ECLI:NL:HR:2024:860
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof over werkelijke rendement box 3 en herstelt aanslag 2017
De zaak betreft een beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden over de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2017 van belanghebbende. Centraal stond de vraag of bij de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen het werkelijke rendement moet worden gehanteerd in plaats van het forfaitaire stelsel van box 3.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende een compensatie moet krijgen voor het verschil tussen forfaitair en werkelijk rendement, maar wees de Herstelwet af als voldoende rechtsherstel. Het Hof bepaalde het werkelijke rendement op € 11.709, exclusief ongerealiseerde waardestijgingen en kosten van onroerend goed in Frankrijk.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof ten onrechte geen rekening hield met de ongerealiseerde waardestijging van het onroerend goed in Nederland van € 16.380. Dit moet worden meegeteld bij het werkelijke rendement, dat daardoor stijgt naar € 28.089. Het incidentele beroep van belanghebbende over het niet meenemen van het heffingvrije vermogen faalt. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en stelt de aanslag dienovereenkomstig vast.
De uitspraak bevestigt dat het werkelijke rendement inclusief ongerealiseerde waardestijgingen moet worden betrokken bij de box 3-heffing en dat de Herstelwet niet in alle gevallen voldoende rechtsherstel biedt. De zaak wordt daarmee in het voordeel van de Staatssecretaris beslecht, met een aangepaste aanslag en verzamelinkomen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en stelt het werkelijke rendement op € 28.089, waarmee de aanslag IB/PVV 2017 wordt verminderd.