ECLI:NL:HR:2024:857
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof over rechtsherstel box 3 en verwijst zaak terug
Belanghebbende, woonachtig in Duitsland, bezat een woning in Nederland waarvan de WOZ-waarde voor 2017 en 2018 was vastgesteld op respectievelijk €237.000 en €230.000. De aangiften inkomstenbelasting gaven echter lagere waarden op, waarop navorderingsaanslagen werden opgelegd met correcties naar de hogere WOZ-waarden.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende compensatie moest krijgen die aansloot bij het werkelijk behaalde rendement, waarbij niet-gerealiseerde vermogenswinsten niet tot het werkelijk rendement werden gerekend. Het Hof vernietigde daarom de navorderingsaanslagen.
De Hoge Raad stelt dat het aan de wetgever is om het rechtstekort te herstellen, maar verwijst naar een eerder arrest waarin is bepaald dat de rechter dit ook kan toetsen. De Hoge Raad acht het oordeel van het Hof over het niet meenemen van niet-gerealiseerde vermogenswinsten terecht, maar oordeelt dat de hoogte van de vermogenswinst nader moet worden onderzocht.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling, waarbij het werkelijke rendement van de woning moet worden vastgesteld op basis van de Wet waardering onroerende zaken, conform artikel 5.20 van de Wet IB 2001.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en spreekt het arrest uit op 14 juni 2024.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor nader onderzoek naar de hoogte van de vermogenswinst op de woning.