Conclusie
1.Inleiding en overzicht
Aanleiding voor het nemen van conclusie
nietis gelegen in wat het beroep in cassatie aan de orde stelt. Na de arresten van 6 juni 2024 is namelijk het rechtskundige kader voor de beoordeling van het voorgestelde middel voldoende duidelijk. De directe aanleiding is wél gelegen in een vraag waarover het Hof impliciet heeft beslist en waarover in cassatie niet wordt geklaagd, namelijk of tot het werkelijk rendement – als bedoeld in het kerstarrest en uitgewerkt in de arresten van 6 juni 2024 – ook behoort enig
voordeel wegens eigen gebruik van een tweede woning. De Hoge Raad heeft in HR BNB 2024/89 een antwoord op die vraag in het midden gelaten. De praktijk heeft behoefte aan duidelijkheid (5.4-5.6). Ik geef de Hoge Raad in overweging om in deze zaken te voorzien in die behoefte door ten overvloede op de vraag in te gaan (5.7).
welke WOZ-waardenhet gaat. Bijvoorbeeld wat betreft de WOZ-waarde aan het begin van het jaar: gaat het om (i) de WOZ-waarde die geldt voor het
desbetreffendejaar (dus met 1 januari van het daaraan voorafgaande jaar als waardepeildatum), of om (ii) de WOZ-waarde die geldt voor het
daaropvolgendejaar (dus met 1 januari van het desbetreffende jaar als waardepeildatum)? Deze vraag behoeft geen beantwoording bij de beoordeling van het middel, maar wél bij het afdoen van de zaak (3.21). De kwestie ontbeert overigens relevantie indien HR BNB 2024/88 letterlijk wordt gelezen wat betreft waardering aan het einde van het jaar, maar ik ga ervan uit dat de Hoge Raad
nietheeft beoogd dat het vermogensresultaat per definitie nihil bedraagt (4.6-4.8).
geenrekening kan worden gehouden omdat kwantitatieve aanknopingspunten ontbreken om de omvang van dat voordeel te bepalen.
Het Hofoordeelt dat de aanslagen verder moeten worden verminderd omdat het werkelijk rendement lager is dan het herstelwettelijk rendement. Het Hof oordeelt dat het werkelijk rendement van belanghebbenden gezamenlijk € 924 bedraagt. Dit bedrag omvat rente op bank- en spaartegoeden minus bankkosten, en een door het Hof in goede justitie bepaald rendement op een VvE-reserve. Het bedrag bevat niet een ongerealiseerde waardestijging van de tweede woning, en evenmin inkomen of kosten voor de tweede woning.
onderdeel 2(met een weergave van de feiten en het oordeel van het Hof) volgt in
onderdeel 3namelijk
direct de beoordeling van het middel van de Staatssecretaris. Die beoordeling mondt erin uit dat alleen de klacht slaagt betreffende de ongerealiseerde waardestijging van de tweede woning.
onderdeel 4staat centraal de vraag om
welke WOZ-waarde(n)het gaat. Ik start met een inleiding (4.1-4.5). Vervolgens zet ik uiteen dat ik ervan uitga dat de Hoge Raad met de WOZ-waarde aan “het einde van het jaar” het oog heeft op de WOZ-waarde aan het begin van het volgende jaar, omdat anders de waardemutatie steeds nihil zou zijn (4.6-4.8). Ik onderscheid daarna twee opties voor de bepaling van de waardemutatie (4.9-4.10). Deze twee opties kunnen als volgt worden samengevat (waarbij WPD staat voor waardepeildatum):
voordeel wegens eigen gebruik van een tweede woning. In
onderdeel 5introduceer ik deze vraag en motiveer ik waarom deze vraag wordt behandeld. Het kader voor beantwoording van de vraag is het in de arresten van 6 juni 2024 geformuleerde uitgangspunt dat bij de afbakening van het begrip werkelijk rendement zoveel mogelijk wordt aangesloten bij het rendementsbegrip dat de wetgever voor ogen heeft gestaan bij de vormgeving van het forfaitaire stelsel in box 3. Een kernvraag is daarom of de wetgever daarbij voor ogen heeft gehad dat het rendement van een tweede woning zich uitstrekt tot een voordeel wegens eigen gebruik daarvan. Voor een goed begrip van huidig recht begin ik in
onderdeel 6met oud recht, namelijk met de behandeling van het voordeel wegens eigen gebruik van een woning onder de Wet IB 1964.
Onderdeel 7gaat vervolgens in op de zojuist genoemde kernvraag onder het forfaitaire stelsel van de Wet IB 2001. Ik onderzoek eerst het stelsel dat gold tot 2017 (7.3-7.17), en vervolgens het stelsel dat geldt vanaf 2017 (7.18-7.29), waarbij ook de Herstelwet aan bod komt (7.30). Ik blik tot slot nog kort vooruit naar (mogelijk) toekomstig recht (7.31-7.36). Mijn conclusie is dat het voordeel wegens eigen gebruik van een tweede woning behoort tot het belastingwettelijke rendement, niet alleen onder het forfaitaire stelsel dat geldt tot 2017 (7.17), maar ook onder het forfaitaire stelsel dat geldt vanaf 2017 (7.29-7.30). Voor deze conclusie meen ik bovendien steun te vinden in HR BNB 2016/177 respectievelijk HR BNB 2022/126. Deze arresten komen aan bod in
onderdeel 8(te weten in 8.1-8.5). Dat onderdeel behandelt ook rechtspraak van feitenrechters (8.6-8.8) en literatuur (8.9-8.14) in verband met de kwestie of bij het bepalen van het werkelijk rendement een voordeel wegens eigen gebruik van een tweede woning in aanmerking moet worden genomen.
Onderdeel 9betreft mijn
beschouwing. Onder verwijzing naar het juridische onderzoek in de voorafgaande onderdelen kom ik tot de tussenconclusie dat het voordeel wegens eigen gebruik van een tweede woning zou moeten meetellen bij het bepalen van het werkelijk rendement (9.1-9.5). Vervolgens zet ik uiteen dat een complicatie evenwel is om de omvang van het voordeel te bepalen (9.5-9.16). Dat leidt tot een soort gordiaanse knoop: het voordeel wegens eigen gebruik behoort tot het werkelijk rendement, maar (kwantitatieve) aanknopingspunten ontbreken om de omvang van dat voordeel te bepalen (9.17). Na enige opties te hebben verkend zie ik uiteindelijk geen andere mogelijkheid om de knoop te ontwarren dan door hem door te hakken: ik sta daarbij voor om bij het bepalen van het werkelijke rendement (toch) geen rekening te houden met een voordeel wegens eigen gebruik van een tweede woning (9.18-9.27). Dat is wellicht ook de minst onbevredigende oplossing (vgl. 9.24-9.25), waarvoor de ‘zoveel mogelijk’-benadering in de arresten van 6 juni 2024 bovendien ruimte biedt (9.26). Tot slot tracht ik er geen misverstand over te laten bestaan dat mijn opvatting niets zegt over de plannen in het Wetsvoorstel box 3 (9.28-9.30).
beroep in cassatieis naar mijn mening
gegrond.
2.De feiten en het oordeel van het Hof
3.Het middel en de beoordeling daarvan
zougeoordeeld kunnen worden dat de uitspraak van het Hof ook wat betreft de VvE-reserve niet in stand kan blijven; dit vanuit de gedachte dat niet valt uit te sluiten dat het Hof tot een ander oordeel zou zijn gekomen – al dan niet op basis van ander feitelijk onderzoek – indien het was uitgegaan van de juiste rechtsopvatting. [12]
niet– a contrario – de klacht kan worden afgeleid dat voor het geval geen rekening dient te worden gehouden met kosten, het oordeel van het Hof wordt bestreden voor zover daarbij wel rekening is gehouden met kosten. De slag om de arm is evenwel dat HR BNB 2024/88 en HR BNB 2024/89 laten zien dat de Hoge Raad soms passages over het werkelijk rendement in het beroepschrift in cassatie van de Staatssecretaris ruim(er) opvat (dan ik doe). [16]
4.Welke WOZ-waarden?
Inleiding: de WOZ-waarderingsregel van HR BNB 2024/88
geldtvoor jaar t (en daarmee ook voor 1 januari van jaar t), is de waarde per 1 januari van jaar t-1. Anders gezegd: de formele waarde voor jaar t is materieel de waarde per 1 januari van jaar t-1.
geldtop 1 januari van jaar t+1 en de WOZ-waarde die geldt op 1 januari van jaar t. In dat geval wordt de WOZ-waarde naar de waardepeildatum 1 januari van jaar t vergeleken met de WOZ-waarde naar de waardepeildatum 1 januari van jaar t-1. Anders gezegd: feitelijk wordt dan de waardemutatie in jaar t-1 berekend. [25] Ik zal deze berekening daarom de
t-1-berekeningnoemen en de waardering de
t-1-waardering.
de waardepeildatum1 januari van jaar t+1 en de WOZ-waarde naar de peildatum 1 januari van jaar t. In dat geval wordt de WOZ-waarde voor het jaar t+2 dus vergeleken met de WOZ-waarde voor het jaar t+1. Bij deze methode wordt (wel) feitelijk de waardestijging in het jaar t gemeten. Ik zal deze berekening daarom de
t-berekeningnoemen en de waardering de
t-waardering.
datzelfdejaar (en niet in de loop van het daaraan voorafgaande jaar zoals optie 1). Optie 2 sluit dus veel beter (dan optie 1) aan bij de realiteit.
hineininterpretierenvan de wijze van handelen door de Hoge Raad in HR BNB 2024/88 ná cassatie, te weten dat de Hoge Raad verwijst voor nader onderzoek naar de vraag hoe hoog een eventuele vermogenswinst op de desbetreffende woning was in 2017 en in 2018. [35] Die wijze van afhandelen geeft wel enige aanleiding voor speculatie. Het komt mij namelijk voor dat Boer gelijk heeft dat de Hoge Raad de zaak zelf had kunnen afdoen voor een van de jaren, te weten het jaar 2017, gelet op de WOZ-waarden die in cassatie bekend waren. [36] En zo daarvan is afgezien omdat een partiële afdoening niet mogelijk of niet opportuun is geacht, had in de verwijzingsopdracht tot uitdrukking kunnen worden gebracht hoe het jaar 2017 afgehandeld moest worden. Althans… Dit een en ander had gekund uitgaande van optie 1. De gedachte zou kunnen opkomen of uit de omstandigheid dat de Hoge Raad het een
nochhet ander heeft gedaan, zou kunnen worden afgeleid dat de Hoge Raad toch niet van optie 1 maar juist van optie 2 is uitgegaan. Maar als gezegd, dit is niet meer dan speculeren.
daaraan voorafgaandmoment namelijk 1 januari van jaar t. Vergelijk ook Heithuis die het volgende vraagpunt signaleert: [39]
mutatis mutandisde WOZ-waarde leidend. Dit komt overeen met de (kennelijke) opvatting van de NOB in haar in 4.28 geciteerde vraag, maar wijkt af van opvattingen waarin impliciet ervan wordt uitgegaan dat de koopprijs leidend is (zie 4.25-4.26).
mutatis mutandishet omgekeerde. Deze onevenwichtigheden zouden kunnen worden weggenomen door een tijdsevenredige benadering, zoals gesuggereerd door de NOB in haar vraagstelling, maar dat past niet bij het uitgangspunt dat de WOZ-waarde voor een heel jaar geldt. Ik meen dat dit een en ander nog verder moet worden doordacht, maar dat is voor de onderhavige kwestie – gelet op het hierna volgende – niet nodig. Zou ik nu positie moeten kiezen, dan neig ik naar de tijdsevenredige benadering.
nietde werkelijke koopprijs, maar de WOZ-waarde leidend is voor de bepaling van het werkelijk rendement. Dit betekent dat de in 4.24-4.26 gesignaleerde potentiële problemen van optie 1 niet aan de orde zijn.
mutatis mutandisevenzeer spelen bij optie 2.
alswél op een of andere manier rekening wordt gehouden met een investering in een tweede woning, frictie zou kunnen optreden indien optie 1 wordt gehanteerd bij de WOZ-waarderingsregel. Of en zo ja op welke wijze frictie optreedt, hangt van af de methode waarmee rekening zou worden gehouden met een investering in een tweede woning. Zie ik het goed dan legt ook de NOB het verband tussen enerzijds de kwestie van hoe omgaan met investeringen en anderzijds de t-1-berekening (optie 1); zie de laatste subvraag van de in 4.39 geciteerde vraag 11.
steldat met een investering in jaar t rekening wordt gehouden doordat op het verschil tussen de WOZ-waarde die geldt voor jaar t+1 en die welke geldt voor jaar t de investering (al dan niet geheel) in aftrek wordt gebracht (aftrekmethode). [52] Dan is er in die zin een temporele mismatch dat in de eindwaarde als uitgangspunt de waardestijging als gevolg van de investering nog niet is verdisconteerd, waardoor de waardestijging ook niet in het verschil met de beginwaarde zit. Die waardestijging komt pas in het volgende jaar (jaar t+1) tot uitdrukking in het verschil tussen de WOZ-waarde die geldt voor jaar t+2 en die welke geldt voor jaar t+1. Kortom, het jaar waarin een aftrek voor de investering wordt toegepast (jaar t) zou niet samenvallen met het jaar waarin de door die investering optredende waardestijging is begrepen in de WOZ-waardemutatie (jaar t+1).
Alsmet een investering
geenrekening wordt gehouden bij de bepaling van de vermogenswinst op een tweede woning net zo min als met kosten, [54] dan leidt de casuspositie niet tot een frictie.
Alsmet een investering
welrekening wordt gehouden, kan de casuspositie wel tot frictie leiden, mede afhankelijk van de methode waarmee rekening wordt gehouden met een investering. Bij de aftrekmethode is de frictie dat er potentieel een temporele mismatch is. Het voorbeeld van de aftrekmethode laat (echter) ook zien dat het afhankelijk is van het al dan niet van toepassing zijn van art. 18(3) Wet WOZ of die temporele mismatch optreedt. Is de investering zodanig dat de WOZ-waarde wordt vastgesteld met toepassing van art. 18(3) Wet WOZ, dan treedt de frictie niet op indien optie 1 wordt gehanteerd. Sterker nog, de frictie treedt dan juist op indien optie 2 wordt gehanteerd. Aangenomen dat art. 18(3) Wet WOZ eerder toepassing vindt naarmate de investering hoger is, leidt deze casuspositie dus in zeker opzicht tot een grotere frictie indien optie 2 wordt gehanteerd dan indien optie 1 wordt gehanteerd.
5.Voordeel wegens eigen gebruik van de tweede woning? Inleiding
eventueelin aanmerking te nemen voordeel wegens eigen gebruik” van een tweede woning. Zij laat daarmee uitdrukkelijk in het midden of zo’n voordeel überhaupt meetelt bij het bepalen van het werkelijke rendement. Deze lezing vindt bevestiging in de wijze waarop de Hoge Raad de zaak zelf afdoet. Hij stelt het bedrag van het werkelijke rendement vast, ervan uitgaande dat geen werkelijk rendement is genoten op het appartement in Frankrijk. Dit heeft geen andere reden dan dat het daartoe strekkende oordeel van het hof vergeefs – want: bij gebrek aan belang – is bestreden. Het heeft dus zeker niet als reden dat de Hoge Raad de opvatting van het hof onderschrijft dat een voordeel wegens eigen gebruik van het appartement niet meetelt bij het bepalen van het werkelijke rendement. Ik citeer:
6.Voordeel wegens eigen gebruik onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964
eersteeigen woning de eigen woning die anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat van de belastingplichtige of de personen die behoren tot zijn huishouden. [65] Die bepaling rekende de huurwaarde van de eerste eigen woning tot de zuivere inkomsten. Zij stelde daartoe de huurwaarde op 1,25% van de waarde in het economische verkeer van de eerste eigen woning, welk percentage afnam naarmate die waarde toenam. Diezelfde bepaling rekende andere voordelen van de eerste eigen woning niet tot de zuivere inkomsten. Daartoe rekende zij evenmin kosten, lasten of afschrijvingen ter zake van de eerste eigen woning, behalve renten van schulden, kosten van geldleningen en periodieke betalingen voor de rechten van erfpacht, opstal of beklemming. Art. 42a(1) Wet IB 1964 (tekst 2000) luidde als volgt:
tweedeeigen woning. Deze bepaling omschreef de tweede eigen woning als de eigen woning die de belastingplichtige of de personen die behoren tot zijn huishouden
nietanders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat. Die bepaling rekende de huurwaarde van de tweede eigen woning tot de inkomsten uit vermogen. Zij rekende daartoe niet andere voordelen en ook niet kosten, lasten of afschrijvingen ter zake van de tweede eigen woning, wederom behalve – kort gezegd – financieringskosten. Zij stelde wel de huurwaarde op een hoger, vast percentage van de waarde in het economische verkeer, namelijk 2,05%. Voor zover thans van belang, luidde art. 42a(10) Wet IB 1964 (tekst 2000) als volgt:
eersteeigen woning doordat de woning tijdelijk ter beschikking stond van derden. In zoverre rekende art. 42a(7)(a) Wet IB 1964 slechts drie kwart van de voordelen die de belastingplichtige verkreeg voor het ter beschikking stellen van de woning tot de te belasten inkomsten (maar niet andere voordelen), terwijl art. 42a(7)(b) Wet IB 1964 kosten, lasten en afschrijvingen in aftrek toeliet alsof de woning niet ter beschikking stond van derden. Dit artikellid (tekst 2000) luidde als volgt:
tweedeeigen woning (zie 6.2).
7.Voordeel wegens eigen gebruik onder de Wet IB 2001?
roerendezaken, omdat de wetgever ook daarbij is uitgegaan van een afweging van een bestedings- en beleggingsaspect. Volgens art. 5.3(2)(c) Wet IB 2001 is een roerende zaak een tot de rendementsgrondslag behorende bezitting in één van twee gevallen. Het eerste geval is dat de belastingplichtige en personen die behoren tot zijn huishouden een roerende zaak niet gebruiken of verbruiken voor persoonlijke doeleinden. Het tweede geval is dat zij een roerende zaak wel gebruiken of verbruiken daarvoor, maar de roerende zaak hoofdzakelijk dient als belegging. Die bepaling luidt als volgt:
onroerendezaken. Daarbij is de wetgever mijns inziens eveneens uitgegaan van een afweging van een bestedings-- en beleggingsaspect, maar zijn afweging is minder evident dan bij roerende zaken. Volgens art. 5.3(2)(a) Wet IB 2001 behoren onroerende zaken, zoals een tweede woning, steeds tot de rendementsgrondslag. Zo’n woning behoort daartoe, ook als de woning uitsluitend wordt gebruikt voor persoonlijke doeleinden van de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden. Hetzelfde geldt als de woning gedeeltelijk wordt gebruikt daarvoor en ook als de woning tijdelijk wordt gebruikt daarvoor. Steeds maakt een tweede woning in haar geheel deel uit van de rendementsgrondslag. In al die gevallen leidt het forfaitaire stelsel dus tot belastingwettelijk rendement ter zake van zo’n woning – ongeacht of en, zo ja, in hoeverre eigen gebruik plaatsvindt.
kwalitatiefbehoort tot het rendementsbegrip dat de wetgever voor ogen heeft gestaan, en dat de reden dat dit voordeel niet als zodanig
kwantitatiefwordt meegenomen bij de bepaling van de hoogte van het forfaitaire langetermijnrendement op onroerende zaken erin gelegen is dat ervan is uitgegaan dat lopende inkomsten, zoals huur, wegvallen tegen de kosten. In de nota naar aanleiding van het verslag merkt de regering namelijk het volgende op: [87]
Voordeel wegens eigen gebruik in het forfaitaire stelsel: jurisprudentie en literatuur
obiter dictum. In HR BNB 2016/177 faalt het middel alleen al omdat het berust op de onjuiste opvatting dat een individuele en buitensporige last zich voordoet wanneer het forfaitaire rendement op één bezitting – in dat geval: een tweede woning – het werkelijke rendement daarop overtreft. Dit tweede gedeelte expliciteert dat het middel berust op nog een andere onjuiste opvatting: het abstraheert ten onrechte van het voordeel wegens eigen gebruik van zo’n woning. [103] Anders dan Heithuis, meen ik dat de argumentatie niet erop neer dat
omdatter zake van de tweede woning onder de Wet IB 1964 een fictief inkomen – het huurwaardeforfait – werd bijgeteld, het geen probleem is dat de Wet IB 2001 dit nog steeds doet. Ik begrijp het arrest zo dat de Hoge Raad de wijze van behandeling onder de Wet IB 1964 ‘slechts’ aanhaalt in het kader van de motivering
dát(ook) onder het box 3-regime van de Wet IB 2001 de economische huurwaarde van een woning wegens eigen gebruik als inkomste in natura tot de belastbare inkomsten wordt gerekend. Wel is het zo dat de Hoge Raad niet motiveert
waaromde economische huurwaarde in aanmerking moet worden genomen bij de beantwoording van de vraag of het forfaitaire stelsel dat gold tot 2017 bij de belanghebbende leidt tot een inbreuk op het eigendomsrecht. Dat laatste vond de Hoge Raad denkelijk zo vanzelfsprekend dat het geen motivering behoefde. Dat vind ik op mijn beurt als uitgangspunt geenszins onbegrijpelijk omdat het ruim binnen de toch al ruime beoordelingsmarge van de belastingwetgever valt om voor de heffing van belasting over inkomen uit vermogen ook de economische huurwaarde van een woning wegens eigen gebruik in aanmerking te nemen. Daarvan uitgaande spreekt het vanzelf dat bij de beoordeling of de box 3-heffing leidt tot een inbreuk op het eigendomsrecht in het geval waarin die heffing (onder meer) een woning in eigen gebruik betreft, rekening wordt gehouden met de economische huurwaarde. In zeker opzicht is HR BNB 2016/177 een toepassing
avant la lettrevan de arresten van 6 juni 2024 wat betreft het aansluiten bij het rendementsbegrip dat de wetgever voor ogen heeft gestaan.
opportunity benefit: het eigen gebruik van een tweede woning bespaart uitgaven die de belastingplichtige zonder een tweede woning zou hebben moeten doen voor hetzelfde woongenot. Aldus opgevat is het bedrag van de besparing die optreedt door het eigen gebruik, gelijk aan de uitgaven die een ander in overigens dezelfde omstandigheden als de belastingplichtige zou hebben moeten doen voor het gebruik van eenzelfde woning als die van de belastingplichtige in de periode waarin het eigen gebruik plaatsvindt (of kan plaatsvinden). Dit is een directe benadering ter bepaling van dat voordeel. Een indirecte benadering laat zich evengoed denken. Dan is het bedrag van de besparing die daardoor optreedt, te stellen op de inkomsten die de belastingplichtige zou hebben ontvangen als de tweede woning ter beschikking zou zijn gesteld aan een ander in de periode waarin eigen gebruik plaatsvindt (of kan plaatsvinden). Deze indirecte benadering vindt enige steun in de wetsgeschiedenis van het stelsel dat gold onder de vigeur van de Wet IB 1964. Immers, daarin heeft de wetgever het voordeel in natura dat de belastingplichtige trekt uit het eigen gebruik van een (tweede) woning vergeleken met de huur die de eigenaar-verhuurder trekt uit terbeschikkingstelling daarvan (zie 6.4).
waaromals uitgangspunt wordt gehanteerd dat bij de afbakening van het begrip werkelijk rendement zoveel mogelijk wordt aangesloten bij het rendementsbegrip dat de wetgever voor ogen heeft gestaan bij de vormgeving van het forfaitaire stelsel in box 3. Ik veronderstel dat daarbij een belangrijke rol heeft gespeeld dat de – in het kader van de individuele schendingmaatstaf te maken – vergelijking tussen enerzijds het belasting- of herstelwettelijke rendement (de linkerzijde) en anderzijds het werkelijk rendement (de rechterzijde) evenwichtig moet zijn in die zin dat daarin dezelfde grootheden (soorten rendement) zijn opgenomen. Voor zo’n evenwichtige vergelijking pleiten diverse, samenhangende argumenten, die deels op de verhouding van de rechter tot de wetgever zien en in zoverre in de kern inhouden dat
nieteen EVRM-schending zou mogen worden geconstateerd op basis van niet-EVRM-schendende elementen van het forfaitaire stelsel. [123] Het uitgangspunt van een evenwichtige vergelijking brengt mee dat op een consistente wijze met de grootheid ‘voordeel wegens eigen gebruik van een tweede woning’ moet worden omgegaan bij de vergelijking.
nietin aanmerking wordt genomen. Dat kan vanzelfsprekend aan de rechterzijde (het werkelijk rendement), maar het is niet goed mogelijk aan de linkerzijde (belasting- of herstelwettelijk rendement). Het voordeel wegens eigen gebruik van een tweede woning bestaat namelijk niet los van het belasting- of herstelwettelijke rendement. Het maakt slechts in die (beperkte) zin deel uit van dit rendement dat het wordt geacht daarin te zijn versleuteld (zie ook 7.30). Het is dus onlosmakelijk verbonden met dit rendement zelf. Het kán dan ook niet worden geëcarteerd aan de linkerzijde van de vergelijking.
in die contextworden gezien. [124] De regels zijn ook helemaal niet bedoeld en evenmin geschikt als blauwdruk voor een stelsel van heffing: het hoeft geen betoog dat bijvoorbeeld een combinatie van enerzijds het in aanmerking nemen van ongerealiseerde waardeveranderingen en anderzijds de onmogelijkheid van buitenjaarse verliesverrekening [125] niet past in een deugdelijk heffingssysteem.