ECLI:NL:HR:2024:1879
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad stelt werkelijke rendement box 3 vast inclusief ongerealiseerde waardeveranderingen woning
Belanghebbende had voor het jaar 2019 een box 3-rendementsgrondslag opgegeven bestaande uit banktegoeden en een tweede woning met een WOZ-waarde die door de heffingsambtenaar was vastgesteld. De woning werd niet verhuurd en was eigendom van een VvE waarvan belanghebbende en zijn echtgenote lid waren.
Na bezwaar en beroep stelde het Hof Den Haag vast dat alleen het werkelijk genoten rendement, bestaande uit rente en het rendement op het aandeel in de VvE, belastbaar was, waarbij ongerealiseerde waardestijgingen buiten beschouwing bleven. De Hoge Raad oordeelt echter dat ongerealiseerde waardeveranderingen van onroerende zaken wel tot het werkelijke rendement behoren, mits deze worden berekend op basis van de WOZ-waarden aan het begin en einde van het jaar volgens de t-1-berekening.
Verder verduidelijkt de Hoge Raad dat nadere investeringen in de woning niet als rendement mogen worden beschouwd, en dat het voordeel van eigen gebruik niet kan worden gekwantificeerd en daarom buiten beschouwing blijft. De Hoge Raad stelt het werkelijke rendement voor belanghebbende vast op circa €1.924, inclusief rente, waardestijging van de woning en rendement op de VvE-reserve, en vermindert de aanslag dienovereenkomstig.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof voor zover het de aanslagvermindering betreft en wijzigt de aanslag naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van €1.178 voor belanghebbende, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de aanslag inkomstenbelasting voor 2019 tot een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van €1.178 voor belanghebbende, inclusief ongerealiseerde waardestijgingen volgens de WOZ-waarden.