhomogeen geverfd is. Alkydverf kent verschillende toepassingen.
De auto van de verdachte, een Mercedes met kenteken [kenteken] , is op 15 juli 2017
forensisch onderzocht op sporen. De losse matten voor de voorstoelen, de achterbank en in de kofferbak zijn uitgeklopt op een onderzoekslaken en vervolgens afgeplakt met kleeffolie. De vloer voor de voorstoelen, de achterbank en (in) de kofferbak zijn eveneens met kleeffolie afgeplakt. Op 5 april 2018 zijn de vloermatten zelf veiliggesteld.
De bemonsteringen uit de auto zijn vergeleken met de deeltjes aangetroffen op en in het lichaam en op de kleding van het slachtoffer. De samenstelling van de deeltjes blauwe verf van de folies waarmee van de vloermat voor de rechter voorstoel (AAKP7165NL) en de zitting en rugleuning rechtsachter (AAKP7173NL) zijn afgeplakt, komt overeen met de blauwe verf die op schedeldelen, verwondingen en diverse plaatsen op de kleding van het slachtoffer is aangetroffen. In totaal zijn op de afplakfolies twee deeltjes blauwe verf aangetroffen waarvan de samenstelling overeenkomt met die van de blauwe verf die in/op het slachtoffer is aangetroffen. De bewijskracht van deze overeenkomst is moeilijk in te schatten. Deze is enerzijds afhankelijk van de zeldzaamheid van de blauwe verf, anderzijds van hoeveel deze specifieke blauwe verf in de omgeving van het slachtoffer en de verdachte voorkomt.
De samenstelling van twee deeltjes blauwe verf uit de uitkloppingen (vloermat, voor de rechter voorstoel AAKP7160NL en de vloermat voor de linker voorstoel AAKP7162NL) komt overeen met die van de blauwe verf die op schedeldelen, verwondingen en diverse plaatsen op de kleding van het slachtoffer is aangetroffen. In het stofmonster van de vloermat zelf (AALN9791NL) is ook één deeltje blauwe verf met dezelfde samenstelling aangetroffen. De onderste laag in dit deeltje is van staal. In totaal zijn drie deeltjes blauwe verf (enkele laag) aangetroffen waarvan de samenstelling overeenkomt met die van de blauwe verf die in/op het slachtoffer is aangetroffen. De bewijskracht van deze overeenkomst is eveneens moeilijk in te schatten. Deze is enerzijds afhankelijk van de zeldzaamheid van de blauwe verf en anderzijds van hoeveel deze specifieke blauwe verf in de omgeving van het slachtoffer en de verdachte voorkomt.
Uit het overkoepelend rapport van het NFI volgt dat er aldus in totaal in de bemonsteringen uit de Mercedes na visueel onderzoek vijf deeltjes verder zijn onderzocht met FTIR en dat de samenstelling van deze deeltjes op basis van FTIR analyse overeenkomt met de deeltjes blauwe verf die in/op het slachtoffer zijn aangetroffen. Nadere analyse van de drie verfdeeltjes uit het huiddeel van letsel C (AAJL6680NL) met LA-ICPMS wijst uit dat er twee verschillende, maar veel op elkaar lijkende soorten blauwe verf zijn. In letsel C is één deeltje verf aangetroffen met een laagopbouw van blauw-zwart-wit-wit-wit-blauw. Niet alle deeltjes uit letsel C hebben deze volledige laagopbouw van zes lagen. Op basis van kleine kleurverschillen, oppervlakte, structuur en sporenelementsamenstelling, lijkt de eerst genoemde blauwe verf (gehecht aan zwart) net anders te zijn dan de laatst genoemde (gehecht aan wit). De onderzochte deeltjes verf uit de Mercedes zijn beide blauw zonder verdere laagopbouw. De sporenelementsamenstelling van de blauwe laag, die gehecht zit aan de zwarte laag, wijkt op enkele elementen af. Het FTIR spectrum van beide blauwe verven (blauw op zwart en enkel blauw) komt overeen. Beide verven bestaan uit een alkydhars als bindmiddel met calciumcarbonaat, titaandioxide en een onbekende component. De sporenelementsamenstelling van de deeltjes blauwe verf uit de Mercedes komt redelijk overeen met die van de deeltjes met alleen een blauwe laag uit letsel C. Er is wat variatie zichtbaar tussen de verschillende deeltjes verf, maar deze is niet erg groot. Mogelijk is dit normale variatie binnen de verf op één voorwerp. Echter, deze waarnemingen kunnen ook worden verklaard met twee verschillende voorwerpen, die blauw geschilderd zijn vanuit dezelfde pot (of vanuit twee potten, die uit dezelfde productiebatch komen). Het is in dit onderzoek lastig om een goede inschatting te maken van de in het spoor te verwachten variatie. Normaliter worden van een referentie (voorwerp) op diverse plaatsen monsters genomen om tot deze inschatting te komen. Dat is hier niet mogelijk. De bewijskracht van deze overeenkomst in sporenelementsamenstelling tussen de blauwe deeltjes uit de Mercedes en de deeltjes met een enkele laag blauw uit letsel C, is daarom moeilijk in te schatten. De deeltjes verf uit de Mercedes betreffen een soortgelijke verf als de deeltjes blauw zonder laagopbouw uit letsel C. Wat dit precies betekent qua bewijswaarde is enerzijds afhankelijk van de zeldzaamheid van de blauwe verf en anderzijds van hoeveel deze specifieke blauwe verf in de omgeving van het slachtoffer en de verdachte voorkomt. De blauwe verf uit de Mercedes kan dezelfde bron van herkomst hebben als de blauwe verf zonder laagopbouw, maar een andere bron van herkomst is niet uit te sluiten.
NFI-deskundige Microsporen & Materialen dr. P.D. Zoon heeft bij brief van 14 februari 2019 verduidelijkt dat het nog steeds mogelijk is om een goede en betrouwbare vergelijking te maken tussen de verfdeeltjes zonder lagen (afkomstig uit de Mercedes) en de verfdeeltjes met zeer uitgebreide laagopbouw (letsel C). Lagen verf kunnen van elkaar losraken. De vergelijking per laag is dan nog steeds mogelijk en geeft bewijskracht aan overeenkomsten of verschillen tussen deze verven. De bewijskracht van een overeenkomst in meerdere lagen opbouw is in zijn algemeenheid hoger omdat dan zowel de overeenkomst in samenstelling van de verf als de overeenkomst in laagopbouw meegewogen kunnen worden. Zoon geeft aan dat het moeilijk is om een uitspraak te doen over de zeldzaamheid van de aangetroffen verf. De samenstelling van de verf vertoont op zichzelf niet heel erg bijzondere componenten. Het NFI heeft de beschikking over een database waarin diverse verven en items met hun karakteristieken zijn opgenomen. Deze is echter niet representatief voor specifiek blauwe verven. Naar zijn weten is een dergelijke, specifieke database ook nergens anders beschikbaar.
Door de verdediging is aangevoerd dat de resultaten van dit vergelijkend onderzoek niet bruikbaar zijn voor het bewijs, nu de bewijskracht door het NFI niet is ingeschat.
Overwegingen hof over de bewijswaarde
Het hof gaat uit van de onderzoeksresultaten van de door het NFI gedane onderzoeken naar de verfdeeltjes. Er is geen reden om aan de betrouwbaarheid van deze onderzoeken te twijfelen. Het resultaat van het onderzoek – dat er vijf verfdeeltjes in de Mercedes van de verdachte zijn aangetroffen waarvan de samenstelling op basis van het FTIR spectrum overeenkomt met de deeltjes blauwe verf die in/op het slachtoffer zijn aangetroffen – heeft een zekere bewijswaarde en wordt meegenomen in de bewijsvoering. Dat door het NFI geen bewijswaarde kon worden gegeven aan deze overeenkomst is ingegeven door enerzijds het ontbreken van het voorwerp waarmee het letsel / de beschadiging aan de kleding is toegebracht (het referentievoorwerp) en anderzijds het ontbreken van een database van verven waardoor geen uitspraak gedaan kan worden over de zeldzaamheid van de verf. Van een gemankeerd onderzoek door het NFI is geenszins sprake. Door de politie zijn in de directe omgeving van de verdachte en het slachtoffer blauwe voorwerpen, steigerbuizen en blauw verfmateriaal inbeslaggenomen. Vergelijkend onderzoek met de verfdeeltjes die op het slachtoffer zijn aangetroffen heeft geen resultaat opgeleverd.
Ondanks dat het NFI geen bewijskracht heeft kunnen geven aan de overeenkomst in samenstelling tussen de verfdeeltjes aangetroffen op diverse plekken in de Mercedes en de deeltjes op/in verschillende plekken van het lichaam van het slachtoffer, acht het hof deze overeenkomst wel degelijk redengevend voor het bestaan van een relatie tussen het slagwapen en de Mercedes waarin de verdachte op 8 en 9 juli 2017 reed. Het hof hecht aan de hiervoor weergegeven bevindingen ten aanzien de verfdeeltjes een zekere bewijswaarde voor het daderschap van de verdachte. Dat de bewijswaarde door het NFI niet in een specifiekere statistische waarde kon worden uitgedrukt doet er niet aan af dat de bevindingen van het NFI wel degelijk een zekere bewijswaarde hebben. Het hof concludeert dat deze bevindingen alleen niet doorslaggevend zijn voor het bewijs. De bevindingen zijn evenwel niet op zichzelf staand. Ze passen bij de uiteindelijke conclusies van het hof en ze worden in samenhang met andere bewijsmiddelen beschouwd en in dat geheel gewogen.
Camerabeelden van de Mercedes in de avond en nacht
De verdachte heeft verklaringen afgelegd omtrent de door haar met de Mercedes afgelegde route op de heen- en terugweg naar de Bûterwei. De politie heeft naar aanleiding daarvan camerabeelden veiliggesteld van de omgeving van De Westereen en [plaats] van 8 en 9 juli 2017. Verbalisant [verbalisant 4] heeft bekeken wanneer de Mercedes van de verdachte in beeld is geweest op deze beelden. Er is proces-verbaal opgemaakt aan de hand van de bewegende beelden die duidelijker zijn dan de schermafdrukken in het dossier.
Rit in de avond
Op 8 juli 2017 is om 21:54:07 uur op de beelden van de camera van de woning van [betrokkene 12] te zien dat de Mercedes linksaf de [a-straat] in reed, komende vanuit de [b-straat] (de straat waar de verdachte woont). Om 21:56:47 uur komt de Mercedes in beeld op de camerabeelden van autobedrijf [A] , rijdend over de [a-straat] in de richting van de [c-straat] , komende vanuit de richting van de kruising [a-straat] / [b-straat] . Om 22:01:47 uur komt de Mercedes in beeld, rijdend over de [a-straat] richting de kruising [a-straat] / [b-straat] . Op de beelden van de camera van de woning van [betrokkene 12] is om 22:02:05 uur te zien dat de Mercedes rechtsaf de [b-straat] in reed, komende vanuit de [a-straat] .
Ritten in de nacht
De camerabeelden, opgenomen in de nacht van 8 op 9 juli 2017, zijn donker. Daarom zijn het model en type van de auto’s die langsrijden op de beelden lastig waarneembaar. Verbalisanten hebben daarom telkens ook de beelden bekeken van de momenten voorafgaand aan en na afloop van het moment dat de vermoede Mercedes langsreed. De verdachte heeft verklaard welke route zij die nacht heeft afgelegd. De in Google Timeline geregistreerde tijdstippen en locaties van het telefoontoestel van de verdachte bevestigen ten aanzien van de heenreis naar de Bûterwei de tijdstippen en locaties op de camerabeelden waarop de Mercedes in beeld komt. Voorafgaand aan en nadat de vermoede Mercedes in beeld komt zijn geen andere auto’s te zien op de camerabeelden. Daarom zal het hof uitgaan van de juistheid van de vaststelling van de politie dat de Mercedes waarin de verdachte rijdt op de camerabeelden te zien is.
Heenrit in de nacht
Op de beelden van de woning van [betrokkene 12] is op 9 juli 2017 om 00:24:49 uur te zien dat de Mercedes in beeld komt. De Mercedes reed rechtsaf de [a-straat] in, komende vanuit de [b-straat] . Rond dat tijdstip reden geen andere voertuigen op de [b-straat] . Om 00:25:14 uur is de Mercedes te zien op de beelden van PTH Inspiratie, rijdend over de [a-straat] linksaf de [e-straat] op in de richting van De Westereen en komende vanuit de richting van [plaats] . Op de beelden van de camera van het Total tankstation is te zien dat om 00:29:14 uur de Mercedes in beeld komt, rijdend op de Roazeloane, linksaf de Noarder Statsjonsstritte in. Rond dit tijdstip reden er meerdere voertuigen in diverse richtingen over de kruising.
Terugrit in de nacht
Op beelden van het Total tankstation rijdt de Mercedes om 00:47:03 uur langs. De Mercedes rijdt op de Yndustrywei, rechtdoor de Roazeloane in. Kort ervoor en erna zijn er geen andere voertuigen te zien. Om 00:47:59 uur is op beelden van de camera van [B] auto’s de Mercedes te zien, rijdend op de Roazeloane, komende uit de richting van de Noarder Statsjonsstritte en gaande in de richting van de Spoarbuorren Noard. Vlak voor de Mercedes reed een kleine donkere auto in dezelfde richting. Op de beelden van autobedrijf [A] om 01:05:40 uur is te zien dat de Mercedes over de [a-straat] rijdt in de richting van de kruising [a-straat] / [b-straat] vanuit de richting van de [c-straat] . Op de beelden van de camera van de woning van [betrokkene 12] is om 01:06:01 uur de Mercedes te zien. Deze reed op de [a-straat] richting de [e-straat] . Vlak voordat de Mercedes in beeld kwam, reed een opvallend politievoertuig langzaam de [b-straat] in. Op de beelden van PTH Inspiratie is te zien dat de Mercedes om 01:06:27 uur in beeld komt, rijdend over de [a-straat] rechtdoor de [e-straat] over in de richting van de [f-straat] . Om 01:07:16 uur komt op de beelden van PTH Inspiratie de Mercedes in beeld, komend rechts uit een zijstraat van de [e-straat] . De Mercedes rijdt in de richting van de [e-straat] en sloeg linksaf de [e-straat] op in de richting van [g-straat] . Op de beelden van PTH Inspiratie komt de Mercedes om 01:07:31 uur in beeld en slaat rechtsaf de [a-straat] in. Het feit dat de Mercedes vervolgens niet in beeld komt op de beelden van de camera van de woning van [betrokkene 12] komt vermoedelijk door een gat van 50 seconden waarin geen beeld is opgenomen. De verbalisant heeft op de camerabeelden op drie verschillende tijdstippen in [plaats] een voertuig gelijkend op de Mercedes gezien. Bij een betere beschouwing is geconstateerd dat dit steeds om een ander type Mercedes ging.
Conclusie onderzoekpolitie over de terugrit in de nacht
De afstand tussen het Total tankstation (in De Westereen) en autobedrijf [A] (in [plaats] ) bedraagt 5,5 kilometer. Deze afstand is volgens de ANWB routeplanner met de auto in 8 minuten af te leggen. Blijkens de camerabeelden heeft de verdachte over deze afstand echter ruim 18 minuten gedaan. De Mercedes was immers om 00:47:03 uur op de beelden van het Total tankstation en om 01:05:40 uur op de beelden van autobedrijf [A] te zien. Zij moet – uitgaande van de door de verdachte omschreven route en haar verklaring dat ze onderweg nergens is gestopt – in dat geval gemiddeld 18,33 kilometer per uur hebben gereden. Die snelheid komt niet overeen met de verklaring van de verdachte voor zover zij heeft verklaard onderweg niet te zijn gestopt en harder te hebben gereden dan de toegestane snelheid. Dit omdat de kinderen alleen thuis waren. Daarover hierna meer.
Onderzoek aan de telefoon van verdachte
Sms- en belverkeer met de telefoon van het slachtoffer voorafgaand aan en na zijn dood
De mobiele telefoon van de verdachte is eveneens onderzocht door digitale experts van de politie. Dit onderzoek wijst uit dat gedurende de tijd dat het slachtoffer op het festival was (8 juli 2017 vanaf 14:53 uur), de verdachte hem veelvuldig heeft ge-sms’t of geprobeerd heeft hem te bellen.
(...)
Google Timeline telefoon verdachte in de middag, avond en nacht.
Aan de hand van gebruikersactiviteiten en locatiegegevens van het Google account van de verdachte ( [e-mailadres 1] @gmail.com) is inzicht verkregen in een tijdlijn met locaties en daarbij behorende gegevens (de Google Timeline).
Uit de gebruikersactiviteiten en locatiegegevens van het Google account van de verdachte van 8 juli 2017 blijkt het volgende:
Middag 8 juli 2017
 Om 16:48:11 uur bevindt het toestel zich ter hoogte van de Suder Stasjonstritte, Zwaagwesteinde. De geregistreerde locatie is tot op 120 meter nauwkeurig.
 Om 16:51:35 uur bevindt het toestel zich ter hoogte van de Fogelsang, Zwaagwesteinde. De geregistreerde locatie is tot op 10 meter nauwkeurig.
Avond 8 juli 2017
 Om 21:53:02 uur bevindt het toestel zich ter hoogte van de [b-straat] , [plaats] . De geregistreerde locatie is tot op 21 meter nauwkeurig.
 Om 21:54:26 uur bevindt het toestel zich ter hoogte van de [a-straat] , [plaats] . De geregistreerde locatie is tot op 10 meter nauwkeurig.
 Om 21:57:01 uur bevindt het toestel zich ter hoogte van De Wedze, tussen Zandbulten en Twijzel. De geregistreerde locatie is tot op 5 meter nauwkeurig.
 Om 22:00:17 uur bevindt het toestel zich op de Sandbultsterwei, Zandbulten, ter hoogte van de spoorwegovergang. De geregistreerde locatie is tot op 10 meter nauwkeurig.
 Om 22:02:39 uur bevindt het toestel zich ter hoogte van de [b-straat] , [plaats] . De geregistreerde locatie is tot op 34 meter nauwkeurig.
 Om 22:08:19 uur bevindt het toestel zich ter hoogte van de [b-straat] , [plaats] . De geregistreerde locatie is tot op 65 meter nauwkeurig.
Uit de gebruikersactiviteiten en locatiegegevens van het Google account van de verdachte van 9 juli 2017 blijkt het volgende:
 De telefoon van de verdachte bevindt zich om 00:22:11 uur ter hoogte van de [b-straat] . De geregistreerde locatie is tot op 18 meter nauwkeurig.
 Om 00:24:53 uur bevindt het toestel zich ter hoogte van de kruising van de [b-straat] en de [a-straat] , [plaats] . De geregistreerde locatie is tot op 10 meter nauwkeurig.
 Om 00:27:24 uur bevindt het toestel zich op de [e-straat] tussen [plaats] en Zwaagwesteinde, ter hoogte van [e-straat 1] , [plaats] . De geregistreerde locatie is tot op 10 meter nauwkeurig.
 Om 00:29:24 uur bevindt het toestel zich ter hoogte van de Roazeloane, Zwaagwesteinde. De geregistreerde locatie is tot op 10 meter nauwkeurig.
 Om 00:31:59 uur bevindt het toestel zich ter hoogte van de Bûterwei, De Westereen. De geregistreerde locatie is tot op 10 meter nauwkeurig.
 Om 00:45:33 uur bevindt het toestel zich ter hoogte van de kruising van de Bûterwei en Fogelsang, De Westereen. De geregistreerde locatie is tot op 5 meter nauwkeurig.
 Om 01:10:03 uur bevindt het toestel zich ter hoogte van de [b-straat] , [plaats] . De geregistreerde locatie is tot op 43 meter nauwkeurig.
Telecomdeskundige Pluijmers van het NFO heeft op de zitting in eerste aanleg ten aanzien van de Google Timeline van het Google account van de verdachte verklaard dat met betrekking tot een aantal posities op 9 juli 2017 tussen 00:00 uur en 01:10 uur wordt gesproken over een nauwkeurigheid van 5 à 10 meter en dat dat een indicatie is dat de GPS-positiebepaling redelijk nauwkeurig was. Bij een door Google gegeven nauwkeurigheid van 5 meter kan de afwijking in de orde van grootte van 10 tot 15 meter zijn. Bij een door Google gegeven nauwkeurigheid van 10 meter kan de afwijking ongeveer 30 meter zijn, aldus Pluijmers. Het hof stelt zoals hiervoor ook overwogen vast dat tussen de digitale experts van de politie, het NFO en het NFIR consensus bestaat over het feit dat de locatiegegevens van Google niet gebruikt kunnen worden om een mobiele telefoon met absolute zekerheid en precies op een specifieke locatie te plaatsen. Bovendien is sprake van overeenstemming tussen de politie en Pluijmers omtrent de tijdstippen en posities afkomstig van de ruwe data van Google Timeline. Met de ruwe data komen zij tot exact dezelfde tijdstippen en posities in Google Maps.
Ten aanzien van de Google Timeline van de verdachte stelt het hof bovendien vast dat de door Google geregistreerde locaties van het toestel van de verdachte op bepaalde tijdstippen steeds nagenoeg overeenkomen met de route die blijkens de camerabeelden door de verdachte is afgelegd op 8 en 9 juli 2017. De verdachte heeft zelf in ieder geval over de route op de heenweg in de nacht naar de Bûterwei de route bevestigd die is af te leiden uit de camerabeelden en de Google Timeline. Met betrekking tot de locatiegegevens over de aanwezigheid in de middag aan de Bûterwei heeft de verdachte verklaard aldaar inderdaad te zijn geweest om te kijken waar de Bûterwei was. In die zin ziet het hof daarom geen reden om aan de betrouwbaarheid van de Google locatiegegevens te twijfelen en deze niet voor het bewijs te bezigen. Het hof zal de Google locatiegegevens evenwel slechts gebruiken als een indicatie van de locatie van het telefoontoestel, met inachtneming van de door Google zelf aangegeven
accuracy-waarde: de nauwkeurigheid van de breedte- en lengtegraad combinatie, weergegeven in meters.
De verdachte heeft verklaard dat zij na het telefoongesprek met het slachtoffer om 00:22 uur in de Mercedes is gestapt en naar de Bûterwei is gereden. Haar telefoon heeft ze in de middenconsole van de auto gelegd. Ze is zonder haar telefoon mee te nemen uitgestapt en heen en weer gelopen. Rond 00:45 uur is de verdachte op de Bûterwei weer in de Mercedes gestapt, ze wilde het slachtoffer bellen, maar het scherm van haar telefoon was zwart. Ze is naar huis gereden en heeft daar haar telefoon aan de oplader gelegd.
Verbalisant [verbalisant 2] heeft bij het onderzoek aan de telefoon van de verdachte gezien dat tussen omstreeks 00:24:09 en 01:12:51 uur de telefoon van de verdachte geen stappen en afstand heeft geregistreerd. Voor en na deze tijdstippen is er wél (weer) activiteit geregistreerd. Meer specifiek volgt uit het onderzoek van verbalisant [verbalisant 3] dat er om 00:21:41 tot 00:24:09 uur stappen worden geregistreerd op de telefoon van de verdachte (35 stappen en een afstand van 22,65 meter), dat daarna een periode niets wordt geregistreerd en dat om 01:12:51 uur tot 01:19:24 uur weer stappen worden geregistreerd (18 stappen en een afstand van 12,82 meter).
Verbalisant [verbalisant 2] beschrijft dat in de telefoon van de verdachte in het bestand shutdown.log, waarin de tijden worden bijgehouden waarop het systeem van een telefoon uitgaat, een logbericht te zien is van 9 juli 2017 00:46:30. Rond dit tijdstip is de telefoon uitgeschakeld. Verder is aan de hand van de logberichten (in de bestanden mobileactivationd.log en IMDPersistenceMerge.log) te zien dat de telefoon op 9 juli 2017 rond 01:09:47 uur is opgestart en rond 01:10:00 uur voor het eerst door de gebruiker werd ontgrendeld. In het bestand revisiond.log is tevens te zien dat de telefoon van de verdachte op 8 juli 2017 om 19:36:44 uit de energiebesparende modus van de telefoon gaat (de throttled mode).
Telecomdeskundige Pluijmers van het NFO heeft op de zitting in eerste aanleg aangegeven dat hij in zijn aanvullende rapportage het scenario heeft onderzocht dat een lege batterij de oorzaak was van het uitschakelen van de telefoon van de verdachte om 00:46 uur. Hierover heeft Pluijmers verklaard op de zitting van de rechtbank: “Een aantal zaken spreken dat scenario tegen. De batterijgegevens waren alleen beschikbaar van de laatste vijf dagen, dus van een periode in december 2017. Ik heb bekeken hoe de batterijspanning afneemt en dit gebeurt vrij lineair. In het batterij log van de telefoon heb ik gezien dat de accu van deze telefoon niet zo slecht was. In het log is aangegeven dat de ladingscapaciteit 89% was van de originele ladingscapaciteit. Bovendien is het vreemd dat om 00.46 uur een aantal logregels zijn aangemaakt in het bestand shutdown.log. Dat past niet bij het uitschakelen door een lege accu. Als de telefoon plotseling uitschakelt, is er namelijk geen energie meer om die logregels aan te maken. Verder heb ik gezien dat er een aantal processen netjes afgesloten zijn volgens de logs. Dit alles pleit tegen het plotseling uitvallen van de accu.” De bevindingen van het onderzoek aan de telefoon van de verdachte door Pluijmers zijn waarschijnlijker onder het scenario dat de telefoon is uitgeschakeld dan onder het scenario dat deze is uitgevallen door een lege accu.
Onderzoek van de politie leert dat het toestel van de verdachte geen informatie bevat met betrekking tot crashes van het besturingssysteem van Apple (iOS) of van de applicaties die destijds op het toestel geïnstalleerd waren, waaronder WhatsApp. In zijn onderzoek is Pluijmers eveneens geen andere oorzaken tegengekomen voor het uitschakelen van de telefoon. Hij is niets tegengekomen wat erop duidt dat de telefoon van de verdachte abnormaal heeft gereageerd.
Het hof stelt vast dat het door het NFIR in hoger beroep verrichte onderzoek de voorgaande bevindingen en conclusies van de politie en Pluijmers niet ondergraven. Het NFIR heeft, aldus het hof, ten aanzien van het uitschakelen van de telefoon van de verdachte om 00:46 uur slechts een aantal algemene mogelijkheden genoemd waardoor de telefoon van de verdachte plotseling zou kunnen zijn uitgevallen. Zowel door de politie als door Pluijmers is concreet onderzoek verricht waarbij ook aandacht heeft bestaan voor het leeuwendeel van door het NFIR genoemde kwesties. Door de politie is naar aanleiding van het gestelde voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling bij het hof nog uitleg gegeven over een aantal door het NFIR gesignaleerde punten. Het onderzoek van de politie en deskundige Pluijmers acht het hof volledig, de conclusies van het onderzoek zijn navolgbaar. Hetgeen het NFIR stelt doet niet af aan de constatering van de politie en Pluijmers dat de bevindingen in de telefoon van de verdachte – meer specifiek de door de telefoon aangemaakte logregels – minder waarschijnlijk zijn indien de telefoon is uitgevallen. Het aanmaken van logregels vlak voordat de telefoon uit gaat, past immers meer bij het uitschakelen van een telefoon dan bij het plotseling uitvallen van een telefoon. Bij het plotseling uitvallen van een telefoon is het niet de verwachting dat vlak voor het uitschakelen logregels worden aangemaakt, nu de telefoon daarvoor door een lege accu geen energie meer heeft.
Conclusie hof
Het hof constateert dat de bovenstaande onderzoeksresultaten met betrekking tot de stappenteller in overeenstemming zijn met de verklaring van de verdachte dat zij in de nacht aan de Bûterwei haar telefoon in de Mercedes achterliet toen zij de auto verliet. Het hof gaat er op basis van het bovenstaande onderzoek – anders dan de verdachte verklaart – vanuit dat de telefoon niet is uitgevallen ten gevolge van een lege batterij, maar dat de verdachte haar telefoon heeft uitgeschakeld bij haar vertrek vanaf de Bûterwei rond 00:46:30 uur.
Getuige [betrokkene 1]
Het hof gaat uit van de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige [betrokkene 1] tegenover de politie. Nadat [betrokkene 1] in de vroege middag van 9 juli 2017 via de media vernam dat er een lichaam is gevonden in een weiland aan de Bûterwei, heeft ze kort daarop om 12:45 uur met 112 gebeld om haar waarnemingen van de voorgaande nacht te delen. Op 10 juli 2017 om 14:30 uur is [betrokkene 1] als getuige gehoord door de politie. Deze (woordelijk uitgewerkte) verklaring is aldus zeer kort na haar waarnemingen afgelegd, namelijk circa anderhalve dag later. [betrokkene 1] is vervolgens meermalen gehoord door de politie, de rechter-commissaris en de raadsheer-commissaris. Ze heeft haar eigen waarnemingen en verklaringen over die waarnemingen in latere verklaringen gecorrigeerd dan wel genuanceerd. Over bepaalde details heeft [betrokkene 1] later uitleg gegeven en aangegeven dat ze daar niet geheel zeker van is of het niet meer precies weet. Het hof zal daarom met name aansluiten bij haar verklaring, die de dag na haar melding bij de politie is afgelegd. Het hof merkt in dit verband nog op dat de verklaring van getuige [betrokkene 1] betrouwbaar wordt geacht omdat zij gedetailleerd verklaart en nuanceert op bepaalde punten. Zij geeft op navolgbare wijze uitleg over de wijze waarop zij waarnemingen heeft gedaan.
Getuige [betrokkene 1] heeft het FreezeForze festival bezocht op 8 en 9 juli 2017. Ze ging op 9 juli 2017 rond 00:30 uur alleen op de fiets naar huis. Ze fietste over het schelpenpaadje vanaf de manege aan de Lange Reed en kwam uit bij de kruising van de Fogelsang met de Bûterwei. Daar zag ze iets voorbij deze kruising midden op het schelpenpad een auto staan. Deze auto stond met de lichten uit en met de neus in de richting van het schelpenpaadje. Er stonden twee mensen bij de auto en zij liepen het graspad in. [betrokkene 1] beschrijft dat het graspad aldaar begint, dat daar een grasveld is en dat die twee personen daarnaartoe liepen. [betrokkene 1] wijst een graspad aan en verklaart dat voor toegang er een balk zit. Die geeft toegang tot het graspad en natuur. Ze liepen aldaar ook recht in. Haar eerste indruk en gedachte was dat er een man en een vrouw stonden. De voorste, de vrouw, stond tegen de auto aan geleund, bij de bestuurderskant. Zij was smaller en kleiner. [betrokkene 1] had het idee dat ze met haar handen in haar zak van de hoody stond. Ze droeg een strakke broek, daaraan zag [betrokkene 1] dat het een vrouw was. De man stond ernaast. Hij was groter en breder, daarom dacht [betrokkene 1] dat dit een man was. Ze keken allebei naar beneden. Terwijl [betrokkene 1] om de auto heen fietste, liepen ze in de richting van het graspad. Toen [betrokkene 1] aan kwam fietsen stonden ze stil, maar op het moment dat [betrokkene 1] links om de auto heen fietste, kwamen ze in beweging. Ze droegen allebei een zwarte trui met een capuchon. [betrokkene 1] had het idee dat ze bewust naar beneden keken. Ze keken naar de grond in de richting van het graspad. Ze omschrijft het als een beetje schuw, ontwijkend gedrag wat ze bij deze twee personen zag. Normaal gesproken kijk je wel even op als iemand langs fietst, maar dat deden zij niet. De personen vielen [betrokkene 1] op omdat ze richting het festivalterrein gingen. [betrokkene 1] is verder rechtdoor gefietst op de Bûterwei en is langs het treinstation gefietst naar huis. Er fietste niemand voor of na haar. Evenmin heeft [betrokkene 1] op haar route andere personen gezien. [betrokkene 1] verklaart dat zij helemaal alleen was. Dat ze nog een keer achterom keek. Dat ze ook dat laatste stukje niemand heeft gezien. De enige andere auto die ze in de omgeving van de Bûterwei heeft gezien is een politieauto bij Old Dutch, vlakbij het station. Om 00:40 uur was ze bij haar woning in De Westereen. Het was ongeveer 10 minuten fietsen. Bij de raadsheer-commissaris heeft [betrokkene 1] verklaard dat ze ‘hoi’ zei tegen deze twee personen, maar dat zij daarop niets terug zeiden.
De getuige [betrokkene 16] bevestigt dat [betrokkene 1] om 00:30 uur vertrok. Net voor 00:30 uur is het gezelschap van het festivalterrein gelopen, dus het moet om 00:30 uur zijn geweest dat ze bij de manege stonden te wachten op een taxi, aldus [betrokkene 16] . Daar hebben ze afscheid genomen van [betrokkene 1] , zijn ze in de taxi gestapt en hebben ze nog 15-20 minuten gewacht op een aantal jongens die nog moesten komen. Uit de verklaring en de rittenstaat van de betreffende taxichauffeur volgt dat hij om 00:55 uur kon gaan rijden om de getuige [betrokkene 16] en haar gezelschap weg te brengen. De zoon van de getuige [betrokkene 1] , [betrokkene 17] , heeft verklaard dat hij gezamenlijk met zijn moeder het festivalterrein heeft verlaten. Hij heeft haar nog gevraagd of ze met haar mee moesten fietsen, maar dat vond [betrokkene 1] niet nodig. [betrokkene 17] is met zijn moeder en vrienden naar de fietsen gelopen. Ze zijn eerst nog een stukje samen opgefietst en vervolgens ging [betrokkene 1] de bocht om en is [betrokkene 17] met zijn vrienden rechtdoor gefietst. De getuige [betrokkene 17] heeft verklaard dat [betrokkene 1] over het paadje (het hof begrijpt: het schelpenpaadje richting de kruising Fogelsang/Bûterwei) langs het terrein fietste, dat toen zij wegfietste er niemand achter haar aan reed, dat er ook niemand voor haar was toen ze het paadje inreed.
Overwegingen en vaststellingen hof
Het hof stelt vast dat getuige [betrokkene 1] op 9 juli 2017 in de periode tussen 00:30 en 00:40 uur vanaf het festivalterrein via het schelpenpaadje vanaf de manege aan de Lange Reed naar de kruising Bûterwei/Fogelsang in De Westereen is gefietst om vervolgens verder te fietsen over de Bûterwei. Zij heeft op het schelpenpad bij die kruising een geparkeerde auto zien staan met daarbij twee personen. Zij heeft op duidelijke wijze verklaard geen andere personen en auto’s te hebben gezien. In haar beschrijving dat zij aldaar geen anderen heeft gezien is zij concreet en overtuigend. De verklaring van [betrokkene 1] dat zij op het schelpenpad en de Bûterwei geen andere mensen heeft gezien en dat het daar stil was, vindt voor wat betreft het begin van haar fietstocht ook ondersteuning in de waarnemingen die haar zoon aldaar heeft gedaan. Uit de verklaring van de verdachte omtrent de locatie waar zij de Mercedes heeft neergezet aan de Bûterwei die nacht, de Google locatie- en tijdgegevens van haar telefoon en de camerabeelden houdt het hof het er als enige mogelijkheid voor en stelt het hof vast dat [betrokkene 1] de verdachte heeft gezien, aldaar staand tegen de Mercedes. De verdachte was toen daar samen met een ander. Zij stonden bij de Mercedes en liepen naar de ingang van het graspad of weiland.
Bij de politie heeft de verdachte tijdens de verhoren de plek waar zij de Mercedes heeft geparkeerd op de kruising Bûterwei/Fogelsang ingetekend. Deze plek komt overeen met de beschrijving van [betrokkene 1] van de plek waar zij de auto heeft zien staan. Op de zitting is dit door de verdediging niet bestreden. Om 00:31:59 uur bevindt het telefoontoestel van de verdachte zich aldus de hierboven weergegeven Google locatiegegevens ter hoogte van de Bûterwei. De geregistreerde locatie is tot op 10 meter nauwkeurig. Om 00:45:33 uur bevindt het toestel van de verdachte zich nog steeds ter hoogte van de kruising Bûterwei/Fogelsang. De geregistreerde locatie is tot op 5 meter nauwkeurig. Haar aanwezigheid aldaar vindt ondersteuning in de beelden van de beveiligingscamera van het Total tankstation, immers te zien is dat om 00:29:14 uur de Mercedes in beeld komt, rijdend op de Roazeloane, linksaf de Noarder Statsjonsstritte in. De Mercedes was toen aldus onderweg naar de Bûterwei. Op beelden van hetzelfde Total tankstation rijdt de Mercedes vervolgens om 00:47:03 uur weer langs. De Mercedes rijdt op de Yndustrywei, rechtdoor de Roazeloane in.
Locatie van Mercedes, ingang graspad en weiland en vindplaats slachtoffer.
Het hof stelt op basis van de verklaring van [betrokkene 1] vast dat het graspad waar de getuige [betrokkene 1] over spreekt gelegen is achter een toegangsbalk. Daar bevindt zich tevens de toegang tot het weiland dat grenst aan het graspad. In dat weiland is het slachtoffer aangetroffen. Uit het aanvullende proces verbaal sporenonderzoek valt af te leiden dat de ingang van het weiland - in welke richting de twee bij de Mercedes staande personen volgens [betrokkene 1] liepen - op 16.30 meter afstand ligt van de vindplaats van het lichaam van het slachtoffer. Uit de Google Timeline van de Google-accounts van de verdachte en het slachtoffer volgt dat hun toestellen zich omstreeks 00:45 uur op een afstand van maximaal 22 meter van elkaar bevonden. Telecomdeskundige Pluijmers heeft verklaard dat een door Google gegeven nauwkeurigheid van 5 meter impliceert dat bij de locatiebepaling door Google gebruik is gemaakt van GPS en dat dit impliceert dat het gaat om een betrouwbare locatiebepaling. Gelet op het feit dat om 00:45:33 uur de locatie van het Google account van de verdachte als tot op 5 meter nauwkeurig wordt aangemerkt, gaat het hof ervan uit dat de verdachte op dit tijdstip zeer dicht bij de locatie is geweest waar het slachtoffer (blijkens zijn locatiegegevens) rond dat tijdstip was en de volgende ochtend op diezelfde plek levenloos is aangetroffen. Dit wordt nog eens bevestigd in het dossier waar wordt gerelateerd dat de plaats waar de Mercedes was geparkeerd hemelsbreed op een afstand van 15 tot 20 meter van de vindplaats van het slachtoffer lag. De kortste loopafstand van de plaats waar de Mercedes van de verdachte stond tot de vindplaats van het slachtoffer bedroeg 30 tot 40 meter.
Tussenconclusie hof
Op basis van de verschillende bovenstaande bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de verdachte zich in het tijdvak van ongeveer 00:30 uur tot in ieder geval 00:45:33 uur tezamen met een ander, aanvankelijk staand bij haar Mercedes, aan de Bûterwei heeft bevonden, terwijl zij vervolgens tezamen met die ander liep in de richting van de ingang van het graspad en weiland, alwaar het slachtoffer op 16.30 meter van de ingang van dat weiland is aangetroffen. Het hof stelt op basis van de bovenstaande bewijsmiddelen ook vast dat het slachtoffer die plek aan de Bûterwei lopend is genaderd en aldaar uiteindelijk in ieder geval om ongeveer 00:40 uur is gearriveerd.
Beoordeling van verklaringen van verdachte
De verdachte heeft meerdere verklaringen afgelegd over de periode in de aanloop naar 8 en 9 juli 2017 en de periode daarna. Eerst is zij als getuige gehoord. Later is zij als verdachte aangemerkt en heeft zij in die hoedanigheid veelvuldig en uitvoerig verklaard.
Het hof stelt vast dat de verdachte in haar verschillende verklaringen op veel onderwerpen niet consistent heeft verklaard. Het valt op dat zij haar verklaringen voortdurend bijstelt wanneer zij in verhoren wordt geconfronteerd met resultaten van het onderzoek. Dit maakt dat de verdachte niet consistent is en aan geloofwaardigheid inboet. Het hof gebruikt daarom enkel de verklaring van de verdachte voor het bewijs wanneer ondersteuning in ander bewijsmateriaal voorhanden is. Het hof verbindt op een aantal punten conclusies aan hetgeen verdachte heeft verklaard. Het hof zal hieronder op een aantal relevante onderwerpen over het gedrag en de activiteiten van de verdachte in de aanloop naar het tenlastegelegde feit zoals dat in de nacht heeft plaatsgevonden nader ingaan.
Ophaallocatie in de nacht
Over de ophaallocatie van het slachtoffer heeft de verdachte bij de politie verklaard dat het slachtoffer in de ochtend van 8 juli 2017 tegen haar zei dat ze hem op moest halen bij de Bûterwei/Fogelsang, omdat dat dichtbij het festivalterrein was. Het slachtoffer zou dit met behulp van Google Maps op de computer aan de verdachte hebben laten zien. Aanvankelijk heeft de verdachte bij de politie ook verklaard dat ze in de avond van 8 juli 2017 naar het slachtoffer heeft ge-sms’t dat hij naar de Fogelsang/Bûterwei moest komen. Ze heeft verklaard dat ze de Bûterwei in de navigatie van de Mercedes had ingevoerd toen ze in de middag van 8 juli 2017 aldaar ging kijken. ’s Avonds toen ze het slachtoffer ging ophalen wist ze daarom (aldus haar aanvankelijke verklaring), zonder navigatie te gebruiken, waar ze naartoe moest rijden. Geconfronteerd door de politie met de bevinding uit het onderzoek dat in de navigatie van de Mercedes enkel de Lange Reed in De Westereen is ingevoerd en niet de Bûterwei en/of de Fogelsang, heeft de verdachte verklaard dat de Lange Reed ‘daar ook zit’ en dat het slachtoffer dan wel die locatie in de navigatie moet hebben ingevoerd. Hij deed dat wel vaker, aldus de verdachte. Het slachtoffer heeft aldus de verdachte tegen haar gezegd dat de Bûterwei en de Fogelsang de toegangswegen naar de Lange Reed waren. Nadat de verhorende verbalisanten opmerken dat het geen logische route is om vanuit [plaats] via de Bûterwei/Fogelsang naar de Lange Reed te rijden, heeft de verdachte verklaard dat ze via Twijzelerheide gereden is. Op dit latere moment in het politieverhoor heeft de verdachte zelfs ontkend eerder te hebben verklaard dat ze ’s middags de Bûterwei heeft ingevoerd.
Oordeel hof: de verdachte regisseert het slachtoffer naar de ophaallocatie
Het hof gelooft de verdachte niet in haar verklaringen. Op de computers in de woning van de verdachte en het slachtoffer is op 8 juli 2017 enkel op de straat “Lange Reed” gezocht en niet op de Bûterwei en/of de Fogelsang. Op de computers bij de verdachte en het slachtoffer thuis is op 8 en 9 juli 2017 – terwijl het slachtoffer op het festival was – meerdere keren via Google Maps gezocht op ‘Lange Reed 20’ (het hof begrijpt: de locatie van het festival die naar voren komt bij het zoeken op het FreezeForzefestival via internet) en op ‘Stichting Freeze Force’, ‘Freezeforxe’ en ‘Freezforce’. Op Bûterwei en/of Fogelsang is niet gezocht. Uit deze zoekresultaten van de computers, de navigatie van de Mercedes en de inhoud van het sms-bericht van de verdachte aan het slachtoffer, leidt het hof af dat het oorspronkelijk de bedoeling was dat de verdachte het slachtoffer zou ophalen bij de Lange Reed. De verdachte heeft bij de rechtbank desgevraagd verklaard dat het slachtoffer vanaf de Lange Reed rechtdoor moest lopen. Deze straat merkt het hof ook aan als een logische en voor de hand liggende ophaallocatie. Bij de manege aan de Lange Reed vertrokken de taxi’s, daar werden de fietsen van de bezoekers van het festival neergezet, er was sprake van straatverlichting en deze locatie was goed te bereiken met de auto.
Het hof heeft hierboven reeds vastgesteld dat de verdachte op 9 juli 2017 om 00:08 uur een sms naar het slachtoffer heeft gestuurd met de inhoud “Zou graag iets van je horen ik kom dan naar de buterwei dat is vlakbij Hoef je Alleen rechtdoor te lopen”. Dit sms-bericht past niet binnen de verklaring van de verdachte dat ze die ochtend/middag al hadden afgesproken dat het slachtoffer opgehaald zou worden bij die Bûterwei/Fogelsang. Het hof is van oordeel dat de verdachte met deze aanwijzing in dit sms-bericht de komst van het slachtoffer naar de Bûterwei heeft geregisseerd. Het hof leest het bericht tegen de achtergrond van de bovenstaande vaststellingen aldus dat de verdachte het slachtoffer uitleg geeft over de te lopen route naar de Bûterwei alwaar zij zou wachten.
Het hof vindt in de bovenstaande omstandigheden geen aanleiding de verdachte te geloven in haar verklaring dat de locatie aan de Bûterwei/Fogelsang de met het slachtoffer afgesproken plaats was.
Verklaring over activiteit verdachte in de avond van 8 juli 2017
Aan de verdachte zijn vragen gesteld over het verloop van de avond terwijl het slachtoffer naar het festival was. De verdachte heeft in eerste instantie bij de politie verklaard dat ze op zaterdagavond 8 juli 2017 niet is weggeweest voordat ze het slachtoffer ging ophalen. De kinderen lagen op bed.
Uit de locatiegegevens van het Google account van de verdachte ( [e-mailadres 1] @gmail.com) en de daaruit volgende tijdlijn met locaties en daarbij behorende gegevens (de Google Timeline), volgt echter dat de verdachte wel degelijk is weggeweest in de avond van 8 juli 2017. Om 21:53:02 uur bevindt het toestel zich ter hoogte van de woning van de verdachte: de [b-straat] , [plaats] (tot op 21 meter nauwkeurig). Om 21:54:26 uur bevindt het toestel zich ter hoogte van de [a-straat] , [plaats] (tot op 10 meter nauwkeurig). Om 21:57:01 uur bevindt het toestel zich ter hoogte van De Wedze, tussen Zandbulten en Twijzel (tot op 5 meter nauwkeurig). Om 22:00:17 uur bevindt het toestel zich op de Sandbultsterwei, Zandbulten, ter hoogte van de spoorwegovergang (tot op 10 meter nauwkeurig). Om 22:02:39 uur bevindt het toestel zich weer ter hoogte van de woning aan de [b-straat] , [plaats] (tot op 34 meter nauwkeurig).
Om 21:54:07 uur is op de beelden van de camera van de woning van [betrokkene 12] te zien dat de Mercedes linksaf de [a-straat] in reed, komende vanuit de [b-straat] . Om 21:56:47 uur komt de Mercedes in beeld op de camerabeelden van autobedrijf [A] , rijdend over de [a-straat] in de richting van de [c-straat] , komende vanuit de richting van de kruising [a-straat] / [b-straat] . Om 22:01:47 uur komt de Mercedes in beeld, rijdend over de [a-straat] richting de kruising [a-straat] / [b-straat] . Op de beelden van de camera van de woning van [betrokkene 12] is om 22:02:05 uur te zien dat de Mercedes rechtsaf de [b-straat] in reed, komende vanuit de [a-straat] .
Geconfronteerd met de onderzoeksresultaten, heeft de verdachte bij de politie verklaard dat ze zich niet kan herinneren dat ze op zaterdagavond 8 juli 2017 weg is geweest. Het enige wat zou kunnen is dat ze met haar zoon [betrokkene 9] flessen heeft weggebracht naar de glasbak aan de [c-straat] . Uit nader onderzoek van de politie volgt dat er een ondergrondse glascontainer aan de [c-straat] staat. Deze ligt op ongeveer 840 meter afstand van de woning. Uit de Google Timeline van het Google account van de verdachte, die wat betreft de geregistreerde tijdstippen en locaties wordt bevestigd door de camerabeelden waarop de Mercedes van de verdachte te zien is en welke onderzoeksresultaten het hof betrouwbaar acht, volgt echter dat de telefoon van de verdachte zich omstreeks 21:57:01 uur bevond ter hoogte van De Wedze (meer specifiek: perceel De Wedze 13), tussen Twijzel en Zandbulten [plaats] . De afstand tussen deze locatie (De Wedze 13) en de woning van de verdachte en het slachtoffer ( [b-straat] 14 [plaats] ) bedraagt 2,5 kilometer. De verdachte is aldus een aanmerkelijk stuk verder gereden dan de glasbak aan de [c-straat] .
De getuige [betrokkene 10] heeft bovendien verklaard dat hij de verdachte heeft zien rijden op 8 juli 2017 omstreeks 21:45 uur. Hij reed over de [a-straat] in [plaats] in de richting van hun woning op het adres [d-straat 1] te [plaats] . De verdachte kwam in haar auto vanaf de andere kant en maakte een haastige indruk. Ze kwam net door de bocht, groette [betrokkene 10] en zijn vrouw niet en reed door in de richting van haar woning. [betrokkene 10] zag dat ze druk in gesprek was. [betrokkene 10] reed net voorbij autobedrijf [A] toen ze de verdachte zagen. De verdachte kwam uit de bocht van de [c-straat] met een redelijke snelheid. Er zat niemand naast haar op de passagiersplaats, aldus [betrokkene 10] . Uit het onderzoek van de telefoon van de verdachte volgt dat ze op 8 juli 2017 tussen 18:28 uur en 23:55 uur niet heeft gebeld of is gebeld.
Oordeel hof over de verklaring van de verdachte over de autorit omstreeks 22:00 uur
Het hof stelt op basis van het bovenstaande betrouwbaar geachte onderzoek van de politie en deskundige Pluijmers vast dat de verdachte in de avond de route heeft gereden volgens de Google locatiegegevens en camerabeelden. Het hof heeft geen enkele aanleiding te twijfelen aan die onderzoeksresultaten en de camerabeelden. Op basis van de waarneming van de getuige [betrokkene 10] die de verdachte op haar terugweg zag rijden stelt het hof vast dat zij in de auto druk in gesprek was, terwijl uit haar telefoongegevens blijkt dat op dat moment geen gesprekken worden geregistreerd. De verdachte heeft wisselend over deze autorit verklaard. Het hof acht de verklaring van de verdachte dat zij niet verder dan de glascontainer aan de [c-straat] is geweest en dat deze autorit geen andere bestemming heeft gehad in strijd met de betrouwbaar geachte resultaten van de Google locatieonderzoeken zoals die door de politie en deskundige Pluijmers zijn verricht. Derhalve merkt het hof de verklaring van de verdachte aan als kennelijk leugenachtig. Het hof duidt de autorit in de avond als samenhangend met de onderstaande weergegeven telefonische contacten met haar oom [betrokkene 2] en moeder [betrokkene 3] diezelfde dag toen duidelijk was dat het slachtoffer naar het festival ging en daar verbleef. Uit de onderstaande appberichten van de moeder en de reisbewegingen van haar telefoon volgt dat de moeder – die zelf zulke reisafstanden niet reed – tezamen met een of meer anderen diezelfde avond vanuit Duitsland onderweg was naar het Noorden in Nederland. Daarover volgt hieronder meer. Het hof merkt de verklaring van de verdachte aan als afgelegd om haar eigen daderschap en het daderschap van haar medeverdachte(n) ten aanzien van het ten laste gelegde te verhullen. In zoverre strekt dit leugenachtig karakter van haar verklaring tot het bewijs van het ten laste gelegde.
Verklaring verdachte over het wachten aan de Bûterwei
Het hof stelt vast dat de verdachte ook wisselend heeft verklaard over hetgeen zij aan de Bûterwei heeft gezien die nacht. De verdachte heeft aanvankelijk als getuige verklaard dat zij ter plaatse heel veel dronken lui zag. Later verklaart de verdachte dat zij een stuk of 4 of 5 op het schelpenpad zag lopen en vervolgens dat zij een paar dronken mannen met kale koppen zag die langs beide kanten van haar auto liepen. In datzelfde verhoor spreekt zij over een stuk of 10 mannen, geen vrouwen. In een volgend verhoor vertelt de verdachte over een groep van 4 of 5 mannen met kale koppen die vanuit het schelpenpad richting de Bûterwei lopen. Een fietsende vrouw heeft verdachte niet gezien. Zij zag nog twee of drie mensen op de Fogelsang verderop die richting de Bûterwei liepen. In datzelfde verhoor verklaart de verdachte vervolgens, in weerwil van haar eerdere verklaring, dat zij op het schelpenpaadje géén mensen heeft gezien, maar wél op de Fogelsang. Na constatering door de verhorende verbalisanten dat zij eerder anders heeft verklaard bevestigt de verdachte die constatering van verbalisanten. Bij de rechtbank komt de verdachte op haar laatstelijk bij de politie afgelegde verklaring terug en vertelt ze opnieuw dat zij, toen zij bij de Bûterwei arriveerde, haar auto heeft geparkeerd, er een groepje van vier à vijf mensen langs haar auto liep. Ze is naar eigen zeggen heen en weer gelopen: een stuk het schelpenpad op tot aan het schrikhek en terug over de Bûterwei tot aan de bocht richting het station.
Oordeel hof over de verklaring van de verdachte over de Bûterwei
Het hof overweegt allereerst dat indien de verklaring van de verdachte – inhoudende dat ze heen en weer gelopen heeft over het schelpenpad en het verlengde daarvan de Bûterwei – juist zou zijn, zij op dat traject op het schelpenpad of de Bûterwei de getuige [betrokkene 1] moet zijn tegengekomen en vice versa.
Het hof heeft bij de bespreking van de verklaring van de getuige [betrokkene 1] reeds vastgesteld dat [betrokkene 1] op 9 juli 2017 omstreeks 00:30 uur slechts twee personen heeft gezien direct nabij de auto van de verdachte die op het schelpenpad bij de kruising van de Bûterwei en de Fogelsang stond geparkeerd. Het hof heeft geconcludeerd dat dit de verdachte samen met een andere persoon is geweest. [betrokkene 1] is helder en concreet in haar verklaring dat zij op de Fogelsang/Bûterwei (haar route) geen andere personen heeft gezien.
Het hof acht de verdachte in haar verklaringen niet geloofwaardig over wat zij aan de Bûterwei heeft waargenomen en evenmin waar zij zegt dat zij niet in het gezelschap was van een ander in de tijd dat ze bij de kruising Bûterwei/Fogelsang was op 9 juli 2017 van ongeveer 00:30 uur tot 00:45 uur.
Verklaring verdachte over de terugweg vanaf de Bûterwei naar huis
Over de terugweg vanaf de Bûterwei/Fogelsang naar huis in de nacht van 9 juli 2017 heeft de verdachte bij de politie verklaard dat ze via de Fogelsang, Roazeloane en een stukje van het Wyldpad naar huis is gereden. Ze heeft bij de politie verklaard dat ze op de terugweg nergens is gestopt, dat ze harder reed dan de toegestane snelheid, namelijk tot 80 kilometer per uur waar je 50 kilometer per uur mocht, en dat ze direct naar huis is gereden. Over de heenweg, via een andere route, deed de verdachte 5 tot 10 minuten. Ze heeft bij de politie aangegeven geen verklaring te hebben voor het feit dat ze over de terugweg 19 minuten deed.
Oordeel hof over de verklaring van de verdachte over de terugweg
Het hof merkt de verklaring van de verdachte dat zij op de terugweg vanaf de Bûterwei/Fogelsang hard heeft gereden en nergens is gestopt aan als kennelijk leugenachtig en afgelegd om het daderschap van haar en haar medeverdachte ten aanzien van het ten laste gelegde te verhullen. In zoverre strekt dit leugenachtige karakter van haar verklaring tot het bewijs van het ten laste gelegde. De verklaring van de verdachte dat ze harder heeft gereden dan de toegestane snelheid, dat ze niet is gestopt en via de route is gereden waarover zij bij de politie heeft verklaard, is onbestaanbaar en in strijd met de uitkomst van het politieonderzoek zoals boven weergegeven. De verdachte zou in dat geval eerder thuis moeten zijn gekomen dan dat zij blijkens de camerabeelden in werkelijkheid deed.
Verklaring verdachte over zoektocht naar het slachtoffer
Aldus de verklaring van de verdachte heeft zij nadat ze thuis kwam in paniek haar schoonouders gebeld. Deze zijn naar de woning gekomen. Met haar schoonvader [benadeelde 1] is de verdachte vervolgens in de auto van haar schoonvader gestapt om het slachtoffer te zoeken. De verdachte heeft meermalen verklaard dat zij tijdens de zoektocht naar het slachtoffer constant met haar telefoon bezig was en dat zij heel vaak geprobeerd heeft om het slachtoffer te bellen. Uit het forensisch onderzoek in de telefoon van de verdachte volgt echter het tegendeel, namelijk dat ze tussen 01:43 uur en 04:01 uur (het tijdsbestek van de zoektocht) in het geheel niet geprobeerd heeft om het slachtoffer te bellen. Daarmee geconfronteerd door de politie heeft de verdachte verklaard dat zij dan met de telefoon van haar schoonvader moet hebben gebeld. Haar schoonvader heeft dit echter ontkend. Hij heeft verklaard dat de verdachte tijdens de zoektocht geen gebruik heeft gemaakt van zijn telefoon.
Oordeel hof over de verklaring van de verdachte over de zoektocht
Het hof merkt de verklaring van de verdachte dat zij tijdens de gezamenlijke zoektocht naar het slachtoffer in de nacht heel vaak telefonisch contact heeft gezocht met het slachtoffer aan als kennelijk leugenachtig en afgelegd om haar daderschap en het daderschap van haar medeverdachte ten aanzien van het ten laste gelegde te verhullen. Het hof houdt het ervoor dat de verdachte er belang bij had dat zoveel mogelijk werd voorkomen dat het feit werd ontdekt, dat het slachtoffer (zo snel al) werd gevonden terwijl zij tijdens het zoeken nabij was. Diens telefoon lag immers hoorbaar in het open veld. In zoverre strekt dit leugenachtig karakter van haar verklaring tot het bewijs van het ten laste gelegde.
Gedragingen van de verdachte voorafgaand aan, rondom en na afloop van het overlijden van het slachtoffer
Het hof kent betekenis toe aan het gedrag van de verdachte die dag. Hierboven heeft het hof al geconstateerd dat de verdachte in de nacht van 8 op 9 juli 2017 heeft geïnitieerd dat ze het slachtoffer zou ophalen vanaf de Bûterwei/Fogelsang. De getuige [betrokkene 4] heeft over het festivalbezoek verklaard dat op het laatste moment pas duidelijk werd dat het slachtoffer meeging naar het festival. Hij wilde eerst niet mee. [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) had erop aangedrongen dat hij mee ging aldus [betrokkene 4] . Opmerkelijk zijn in dit verband ook de activiteiten die de verdachte op 8 juli 2017 vanaf het wegbrengen van het slachtoffer door de verdachte naar [betrokkene 4] in de middag aan de dag heeft gelegd, in het bijzonder in de wijze waarop zij contact onderhoudt met het slachtoffer en ook het feit dat zij in de middag reeds de ongeveer 6 kilometer van haar woning gelegen Bûterwei heeft bezocht. De toon van de verdachte in het contact met het slachtoffer als hij op het festival verblijft is weliswaar liefdevol maar ook vrij dirigerend van aard. De verdachte vraagt het slachtoffer steeds om zich te melden, ze oppert op een gegeven moment dat het nu misschien wel erg laat wordt omdat ze de volgende dag naar de kerk gaan en in haar sms-bericht van 00:08 uur geeft de verdachte aan dat zij in ieder geval naar de Bûterwei komt. De sturing en controle over het moment van ophalen en de locatie van ophalen door de verdachte lag bij de verdachte. Het hof constateert tevens dat de verdachte al bijna vanaf het moment dat ze het slachtoffer in de middag heeft weggebracht bij de boot van [betrokkene 4] , regelmatig contact zoekt met het slachtoffer. In haar sms-berichten naar het slachtoffer uit de verdachte zich opvallend liefkozend naar het slachtoffer en refereert ze vaak aan het ophalen door haar.
Eenmaal aangekomen bij de geregisseerde ophaallocatie (Bûterwei en niet de Lange Reed) heeft de verdachte – anders dan te verwachten viel – haar daadwerkelijke aankomst in het geheel niet kenbaar gemaakt aan het slachtoffer. Ze heeft niet met hem gebeld, naar hem ge-sms’t of met haar auto getoeterd of lichtsignalen gegeven. Ze is uitgestapt aan de Bûterwei en heeft daarbij haar telefoon achtergelaten in de auto. Daarmee heeft ze zichzelf voor het slachtoffer onbereikbaar gemaakt. Het digitaal onderzoek wijst ook uit dat de verdachte in het gehele tijdvak dat ze bij de kruising Bûterwei/Fogelsang verbleef geen gebruik heeft gemaakt van haar telefoon. Dit kan het hof evenmin rijmen met het eerdere, kort tevoren, juist voortdurende door haar gelegde en gezochte, maar niet tot stand gekomen contact. Het past ook niet in de verklaring van de verdachte dat ze haast had vanwege de kinderen die alleen thuis lagen te slapen. Vanuit die gedachtegang had een bericht naar het slachtoffer juist voor de hand gelegen. Om immers zo snel mogelijk te achterhalen waar het slachtoffer op dat moment was toen zij hem niet zag, zodat ze vervolgens zo snel mogelijk weer samen terug naar huis en de kinderen konden gaan. Het hof duidt het onnavolgbare gedrag van de verdachte aldus dat ze het slachtoffer tezamen met een ander heeft opgewacht.
Wat betreft de gedragingen en uitlatingen van de verdachte bevat het dossier verschillende getuigenverklaringen waarin opvallend gedrag van de verdachte wordt beschreven na de dood van het slachtoffer.
Een vriendin van de verdachte, [betrokkene 18] , heeft als getuige verklaard dat de verdachte haar heeft verteld dat het wapen nooit gevonden zou worden, omdat het wapen er niet meer is. Er zou geen dader gevonden worden en het wapen zouden ‘ze’ nooit vinden, zei de verdachte volgens [betrokkene 18] tegen haar. Het enige wat de verdachte steeds zei: “ze vinden de dader niet. Er is geen bewijs. En het wapen is weg”. Ook vertelde de verdachte op de dag dat het slachtoffer gevonden was op zondagmiddag 9 juli 2017: “Ik heb mijn kleren al in de wasmachine gedaan. Die hebben ze niet eens meegenomen.” en [betrokkene 18] zag dat de verdachte daarbij lachte. De verdachte zei op die dag ook dat ze de auto van binnen en buiten nog goed wilde laten reinigen, dat ze het heel dom vond dat de politie de auto niet direct had meegenomen. De verdachte lachte hier ook bij, aldus [betrokkene 18] . Toen [betrokkene 18] op zondagavond 9 juli 2017 na het avondeten bij de verdachte kwam, zat ze achter haar laptop met her en der wat mappen om haar heen. De verdachte sprak tegenover [betrokkene 18] over een levensverzekering en ze vertelde dat ze de papieren daarvan aan het zoeken was. Op de dinsdag of de woensdag na de dood van het slachtoffer (het hof begrijpt: dinsdag 11 of woensdag 12 juli 2017) vertelde de verdachte dat de hoogte van de levensverzekering € 600.000,- of € 650.000,- betrof.
Vriendin van de familie, [betrokkene 19] , heeft verklaard dat ze op 9 juli 2017 ’s ochtends – toen het slachtoffer nog vermist was – bij de verdachte thuis was. De verdachte zou gezegd hebben: “Hij komt nooit weer”. Bij een later verhoor heeft [betrokkene 19] verklaard dat ze op 9 juli 2017 om 09:00 à 09:30 uur bij de verdachte kwam en dat de verdachte zei: “Dan moet ik straks aan de kinderen vertellen dat hun vader dood is”. [betrokkene 19] geeft aan dat ze dit een bizarre uitspraak vond omdat niemand op dat tijdstip nog iets wist.
De zus van het slachtoffer, [benadeelde 3] , heeft verklaard dat ze erbij was toen de verdachte werd gebeld door de politie met de mededeling dat de Mercedes in beslag zou worden genomen. De getuige vertelt dat de verdachte binnenkwam en zei: “Komen ze ook nog mijn computers ophalen en de auto”. Ze was heel bozig en ging ook meteen weg, naar buiten. De getuige liep achter de verdachte aan en zag dat ze toen al met de auto bezig was. De verdachte ging het matje achter de bestuurdersstoel uitkloppen. Samen liepen ze om de auto heen naar de andere kant (de passagierskant achter) en vervolgens ging de verdachte daar ook het matje uitkloppen. De getuige zag daar het gruis wat uit de mat viel. De getuige verklaart dat zij wat spullen heeft aangenomen en toen zij weer buiten kwam zag dat de verdachte bezig was met een plastic afdekhoes van de bestuurdersstoel. De verdachte heeft de matjes weer in de auto gelegd. De matten werden uitgeklopt naast de auto en de plastic hoes werd verwijderd.
Uit de camerabeelden van de buren van de verdachte en het slachtoffer van de dag van inbeslagname van de auto (13 juli 2017) volgt dat een kwartier vóórdat de politie komt om de auto in beslag te nemen, er gedurende vijf minuten twee personen bij de Mercedes te zien zijn.
Het hof stelt vast dat de hierboven weergegeven gedragingen en uitlatingen van de verdachte niet passen in het beeld van eerst de bezorgde echtgenoot op zoek naar haar man en later van de echtgenoot die haar man is verloren aan een misdrijf en zich meewerkend opstelt in het kader van de opsporing van diegene die hem heeft gedood.
De route van het slachtoffer van het festivalterrein naar de Bûterwei
In hoger beroep is door de verdediging de vraag opgeworpen welke route het slachtoffer vanaf het festivalterrein zou hebben genomen naar het weiland naast de Bûterwei waar hij is aangetroffen. Volgens de raadsman waren er voor het slachtoffer drie opties: via het schelpenpad tussen de Lange Reed en de kruising Bûterwei/Fogelsang, via de door de getuige [betrokkene 20] aangeduide ‘sluiproute’ of via het graspad (langs het spoor). In hoger beroep heeft – net als in eerste aanleg – een schouw van de plaats delict en de omgeving daarvan plaatsgevonden en zijn onder meer deze drie routes nagelopen.
De raadsman en de advocaat-generaal hebben zich op de inhoudelijke zitting van het hof allebei op het standpunt gesteld dat het slachtoffer via het graspad vanaf het festivalterrein naar de plaats delict zou hebben gelopen.
Het onderzoek van de politie heeft naar het oordeel van het hof niet kunnen uitwijzen welke route het slachtoffer genomen heeft en hoe hij precies op de plaats delict is terechtgekomen. Evenmin kan vastgesteld worden wat er exact heeft plaatsgevonden tussen het moment dat het slachtoffer het festivalterrein verliet en het moment dat zijn lichaam de volgende ochtend in het weiland werd aangetroffen. Wel staat, zo heeft het hof hierboven uiteengezet, buiten redelijke twijfel vast dat het de verdachte is geweest die met een ander tussen 00:30 uur en 00:45 uur bij de kruising van de Bûterwei en Fogelsang was. Ongeacht welke route het slachtoffer genomen zou hebben, genoemde routes zouden uitkomen op deze kruising waar de verdachte zich op dat moment ophield met een ander. De verdachte en de andere persoon hadden vanuit de locatie waar zij zich ophielden (graspad met afzetbalk/het begin van het weiland) zicht op alle routes waar het slachtoffer op kan hebben gelopen naar genoemde kruising toe. Welke route hij ook zou nemen, het slachtoffer zou uiteindelijk steeds bij het begin van het weiland bij de kruising Bûterwei/Fogelsang uitkomen. In zoverre is de daadwerkelijk door het slachtoffer gelopen route vanaf het festivalterrein naar de Bûterwei voor de beoordeling niet relevant en kan daarmee in het midden blijven. Daarmee kan ook voorbij worden gegaan aan het door de verdediging geïnitieerde onderzoek en opgemaakte rapport van Forensica dat ziet op het gebruik van het graspad.
(...)
Motief van de verdachte
(...)
Het hof stelt op basis van het bovenstaande vast dat de financiële gevolgen van het
beëindigen van het huwelijk via een echtscheiding door de verdachte en het slachtoffer zijn onderzocht en onderkend. Alle incidenten met politie en Veilig Thuis indachtig, betrof het huwelijk van de verdachte en het slachtoffer, ondanks door het slachtoffer geïnitieerde bemiddeling - waarin verdachte niet veel heil zag -, geen houdbare situatie. Bij een echtscheiding zouden de gevolgen voor de verdachte niet alleen financieel nadelig zijn, maar er dreigde ook een gevecht tussen de verdachte en het slachtoffer om de kinderen.
Zowel de verdachte als het slachtoffer hebben kenbaar gemaakt dat ze bang waren dat de ander bij een breuk de kinderen zou meenemen of zou afnemen.
Doordat er een levensverzekering was afgesloten, zou de dood van het slachtoffer erin resulteren dat de verdachte vanuit deze levensverzekering een hoog geldbedrag zou ontvangen, terwijl het bij een echtscheiding door de huwelijkse voorwaarden nog maar de vraag was of de verdachte enig geldbedrag zou ontvangen bij ontbinding van het huwelijk.
Illustratief voor de vaststelling dat de verdachte ervan op de hoogte was dat de dood van het slachtoffer financieel voordeel opleverde, is het reeds in de avond van de dag van de dood van het slachtoffer zoeken naar de papieren van de levensverzekering door de verdachte.
Het hof ziet in al het voorgaande een financieel en relationeel motief voor de verdachte voor de levensberoving van het slachtoffer.
2.3
Medeplegen
Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of er een of meer medeverdachten betrokken zijn geweest bij de dood van het slachtoffer.
Naar geldend recht is voor een bewezenverklaring van medeplegen vereist dat er sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, waarbij het accent ligt op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken laat zich niet in algemene zin beantwoorden maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Bewuste nauwe samenwerking kan onder meer blijken uit de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De kwalificatie van medeplegen is, aldus volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is.
Betrokkenheid medeverdachte(n)
Dat er een mededader betrokken is geweest, constateert het hof allereerst op de vaststelling van het hof dat getuige [betrokkene 1] de verdachte en een ander persoon bij de auto van de verdachte heeft zien staan op de kruising Bûterwei/Fogelsang op 9 juli 2017 vanaf omstreeks 00:30 uur. Beide personen liepen toen het weiland in.
Uit het sectierapport komt naar voren dat er veel geweld is toegepast op het lichaam en hoofd van het slachtoffer. De schedel van het slachtoffer is daadwerkelijk ingeslagen. De neus is verbrijzeld en de bovenkaak gebroken. Dit heeft een complexe schedeldak-basisbreuk, meervoudige hersenkneuzing en hersenzwelling tot gevolg gehad. Gelet op de verschillen in postuur: het slachtoffer 1,92 meter lang en 85 kilogram zwaar en de verdachte 1,70 meter lang en 60 kilogram zwaar, acht het hof het onaannemelijk en niet goed denkbaar dat de verdachte alleen het toegepaste heftige geweld heeft toegebracht en acht het hof het ook daarom aannemelijk dat een medeverdachte betrokken is bij het toebrengen van het dodelijke letsel.
Het hof vindt in de inhoud van het dossier daarnaast ook andere aanwijzingen die duiden op betrokkenheid van een of meer anderen.
Contact verdachte met [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en locaties telefoons [betrokkene 2] en [betrokkene 3]
Rondom de dood van het slachtoffer is op basis van het opsporingsonderzoek een intensivering van het contact van de verdachte met haar oom [betrokkene 2] en haar moeder [betrokkene 3] te zien. Uit het onderzoek naar de telefoon van de verdachte volgt dat [betrokkene 2] onder de naam “ [betrokkene 2] ” in de contactenlijst van haar telefoon stond. Dit contact is op 4 juli 2017 in de telefoon van de verdachte aangemaakt.
Uit het onderzoek volgen de navolgende contacten van de verdachte met [betrokkene 2] en [betrokkene 3] rondom 8 en 9 juli 2017:
 6 juli 2017 22:17 uur: inkomend belcontact van [betrokkene 2] naar de verdachte, gemist.
 6 juli 2017 22:21 uur: uitgaand belcontact van de verdachte (vanaf haar werk) naar [betrokkene 2] , duur 11 min en 4 sec.
 7 juli 2017 16:13 uur: uitgaand belcontact van de verdachte naar [betrokkene 2] , duur 0 sec.
 8 juli 2017 11:50 uur: uitgaand belcontact via WhatsApp van de verdachte naar [betrokkene 2] , duur 1 min en 43 sec.
 9 juli 2017 16:09 uur: uitgaand belcontact van de verdachte naar [betrokkene 3] , duur 0 sec.
 9 juli 2017 10:01 uur: ontvangst plaatje van [betrokkene 2] op WhatsApp met tekst ‘ook al huilt mijn hart, is het steeds bij jou’.
 9 juli 2017 12:23 uur: [betrokkene 3] reageert op een vraag van [betrokkene 21] in een WhatsAppgroep met de vraag wat iedereen die dag allemaal doet met: ‘uitrusten niets...’.
 9 juli 2017 17:45 uur: uitgaand belcontact van de verdachte naar [betrokkene 3] , duur 2 min en 43 sec.
Met de vaste telefoonlijnen van de woning van de verdachte en het slachtoffer is op de navolgende momenten contact geweest met [betrokkene 2] en [betrokkene 3] rondom 9 juli 2017:
 7 juli 2017 16:14 uur: uitgaand belcontact naar [betrokkene 2] , duur 4 min en 29 sec.
 7 juli 2017 16:34 uur: uitgaand belcontact naar [betrokkene 3] , duur 2 min en 29 sec.
 7 juli 2017 20:57 uur: uitgaand belcontact naar [betrokkene 2] , duur 3 sec.
 8 juli 2017 11:24 uur: uitgaand belcontact naar [betrokkene 2] , duur 0 sec.
 8 juli 2017 15:04 uur: uitgaand belcontact naar [betrokkene 3] , duur 0 sec.
 8 juli 2017 15:37 uur: uitgaand belcontact naar [betrokkene 3] , duur 8 min en 1 sec.
Onderzoek van de telefoon van [betrokkene 2] wijst uit dat er tussen 8 juli 2017 15:31 uur en 9 juli 2017 08:37 uur geen enkele activiteit plaatsvindt op de tijdlijn van het toestel. Van 7 juli 2017 19:13 uur tot 9 juli 2017 12:12 uur heeft het toestel ook geen verbinding gemaakt met een wifi-netwerk.
Onderzoek van de telefoon van [betrokkene 3] wijst uit dat haar telefoon de volgende zendmasten heeft aangestraald rondom 9 juli 2017:
 8 juli 2017 18:55 uur: zendmast tussen Hamminkeln en Isselburg, autosnelweg A73 te Duitsland.
 8 juli 2017 19:43 uur: zendmast Elsbosweg 8, Klarenbeek te Nederland.
 8 juli 2017 19:47:42 uur: zendmast Beemsterweg 58, Apeldoorn.
 8 juli 2017 19:47:56 uur: zendmast Nocturnestraat 1, Apeldoorn.
 8 juli 2017 19:48:33 uur: zendmast Vellertdijk 5, Apeldoorn.
 9 juli 2017 10:01 uur: zendmast omgeving Dormagen te Duitsland.
Aan de hand van deze zendmastgegevens is door de politie vastgesteld dat het toestel van [betrokkene 3] zich in Nederland bevindt en zich in Noordelijke richting voortbeweegt, bijvoorbeeld via de snelweg A50. De uiterste punten van de (globale) dekkingsgebieden van voornoemde masten bedraagt ongeveer 9,1 kilometer. Gezien het tijdsverloop van deze contacten zou de telefoon van [betrokkene 3] met een snelheid van rond de 100 kilometer per uur in noordelijke richting hebben verplaatst. Uit het raadplegen van Google Maps volgt volgens de politie dat bij de afstand tussen Apeldoorn-Twijzel (Wedze) via de A50/A32 per auto van 143 tot 147 kilometer de reistijd circa 1.37 tot 1.33 uur bedraagt.
Bij dit onderzoek naar de telefoon van [betrokkene 3] zijn onder andere de navolgende berichten aangetroffen rondom de nacht van 8 op 9 juli 2017:
 8 juli 2017 15:23 uur sms-bericht van [betrokkene 3] naar haar buurvrouw, [betrokkene 5] : ‘[betrokkene 5] dat wordt vandaag niets. Helaas moeten wij opschuiven’.
 8 juli 2017 16:51 uur: sms-bericht van [betrokkene 3] naar [betrokkene 5] : ‘Morgen kan ik me immers ook amper bewegen en ik moet straks nog even weg’.
 8 juli 2017 19:47 uur: ontvangst sms-bericht: ‘Willkommen in den Niederlanden’, met vervolgens een overzicht van tarieven.
Opvallend tijdens het onderzoek van de telefoon van [betrokkene 3] is verder dat alle sms-berichten van 7 en 8 juli 2017 van het toestel zijn verwijderd, in tegenstelling tot de weken daarvoor waarin er geen berichten zijn verwijderd. De tijdlijn van het toestel toont geen sms-berichten in de periode van 8 juli 2017 om 19:48 uur tot 22 juli 2017 23:23 uur. Tussen 8 juli 2017 om 19:47 uur en 9 juli 2017 om 10:10 uur is geen enkele activiteit op het toestel te zien. Een logische verklaring daarvoor zou kunnen zijn dat het toestel toen uit stond. Een dergelijke langere periode van geen activiteit (ruim 14 uren) is niet op een ander moment waargenomen op de telefoon in de periode van 1 mei 2017 tot 9 juli 2017.
Uit onderzoek van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] naar de telefoon van de verdachte volgt dat in de periode van 19 juni 2017 tot en met 9 juli 2017 WhatsApp 16 keer opnieuw werd geïnstalleerd op de telefoon. Specifiek werd WhatsApp op 8 juli 2017 omstreeks 09:40 uur, 10:59 uur en 14:42 uur en op 9 juli 2017 omstreeks 05:29 uur opnieuw geïnstalleerd. WhatsApp werd op 8 juli 2017 om 10:49 uur, 13:26 uur en op 9 juli 2017 om 03:30 uur verwijderd. Uit onderzoek van verbalisant [verbalisant 1] volgt dat ook ten aanzien van de applicaties Instagram, Facebook Messenger en Facebook in de periode 4 juni 2017 tot en met 9 juli 2017 regelmatig een herinstallatie van deze applicaties plaatsvond. De politie heeft geconstateerd dat er zeer regelmatig telefonisch contact is met [betrokkene 3] rond het verwijderen en weer installeren van de diverse apps op de telefoon van de verdachte.
Opvallend is tevens dat de verdachte desgevraagd tijdens haar verhoor bij de politie, in weerwil van de werkelijkheid, aanvankelijk wil doen voorkomen dat zij van haar oom [betrokkene 2] geen telefoonnummer heeft.
Verder springt in het oog dat de verdachte blijkens het onderzoek aan haar telefoon op 9 juli 2017 vanaf 06:28 uur berichten begint te sturen naar vele personen: haar vriendinnen in Nederland, vrienden van de familie, [betrokkene 4] , de politie en haar stiefvader [betrokkene 6] . Door de verdachte worden zij allemaal actief op de hoogte gehouden van het feit dat het slachtoffer wordt vermist en later dat hij is overleden. Haar moeder in Duitsland benadert zij evenwel niet. Ondanks dat de verdachte in de ochtend berichten ontvangt van haar moeder, haar tante en haar zus [betrokkene 21] , wordt hierop niet gereageerd door de verdachte. De verdachte probeert op 9 juli 2017 pas vanaf 16:09 uur telefonisch contact op te nemen met haar moeder, oma, tante en zus.
Daderkennis in Duitsland op 9 juli 2017
Uit het dossier volgt dat er in de ochtend van 9 juli 2017 – voordat bekend was dat het slachtoffer dood in het weiland was gevonden – al door [betrokkene 3] werd medegedeeld dat het slachtoffer was overleden. De buurvrouw van [betrokkene 3] , [betrokkene 5] , heeft als getuige verklaard dat [betrokkene 3] haar op 9 juli 2017 tussen 08:00 uur en 10:00 uur bij de koffie vertelde dat haar schoonzoon dood is. [betrokkene 3] vertelde dat de verdachte haar had gebeld, dat de verdachte alleen maar huilde en amper te verstaan was. Op een later moment heeft [betrokkene 3] nog verteld dat de benen van het slachtoffer zouden zijn verbrijzeld. Uit het onderzoek naar het telefoonverkeer tussen de verdachte en [betrokkene 3] volgt dat de verdachte pas aan het einde van de middag op 9 juli 2017 voor het eerst contact had met haar moeder, zus en oma. Een vriend van [betrokkene 3] , [betrokkene 7] , heeft verklaard dat hij op zondag 9 juli 2017 rond 10:00 en 10:30 uur van [betrokkene 3] hoorde dat het slachtoffer dood was. [betrokkene 3] zat op de bank bij hem en huilde. [betrokkene 3] zei tegen hem dat ze het van [betrokkene 21] had gehoord, het had op internet gestaan, zo vertelde [betrokkene 3] tegen [betrokkene 7] .
Het hof stelt vast dat op de tijdstippen dat [betrokkene 3] aan twee personen afzonderlijk vertelt dat het slachtoffer is overleden, het lichaam van het slachtoffer nog niet gevonden was. In ieder geval was het toen nog niet bekend dat het om het slachtoffer ging die in het weiland was aangetroffen. Daar komt bij dat uit het onderzoek volgt dat de verdachte op dat moment nog helemaal geen telefonisch contact had gehad met haar oma, moeder en/of zus. Hieruit leidt het hof af dat er sprake was van daderkennis bij [betrokkene 3] .
Het hof stelt ook vast dat de verdachte vroeg in de ochtend van [betrokkene 2] op zondagochtend 9 juli 2017 een troostend bericht ontving voordat bekend was dat het om het slachtoffer ging die in het weiland was gevonden.
(...)
Rol van de verdachte
[betrokkene 4] heeft als getuige verklaard dat hij een week voor 9 juli 2017 met het slachtoffer zijn plannen heeft gedeeld om naar het FreezeForze festival te gaan. [betrokkene 4] zou met zijn motorboot vlakbij het festivalterrein aanleggen. In eerste instantie had het slachtoffer geen zin om mee te gaan. Op 7 juli 2017 om 22:10 uur ontving [betrokkene 4] van het slachtoffer via WhatsApp het bericht: ‘hoe laat begint het feestje morgen’, waarop [betrokkene 4] op 8 juli 2017 om 00:37 uur reageerde: ‘begint Middags al, ik ga om een uur of 3 weg met de boot’. Later die dag heeft [betrokkene 4] een plattegrond met de locatie van de boot naar het slachtoffer gestuurd. [betrokkene 4] werd op 8 juli 2017 door het slachtoffer gebeld, maar heeft dit gesprek gemist. Rond 12:00 uur belde [betrokkene 4] terug. Toen hebben ze afgesproken dat het slachtoffer bij de boot van [betrokkene 4] zou komen, dat ze samen naar het festival zouden varen, maar dat het slachtoffer niet bleef slapen. Het slachtoffer zou worden opgehaald door de verdachte, aldus [betrokkene 4] . Uit het onderzoek naar de telefoon van het slachtoffer blijkt dat dit gesprek met [betrokkene 4] op 8 juli 2017 om 11:50 uur heeft plaatsgevonden. Opvallend is dat de verdachte blijkens de telefoongegevens om 11:50 uur via WhatsApp met haar moeder belt.
Op het moment dat de verdachte die middag het slachtoffer heeft afgezet bij de boot van [betrokkene 4] , heeft de verdachte steeds contact gehouden met het slachtoffer. Zoals eerder opgemerkt springt hierbij in het oog dat de verdachte in haar sms-berichten naar het slachtoffer zich opvallend liefkozend naar hem uit en ze vaak benadrukt dat zij hem zal ophalen. Ze regisseert niet alleen het moment dat het slachtoffer door haar wordt opgehaald, maar ook de locatie.
Binnen deze voorbereiding van de verdachte past ook het ritje van de verdachte in de Mercedes in de avond van 8 juli 2017 in de richting van Twijzel waaromtrent in het dossier diverse aanwijzingen worden gevonden dat die bedoeld was om de medeverdachte op te halen. Na dit ritje heeft de verdachte de woning niet meer verlaten met de auto tot het moment dat ze naar de Bûterwei/Fogelsang reed na 00:22 uur en waar ze omstreeks 00:30 uur – bij de Mercedes en met een ander – is gezien door [betrokkene 1] . De verdachte heeft zoals eerder overwogen niet geloofwaardig kennelijk leugenachtig verklaard over dit ritje richting Twijzel om de waarheid te bemantelen dat er een of meerdere medeverdachte(n) betrokken waren die zij op dat moment heeft ontmoet of opgehaald met de Mercedes.
Over de terugweg naar de woning vanaf de Bûterwei/Fogelsang heeft de verdachte eveneens kennelijk leugenachtig verklaard dat ze hard heeft gereden en nergens is gestopt. Deze verklaring van de verdachte volgend zou ze ongeveer 10 minuten eerder thuis zijn aangekomen dan dat ze uiteindelijk (blijkens de camerabeelden) deed. Deze 10 minuten extra waarover de verdachte kennelijk leugenachtig heeft verklaard boden haar in ieder geval de ruimte om zich weer van de medeverdachte(n) en het (slag)wapen te kunnen ontdoen voordat ze weer naar huis ging. De verdachte heeft – als overwogen – gelogen over haar route vanaf de Bûterwei om de betrokkenheid bij het feit van haarzelf en haar mededader te bemantelen.
Het hof kent in dit verband ook betekenis toe aan het feit dat de verdachte – anders dan zij beweert – haar telefoon uitschakelde om 00:46:30 uur vlak voor haar vertrek met de Mercedes in de nacht vanaf de Bûterwei. Door haar telefoon vlak voor vertrek bij de Bûterwei uit te schakelen, kon de door de verdachte afgelegde route in ieder geval niet aan de hand van haar telefoonlocatie-gegevens in kaart worden gebracht. Het feit dat de verdachte in tegenstelling tot het ritje op de avond van 8 juli 2017, haar telefoon bij de terugweg op 9 juli 2017 vanaf 00:46 uur opeens wél uitschakelde, plaatst het hof in het gegeven dat de verdachte in de avond van 8 juli 2017 het contact met het slachtoffer moest onderhouden om te kunnen coördineren waar het slachtoffer was en dat het slachtoffer op het juiste tijdstip naar de juiste locatie kwam.
2.4
Samenvatting van de conclusies van het hof
Op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen komt het hof tot een bewezenverklaring.
Daartoe stelt het hof vast dat het slachtoffer door herhaald slaan tegen en op zijn lichaam met een (hard) voorwerp om het leven is gebracht op de plek in het weiland aan de Bûterwei alwaar hij de volgende ochtend werd aangetroffen. Dit geweld is op hem toegepast in het tijdvak van ongeveer 00:30 uur tot 00:46:34 uur. De verdachte bevond zich in datzelfde tijdvak tezamen met een ander in de onmiddellijke nabijheid van die plek in het weiland. De verdachte stond tezamen met die ander aanvankelijk tegen haar Mercedes geleund waarna zij samen met die ander in de richting van de ingang van het weiland is gelopen. Die ingang van het weiland bevond zich op slechts 16,30 meter afstand van de vindplaats van het slachtoffer.
Het hof gelooft de verdachte uitdrukkelijk niet in haar scenario over haar aanwezigheid alleen die nacht op de Bûterwei. Haar scenario wordt op belangrijke onderdelen weerlegd door het bewijs en het hof acht het ook volstrekt ongeloofwaardig dat de verdachte niets zou hebben meegekregen van het feit dat haar echtgenoot in het weiland om het leven werd gebracht, terwijl zij zich in de directe nabijheid van die plek bevond.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte tezamen met een ander het slachtoffer om het leven heeft gebracht.
Het hof concludeert dat de verdachte het slachtoffer heeft gestimuleerd het festival te bezoeken. Uit het sms- en belgedrag concludeert het hof dat zij tot het moment dat zij in de nacht op de Bûterwei arriveerde in haar vele contacten liefdevol en sturend was. Het hof duidt dat gedrag als het houden van controle op de vraag waar het slachtoffer die dag en avond verbleef. De verdachte heeft vervolgens in de nacht de komst van het slachtoffer naar de Bûterwei geregisseerd met het sms-bericht zoals zij dit naar het slachtoffer zond.
Het hof heeft in zijn afweging de onderzoeksresultaten met betrekking tot de aangetroffen verfdeeltjes in de letsels van het slachtoffer en de Mercedes op de wijze zoals bovenomschreven meegewogen. Deze resultaten vormen weliswaar op zichzelf gezien geen doorslaggevend bewijs. Het past evenwel in de conclusie dat de verdachte tezamen met een ander betrokken is geweest bij het doden van het slachtoffer. Het hof beschouwt dit bewijsmiddel niet als op zichzelf staand, maar acht het in samenhang met het overige bewijs redengevend voor een bewezenverklaring.
Het hof concludeert uit de bovenstaande bewijsmiddelen, haar voortdurende contact met het slachtoffer, het feit dat de verdachte in de middag de Bûterwei heeft bezocht en zoekslagen deed op internet, dat zij zich heeft voorbereid. Uit de contacten die zij voorafgaand en op de dag zelf met haar moeder en [betrokkene 2] onderhield concludeert het hof dat zij in haar plan waren betrokken.
Het hof is van oordeel dat de verdachte in veel van haar verklaringen niet consistent heeft verklaard en op verschillende onderdelen ongeloofwaardig is. Op onderdelen moet ook worden vastgesteld dat zij kennelijk leugenachtig heeft verklaard. Het hof is van oordeel dat die leugens van de verdachte over haar autorit in de avond van 8 juli 2017, de terugreis vanaf de Bûterwei in de nacht en haar leugen over het (niet) bellen van haar echtgenoot in de zoektocht naar hem kort na middernacht samen met haar schoonvader, zijn bedoeld om haar rol en de betrokkenheid van een of meer anderen bij de dood van het slachtoffer te bemantelen. In zoverre dragen deze leugens bij tot bewijs.
Het hof concludeert daarover dat de verdachte de digitale onderzoeksresultaten van het tijdlijn- en locatieonderzoek met betrekking tot de afgelegde ritten weerspreekt voor wat betreft de ritten in de avond ruim twee uur voordat het slachtoffer werd gedood en de terugreis vanaf de Bûterwei in de nacht. Dit terwijl er geen enkele aanleiding bestaat de betrouwbaarheid van dat bewijs in twijfel te trekken.
Het hof concludeert uit het politieonderzoek en deskundigenbewijs dat de verdachte haar telefoon bij vertrek vanaf de Bûterwei in de nacht uitschakelde, terwijl die bij thuiskomst weer werd aangezet. Aan de andersluidende verklaring van de verdachte kan het hof geen andere conclusie verbinden dan dat zij heeft willen verhullen dat zij met het uitschakelen heeft beoogd te bewerkstelligen dat van de door haar te rijden route terug geen gegevens konden worden geregistreerd. Het hof stelt nog vast dat de verdachte aan de Bûterwei in de nacht haar telefoon na aankomst aldaar in de Mercedes heeft achtergelaten in plaats van bij zich te houden, alvorens ze de telefoon bij haar vertrek ruim een kwartier later uitschakelt.
Het hof acht ook dit gedrag zoals boven overwogen onnavolgbaar en niet passend bij het opwachten van haar echtgenoot. Het hof concludeert uit haar handelwijze aan de Bûterwei met betrekking tot haar telefoon dat de verdachte berekenend te werk is gegaan.
Het hof concludeert uit de telefonische contacten van de verdachte met haar moeder en oom in de periode voorafgaand en op de dag zelf, de vastgestelde reisbewegingen van de moeder in de avond vanuit Duitsland in Nederland, de daderkennis van de moeder en het troostende bericht vroeg in de ochtend van de oom op zondagochtend 9 juli 2017 voordat bekend was dat het het slachtoffer was dat was gevonden, dat er aanleiding bestaat uit te gaan van verdenking van betrokkenheid van beiden bij de dood van het slachtoffer. Het dossier bevat evenwel onvoldoende concreet bewijs om met zekerheid vast te kunnen stellen wat de precieze rol van de moeder was en of het de oom of uiteindelijk een ander was die de verdachte op de Bûterwei vergezelde. Dat de identiteit van de persoon die op de Bûterwei de verdachte vergezelde niet kan worden vastgesteld staat een bewezenverklaring van het medeplegen evenwel niet in de weg.
Het hof kent bij de beoordeling van de bewijsmiddelen tot slot ook betekenis toe zoals hierboven reeds geduid, aan het opmerkelijke gedrag op verschillende bovenomschreven onderdelen en de bovenomschreven uitlatingen naar anderen door de verdachte. Het hof acht dit gedrag en haar uitlatingen niet in overeenstemming met het scenario dat de verdachte geen strafbare betrokkenheid heeft als medepleger bij het feit.
Het hof ziet in de bovenomschreven bewijsmiddelen een financieel en relationeel motief voor de levensberoving van het slachtoffer.
2.5
Opzettelijk en met voorbedachten rade
De verdachte heeft volgens een vooropgezet plan het slachtoffer naar de Bûterwei laten komen, zodat hij vervolgens op de plek waar hij in de ochtend van 9 juli 2017 is aangetroffen met een slagwapen op een gewelddadige manier om het leven werd gebracht. De belangrijkste rol van de verdachte was ervoor te zorgen dat het slachtoffer op het juiste moment naar de juiste locatie kwam, terwijl zij er tegelijkertijd voor zorgde dat haar medeverdachte(n) op het juiste tijdstip op de juiste locatie was/waren en vervolgens weer van de Bûterwei kon(den) wegkomen en uiteindelijk ontkomen. De verdachte heeft aldus in ieder geval een essentiële en regisserende rol gehad binnen het vooraf opgevatte plan om het slachtoffer om het leven te brengen. Voorts heeft zij tezamen met een ander het slachtoffer opgewacht op zeer korte afstand van de uiteindelijke plaats van het delict. Hieruit blijkt naar het oordeel van het hof opzet op de dood en voorbedachten rade bij de verdachte. Alle handelingen die de verdachte heeft verricht rondom 9 juli 2017 waren er naar hun uiterlijke verschijningsvorm op gericht om het plan dat haar echtgenoot om het leven zou worden gebracht te laten doen slagen. Het hof acht geen contra-indicaties aanwezig die aan het aannemen van voorbedachten rade in de weg staan.
2.6
Conclusie ten aanzien van de primair ten laste gelegde moord
Op grond van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 9 juli 2017 in De Westereen schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van moord ten aanzien van haar echtgenoot.”
3. Beoordeling van het eerste, het tweede en het vierde cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld
3.1
Het eerste cassatiemiddel klaagt over het gebruik voor het bewijs door het hof van de onderzoeksresultaten met betrekking tot de aangetroffen verfdeeltjes in de letsels van het slachtoffer en in de auto van de verdachte. Het tweede cassatiemiddel klaagt over het gebruik voor het bewijs van de door het hof als kennelijk leugenachtig aangemerkte verklaringen van de verdachte. Het vierde cassatiemiddel klaagt over het bewijs van het “medeplegen” van moord. De cassatiemiddelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
3.2
Bij de beoordeling van de cassatiemiddelen moet worden vooropgesteld dat in cassatie niet kan worden onderzocht of de door de feitenrechter in zijn bewijsmotivering vastgestelde feiten en omstandigheden juist zijn. Dat geldt ook voor conclusies van feitelijke aard die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld. Dergelijke vaststellingen en gevolgtrekkingen kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht. (Vgl. HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3530.)
3.3
Het hof is blijkens zijn bewijsvoering uitgegaan van onder meer de volgende vaststellingen. De verdachte – van wie het hof heeft vastgesteld dat zij een mogelijk financieel en relationeel belang heeft bij de dood van het slachtoffer – heeft het slachtoffer weggebracht om samen met een vriend een festival te bezoeken en met het slachtoffer afgesproken dat zij hem ‘s nachts zou ophalen. Overdag hield zij contact met het slachtoffer en bepaalde zij de locatie waar zij hem zou ontmoeten en bracht zij ook een bezoek aan die ophaallocatie. Die avond maakte zij – voordat zij zich weer naar die ophaallocatie begaf – nog een autorit; van die rit heeft het hof de route en het doel niet kunnen vaststellen, wel heeft het hof vastgesteld dat de verklaring die de verdachte daarover heeft gegeven – dat het enkel ging om een rit naar de glasbak – niet juist kan zijn.
Op het afgesproken ophaaltijdstip is de verdachte met een – onbekend gebleven – man bij haar auto dichtbij de ophaallocatie gezien door een getuige. De verdachte en die man liepen vervolgens samen van de auto in de richting van de ophaallocatie; zij droegen een zwarte hoody en vielen de getuige op door schuw, ontwijkend gedrag. De getuige heeft op dat moment geen andere personen in de omgeving gezien. Op basis van onder meer telefoongegevens heeft het hof verder vastgesteld dat het slachtoffer rond die tijd vanaf het festival ook naar de ophaallocatie is gekomen, alwaar hij door zwaar geweld – in het bijzonder slagen met een deels stomp deels kantig voorwerp tegen het hoofd – om het leven is gebracht.
De verdachte is vervolgens – naar haar zeggen omdat ze het slachtoffer niet aantrof op de afgesproken locatie – weer naar huis gereden. Het hof heeft vastgesteld dat die rit naar huis ongeveer tien minuten langer duurde dan hij zou hebben geduurd als de verdachte overeenkomstig haar eigen verklaring zou hebben gereden. De precieze route van die rit kon echter niet worden bepaald omdat de verdachte haar telefoon net op dat moment had uitgezet. Later die nacht is de verdachte met haar schoonvader gaan zoeken naar het slachtoffer en heeft zij opnieuw de ophaallocatie bezocht. Anders dan zij heeft verklaard, heeft zij tijdens die gezamenlijke zoektocht niet gebeld naar het toestel van het slachtoffer; daarvoor en daarna telkens wel.
Verder zijn in de letsels van het slachtoffer blauwe verfdeeltjes aangetroffen waarvan is vastgesteld dat de samenstelling voor een deel gelijk is aan blauwe verfdeeltjes die zijn aangetroffen in de ten behoeve van het forensisch onderzoekuitgeklopte en vervolgens afgeplakte vloermatten van de auto van de verdachte. In dat verband heeft het hof ook vastgesteld dat de verdachte nadat zij had vernomen dat de politie haar auto in beslag zou nemen voor onderzoek, overging tot het uitkloppen van vloermatten van de auto. Daarnaast heeft het hof in aanmerking genomen dat het ook enkele andere gedragingen en uitlatingen van de verdachte niet in overeenstemming kon brengen met het scenario van de verdachte dat zij geen strafbare betrokkenheid had bij het gepleegde feit.
Op grond van onder meer deze omstandigheden is het hof tot de conclusie gekomen dat het de verdachte was die als mededader de moord op het slachtoffer heeft gepleegd.
3.4.1
Dat het hof blijkens zijn bewijsvoering “een zekere bewijswaarde” heeft toegekend aan de hiervoor genoemde resultaten van het onderzoek naar de verfdeeltjes, is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat het hof deze resultaten op zichzelf niet doorslaggevend achtte maar deze heeft beoordeeld in samenhang met de overige bewijsmiddelen. Dat zowel in de letsels van het slachtoffer als in de auto van de verdachte ook telkens onderling verschillend opgebouwde en samengestelde verfdeeltjes zijn aangetroffen, doet niet af aan de uitkomsten van het onderzoek dat in de monsters afkomstig van de letsels en de monsters uit de auto meerdere verfdeeltjes zijn aangetroffen waarvan de samenstelling overeenkomt. Dat in het onderzoek naar de verfdeeltjes is vermeld dat onder de gegeven omstandigheden – waarbij onder meer niet bekend was hoe zeldzaam deze verf is in het algemeen en specifiek in de omgeving van het slachtoffer en de verdachte, en evenmin een referentievoorwerp beschikbaar was waarvan de deeltjes afkomstig waren – geen concrete inschatting kon worden gemaakt van de bewijskracht van de onderzoeksresultaten, leidt evenmin tot een ander oordeel.
3.4.2
Het eerste cassatiemiddel faalt.
3.5.1
Het tweede cassatiemiddel klaagt over de conclusies die het hof heeft verbonden aan de onjuistheid van de drie hiervoor aangeduide verklaringen. In het bijzonder klaagt het cassatiemiddel over het oordeel dat het gaat om kennelijk leugenachtige verklaringen die tot het bewijs konden worden gebruikt.
3.5.2
Het hof heeft op basis van locatiegegevens, camerabeelden en een getuigenverklaring vastgesteld dat de verklaring van de verdachte dat zij in de avond voorafgaand aan de nacht waarin het feit is gepleegd, een rit heeft gemaakt die niet verder ging dan de glasbak, onwaar is.
Gelet op de vaststellingen van het hof dat de verdachte al die hele dag contact onderhield met het slachtoffer over onder meer de ophaallocatie en zij die ophaallocatie in de middag ook bezocht, terwijl zij niet lang na de rit waarover zij een onware verklaring heeft afgelegd weer naar de ophaallocatie is gegaan om het slachtoffer daar te ontmoeten, is de aanname van het hof dat de onwaarheid van de verklaring die de verdachte heeft afgelegd over het doel en de bestemming van die tussenliggende rit, verband houdt met deze andere gedragingen van de verdachte diezelfde dag, niet onbegrijpelijk.
3.5.3
Het voorgaande geldt ook voor de verklaring van de verdachte over haar nachtelijke terugrit: dat zij tien minuten langer over die rit heeft gedaan dan uit haar verklaring volgt, kan de op locatiegegevens en camerabeelden gebaseerde vaststelling van het hof dat deze verklaring onwaar is, dragen.
Ook de aanname van het hof dat die onwaarheid verband houdt met de andere gedragingen die de verdachte in verband brengen met de ophaallocatie en het daar gepleegde feit, is niet onbegrijpelijk, mede gezien de vaststelling van het hof dat de verdachte juist op het moment dat zij die terugrit maakte haar telefoon had uitgezet.
3.5.4
Voor zover het hof aan deze onwaarheden betekenis heeft toegekend bij zijn negatieve beantwoording van de vraag of de feitenlezing van de verdachte - die erop neerkomt dat zij geen enkele betrokkenheid had bij het strafbare feit - geloofwaardig is, is dat oordeel evenmin onbegrijpelijk. Voor zover het tweede cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het.
Nu het het hof vrijstond om de hiervoor genoemde onwaarheden op deze wijze in zijn oordeel over de bewezenverklaring te betrekken, behoeven de klachten over het aanmerken door het hof van deze onwaarheden als zelfstandige bewijsmiddelen geen bespreking. Dat geldt ook voor de klacht dat het hof de verklaring van de verdachte over het bellen naar het toestel van het slachtoffer – die het hof niet onbegrijpelijk als onwaar heeft aangeduid – als bewijsmiddel heeft aangemerkt.
3.6
Het tweede cassatiemiddel leidt niet tot cassatie.
3.7.1
Het hof heeft in zijn bewijsvoering gemotiveerd op grond waarvan naar zijn oordeel het tenlastegelegde medeplegen bewezen is. Voor zover het vierde cassatiemiddel erover klaagt dat voor de bewezenverklaring van medeplegen onvoldoende duidelijk is geworden wat de precieze rol van de medeverdachte is geweest, faalt deze klacht, omdat deze klacht een eis stelt die het recht niet kent.
3.7.2
Voor zover het vierde cassatiemiddel klaagt over de begrijpelijkheid van de feitelijke vaststellingen en gevolgtrekkingen van het hof, faalt het eveneens. Dat de verdachte het bewezenverklaarde feit niet alleen heeft gepleegd, heeft het hof in de eerste plaats gebaseerd op de aard van het zeer zware letsel van het slachtoffer, dat erop duidt dat er veel geweld is uitgeoefend op zijn hoofd en lichaam. Gelet op haar postuur achtte het hof de verdachte niet in staat om het voor het ontstaan van dit letsel benodigde heftige geweld alleen toe te brengen. In samenhang met de waarneming van de getuige dat de verdachte, toen zij rond het met het slachtoffer afgesproken tijdstip van haar auto naar de ophaallocatie liep, werd vergezeld door een – onbekend gebleven – persoon, achtte het hof daarom voldoende aannemelijk geworden dat een medeverdachte betrokken was bij het toebrengen van het dodelijke letsel. Gelet op deze betrokkenheid – en op alle overige vaststellingen van het hof omtrent de gedragingen van de verdachte zelf zoals hiervoor onder 3.3 kort weergegeven – is het oordeel van het hof dat de verdachte als medepleger moet worden aangemerkt niet onbegrijpelijk.
3.7.3
Ook het vierde cassatiemiddel faalt.
4. Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld
4.1
Het cassatiemiddel klaagt over de toewijzing door het hof van de vordering van de benadeelde partijen ter zake van zogenoemde schokschade (ook wel shockschade). Het voert daartoe aan dat de confrontatie van de benadeelde partijen met het slachtoffer niet onverhoeds en onvermijdbaar was.
4.2.1
De advocaat van de benadeelde partijen heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 12, 13 en 14 juni 2019 de vorderingen van de benadeelde partijen als volgt toegelicht:
“De ouders en de zussen van [slachtoffer] hebben door de directe confrontatie ernstig en psychisch letsel opgelopen. Alleen de vermissing van [slachtoffer] veroorzaakte al een grote schok. De zoektochten worden nu nog herbeleefd in hun dromen. Dat is de psychische schade die zij hebben. Op enig moment kwam het bericht dat [slachtoffer] was overleden en vanaf dat moment trad de duisternis in. Het werd nog zwaarder toen steeds meer bekend werd over wat [slachtoffer] heeft moeten doorstaan. De ouders van [slachtoffer] hebben hem in het mortuarium moeten identificeren. Op het lichaam van [slachtoffer] waren sporen te zien van enorm geweld. Zij zagen een man die gedeukt was en aan elkaar gelijmd. Ze herkenden [slachtoffer] niet. Ze herkenden alleen zijn handen. De beelden staan nog steeds op hun netvlies.
[benadeelde 4] en [benadeelde 3] hadden voor hun gevoel geen keus; ze moesten het lichaam van [slachtoffer] met eigen ogen zien. Ook na de identificatie bleef het niet alleen bij die pijn. Er komen beelden op die gruwelijk zijn, en die maken dat ze constant terug gaan naar de vraag wat hij heeft moeten doorstaan. Er worden meer feiten bekend maar tegelijkertijd rijzen er meer vragen. Niemand weet welke gruwelijkheden hij heeft gevoeld. Hoe lang het geduurd heeft. Ze hoorden dat er sprake was van enig afweerletsel, dat brengt ze weer terug in de tijd. [benadeelde 4] wil liever de verschrikkelijke waarheid dan een opgepoetste leugen, maar ook de waarheid doet pijn. Ik heb gewezen op een rechterlijke uitspraak waarin mensen worden geconfronteerd met de doodsstrijd. Verdachte heeft een onrechtmatige daad gepleegd; niet alleen tegen [slachtoffer] , maar ook tegen zijn familieleden. Ik wijs op het vonnis in de zaak Anne Faber, waar shockschade is toegekend op basis van de confrontatie van de benadeelde partijen met de doodsstrijd van hun dochter en zus. De ouders en zussen van [slachtoffer] vorderen elk vergoeding van immateriële shockschade ter hoogte van 40.000 euro, ik verwijs naar de vorderingen voor de verdere onderbouwing met jurisprudentie.”
4.2.2
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 en 3 november 2020 heeft de advocaat van de benadeelde partijen daar de vorderingen nader toegelicht overeenkomstig een op schrift gestelde toelichting. Deze toelichting houdt onder meer in:
“De aard van het letsel wat is toegebracht, was een totale verminking, [slachtoffer] was onherkenbaar en alles aan zijn hoofd en gezicht, dat wat een mens zo herkenbaar maakt, was stuk.
(...) Tevens is bij de ouders van [slachtoffer] naast PTSS gecompliceerde rouw gediagnosticeerd en kunnen wij vaststellen dat zij ruim 3 jaar na dato nog dagelijks in hoge mate door dit lijden worden bepaald. Bij [benadeelde 4] werd een combinatie van PTSS en paniekstoornis gediagnosticeerd, waarvoor zij 3 jaren therapeutische ondersteuning heeft ontvangen van specialistische GGZ. Bij [benadeelde 3] werd PTSS en een depressieve stoornis vastgesteld. Ook zij kreeg 3 jaar lang therapeutische ondersteuning van gespecialiseerde GGZ.”
4.2.3
Het hof heeft de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] – respectievelijk de vader, de moeder en de zussen van het slachtoffer – ter zake van materiële en immateriële schokschade toegewezen. Het hof heeft de immateriële schokschade toegewezen tot een bedrag van telkens € 20.000 en daartoe het volgende overwogen:
“Door elk van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en [benadeelde 4] is telkens € 40.000,00 aan immateriële shockschade gevorderd.
Het hof stelt vast dat de benadeelde partijen een nauwe en affectieve relatie hadden met hun zoon dan wel broer. De confrontatie met hun overleden zoon en broer heeft onmiskenbaar een hevige schok bij hen teweeggebracht. Deze hevige schok heeft bij alle benadeelde partijen geleid tot (ernstig) geestelijk letsel in de vorm van een psychiatrisch erkend ziektebeeld, zijnde bij alle benadeelde partijen een posttraumatische stressstoornis en in sommige gevallen gecombineerd met een (eenmalige) depressieve episode, een paniekstoornis en/of een gecompliceerde rouwstoornis. Dit volgt uit de overgelegde stukken van de psychologen bij wie de benadeelde partijen onder behandeling staan dan wel stonden.
Naar het oordeel van het hof is aldus vast komen te staan dat de benadeelde partijen als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade in de vorm van shockschade hebben geleden.
De volgende vraag is in welke omvang dit gedeelte van de vorderingen kan worden toegewezen. Ingevolge art. 6:106 lid 1 BW dient het smartengeld door de rechter naar billijkheid vastgesteld te worden. Die vaststelling geschiedt, zoals hiervoor overwogen, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op vergelijkbare gevallen. Alle omstandigheden in aanmerking genomen, is het hof van oordeel dat de rechtbank ook hier een juiste beslissing heeft genomen en zal het hof de shockschade naar maatstaven van billijkheid vaststellen op € 20.000,- en dit bedrag toewijzen aan zowel de vader, moeder en zussen van het slachtoffer. Voor het overige zal het hof de vordering van de benadeelde partijen afwijzen.”
4.3
In zijn arrest van 28 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:958) heeft de Hoge Raad over de vergoeding van schokschade onder meer het volgende overwogen:
“3.4 Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die volgt uit door die laatste onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel zoals hierna onder 3.7 nader omschreven.
3.5
Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld (hierna: het secundaire slachtoffer) zijn onder meer:
- De aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed.
- De wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was. Bij het aan dit gezichtspunt toe te kennen gewicht kan meewegen of het secundaire slachtoffer beroepsmatig of anderszins bedacht moest zijn op een dergelijke schokkende gebeurtenis.
- De aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.
3.6
De feitenrechter moet aan de hand van onder meer deze gezichtspunten in hun onderlinge samenhang beschouwd van geval tot geval beoordelen of sprake is van onrechtmatigheid, waarbij niet op voorhand aan een van deze gezichtspunten doorslaggevende betekenis toekomt. Als een van deze gezichtspunten geen duidelijke indicatie voor het aannemen van onrechtmatigheid geeft, kan onrechtmatigheid desondanks worden aangenomen als de omstandigheden daarvoor, bezien vanuit de overige gezichtspunten, voldoende zwaarwegend zijn.
3.7
Het recht op vergoeding van schade die is veroorzaakt door het onrechtmatig teweegbrengen van een hevige emotionele schok is – zoals hiervoor in 3.4 reeds overwogen – beperkt tot de schade die volgt uit geestelijk letsel. Voor de toewijzing van schadevergoeding ter zake van dat geestelijk letsel is vereist dat het bestaan van dat geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over schokschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld.
Als sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking.”
4.4.1
Namens de benadeelde partijen is aangevoerd dat de ouders van het slachtoffer hem in het mortuarium hebben moeten identificeren en dat de zussen van het slachtoffer voor hun gevoel geen keuze hadden en zij het lichaam met eigen ogen moesten zien. Verder is aangevoerd dat de benadeelde partijen door onder meer de confrontatie met het lichaam van het slachtoffer, waarop sporen van enorm geweld te zien waren, ernstig en psychisch letsel hebben opgelopen.
4.4.2
Blijkens de bewijsvoering heeft het hof vastgesteld dat met een slagvoorwerp hevig geweld is toegepast op het lichaam en het hoofd van het slachtoffer; onder meer dat de schedel is ingeslagen, de neus is verbrijzeld en de bovenkaak is gebroken. Het hof heeft overwogen dat de benadeelde partijen een nauwe en affectieve relatie hadden met hun zoon dan wel broer, dat de confrontatie met het overleden slachtoffer onmiskenbaar een hevige schok bij hen heeft teweeggebracht en dat deze schok bij alle benadeelde partijen heeft geleid tot ernstig geestelijk letsel in de vorm van een psychiatrisch erkend ziektebeeld. Op grond van overgelegde stukken van de behandelende psychologen heeft het hof vastgesteld dat dit geestelijk letsel bij alle benadeelde partijen bestaat uit een posttraumatische stressstoornis, in sommige gevallen gecombineerd met een (eenmalige) depressieve episode, een paniekstoornis en/of een gecompliceerde rouwstoornis.
4.4.3
Tegen de achtergrond van wat hiervoor onder 4.3 is weergegeven, geeft de op deze omstandigheden gebaseerde toewijzing van de vorderingen ter zake van schokschade niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting; zij is ook niet onbegrijpelijk. De in de cassatieschriftuur benadrukte omstandigheden dat de benadeelde partijen pas op een later moment met de gevolgen van het bewezenverklaarde feit zijn geconfronteerd en dat die confrontaties niet onverhoeds en ook niet onvermijdbaar waren, doen daaraan – gelet ook op de vaststellingen van het hof rond de toedracht van het bewezenverklaarde, het op het slachtoffer toegepaste geweld en de directe familieband tussen het slachtoffer en de benadeelde partijen – niet af.
4.5
Het cassatiemiddel faalt.
5. Beoordeling van het derde cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld en het cassatiemiddel dat namens de benadeelde partijen is voorgesteld
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

6.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twintig jaren.

7.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze negentien jaren en zeven maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma, J.C.A.M. Claassens, M. Kuijer en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
20 september 2022.