Conclusie
adv.: mr. P.A. Fruytier
niet verschenen
de gemeenterespectievelijk
[verweerder].
Gemeente Heusden) gevorderde schadevergoeding.
1.Feiten en procesverloop
de brief van 20 maart 2008) heeft de gemeente [betrokkene 1] , zijnde de rechtsvoorganger van [verweerder] , onder meer het volgende geschreven:
Inventarisatie waardevolle bomen
de Bomenkaart 2014 [4] ) staat vermeld dat de vier leilinden in eigendom zijn van een particulier.
(...) In week 45 zullen wij starten met de aanleg van de molgoot. Voor de aanleg van de molgoot is het noodzakelijk dat uw bielzen (tijdelijk) verwijderd worden. Wij verzoeken u deze vóór 1 november zelf te verwijderen, zodat de werkzaamheden op een goede wijze doorgang kunnen vinden. Wanneer u deze niet vóór de genoemde datum zelf verwijdert, zullen deze als onderdeel van de werkzaamheden voor de aanleg van de molgoot door onze aannemer (tijdelijk) verwijderd worden en na afloop van de werkzaamheden weer worden teruggeplaatst. (...)"
(...) Cliënt stelt zich op het standpunt dat hij door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van de litigieuze strook grond. (...)"
primair, (I) verklaring voor recht dat de gemeente eigenaar is van de grond tussen de openbare weg en de kadastrale erfgrens; (II) [verweerder] te gebieden mee te werken aan het door het Kadaster uitzetten en zichtbaar maken van de erfgrens tussen de percelen van de Gemeente en [verweerder] ; (III) [verweerder] te veroordelen tot het ontruimen en ontruimd houden van de aan de Gemeente toebehorende grond;
subsidiair, (IV) verklaring voor recht dat [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld door de grond tussen de openbare weg en de kadastrale erfgrens te kwader trouw in bezit te nemen en vervolgens te houden gedurende de voor verkrijgende verjaring ex art. 3:105 lid 1 jo Pro. art. 3:306 BW Pro vereiste termijn van twintig jaren, en dat [verweerder] gehouden is tot schadevergoeding; (V) veroordeling van [verweerder] tot overdracht van de litigieuze grond ten titel van schadevergoeding in natura;
meer subsidiair, (VI) een verklaring voor recht als subsidiair gevorderd; (VII) veroordeling tot schadevergoeding in geld.
het eindvonnis) heeft de rechtbank vastgesteld dat de gemeente oorspronkelijk eigenaar is van de strook grond, die deel uitmaakt van het perceel [sectie] , [001] , doch dat de exacte omvang daarvan zonder nadere inmeting door het Kadaster niet kan worden vastgesteld. Derhalve is de primair gevorderde verklaring voor recht (sub I) afgewezen omdat het gevorderde onvoldoende bepaalbaar is. (rov. 4.3-4.7)
De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat [verweerder] onvoldoende heeft onderbouwd dat in dit geval sprake is van inbezitneming van de litigieuze grond door (de rechtsvoorganger van) [verweerder] . Omdat [verweerder] het bezit van de litigieuze grond niet heeft verkregen, kan niet geconcludeerd worden dat [verweerder] de eigendom van de litigieuze grond als gevolg van verkrijgende of bevrijdende verjaring kan hebben c.q. heeft verkregen. (rov. 4.8-4.19)
De primaire vordering (sub II) van de gemeente om [verweerder] te gebieden om medewerking te verlenen aan het door het Kadaster ter plaatse uitzetten en het door markeringen in de grond zichtbaar maken van de erfgrens tussen de percelen van Gemeente Laarbeek en [verweerder] is door de rechtbank toegewezen. Ook de primaire ontruimingsvordering (sub III) is toegewezen. (rov. 4.20)
De vorderingen in reconventie van [verweerder] zijn afgewezen. (rov. 4.22)
te verklaren voor recht dat [verweerder] op grond van verkrijgende verjaring ex art. 3:99 BW Pro, althans op grond van bevrijdende verjaring ex art. 3:105 BW Pro jo art. 3:306 BW Pro eigenaar is geworden van het perceelsgedeelte grond kadastraal bekend Gemeente [plaats] , [sectie] , nummer [001] zoals gearceerd is aangeduid op de tekening die als productie 20 is overgelegd.
beperkttot de strook grond die is aangeduid op de tekening die als productie 20 bij de memorie van grieven in het geding is gebracht. Het betreft, kort gezegd, de strook grond voor de voorgevel van de woning met daarop de leilinden, zoals die strook werd afgebakend door de buxushagen die op het perceel stonden ten tijde van de koop (zie de foto hiervoor onder 1.1-(iii), hierna:
de strook grond), zoals gearceerd op voornoemde tekening. Daarmee is de omvang van de strook grond aanzienlijk geringer dan het perceelsgedeelte dat in eerste aanleg in geschil was, zowel in de lengte als in de breedte. Hieronder staat het relevante deel van de tekening die als productie 20 bij memorie van grieven is overgelegd, met arcering van de strook grond:
bestreden arrest) heeft het hof het eindvonnis vernietigd voor zover de primaire vorderingen van de gemeente die zien op de strook grond die is aangeduid op de tekening die als productie 20 bij de memorie van grieven in het geding is gebracht zijn toegewezen. Opnieuw rechtdoende heeft het hof voor recht verklaard dat [verweerder] op grond van bevrijdende verjaring ex art. 3:105 BW Pro jo. art. 3:306 BW Pro eigenaar is geworden van de strook grond en heeft het de primaire vorderingen van de gemeente met betrekking tot de strook grond afgewezen. Het hof heeft daartoe – voor zover in cassatie van belang – als volgt overwogen:
De inbezitneming van de strook grond
bloot kan staan aan een vordering uit onrechtmatige daad van de (voormalige) rechthebbende die zijn eigendom aan die partij heeft verloren door de werking van art. 3:105 BW Pro". Dat oordeel is hierop gebaseerd dat een persoon die een zaak in bezit neemt en houdt, wetende dat een ander daarvan eigenaar is, tegenover die eigenaar onrechtmatig handelt. Indien de voormalig eigenaar dat vordert en degene die de zaak in bezit heeft genomen nog steeds eigenaar is, kan de bezitter worden veroordeeld om bij wijze van schadevergoeding de wederrechtelijk in bezit genomen zaak aan de benadeelde in eigendom over te dragen.
Een persoon die een zaak in bezit neemt en houdt, wetende dat een ander daarvan eigenaar is, handelt tegenover die eigenaar immers onrechtmatig". Nu het hof hiervoor in r.o. 3.12. heeft vastgesteld dat [verweerder] als bezitter te goeder trouw moet worden aangemerkt, kan de gestelde feitelijke grondslag de (meer) subsidiaire vordering niet dragen. Gelet op dit oordeel wordt het bewijsaanbod van de gemeente als niet ter zake dienend gepasseerd.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Heusden-arrest niet slaagt. Onderdeel 5 bevat een voortbouwklacht gericht tegen de gevolgtrekkingen van het hof in zijn rov. 3.27 tot en met het dictum.
Heusden-arrest te kunnen bestrijden.
subonderdeel 1.1, dat geen klacht bevat) in de
subonderdelen 1.2-1.6klachten over de betekenis die het hof heeft toegekend aan de brief van 20 maart 2008 en de Bomenkaart 2014. Voorts bevatten de
subonderdelen 1.7-1.15klachten van de strekking dat het hof de strengere maatstaf voor inbezitneming van publieke grond heeft miskend.
Gemeente Landgraafheeft uw Raad geoordeeld dat die mogelijkheid pas van belang is indien er – in het bijzonder voor de rechthebbende – objectieve aanwijzingen zijn om de machtsuitoefening door de pretense bezitter ook daadwerkelijk als die van een contractueel of zakelijk gerechtigde gebruiker aan te merken. De rechthebbende moet zich daarop beroepen. [18] Bij die objectieve aanwijzingen kan gedacht worden aan het betalen van een geldsom, of het zijn van huurder (of anderszins houder) van naastgelegen grond. [19]
Gemeente Heusden [25] als volgt samengevat:
eigenaarvan de grond is, maar slechts aan de publieke
bestemmingvan de grond voor zover deze naar buiten blijkt (bijvoorbeeld door het toegelaten gebruik). [36] Volgens anderen is vooral van belang dat het gebruik door de beweerde occupant van dien aard is dat het bezit van de vorige bezitter erdoor tenietgaat, zodat de relevantie van de bestemming van het goed weinig toegevoegde waarde heeft. [37]
subonderdelen 1.2-1.6bestrijden het oordeel van het hof dat de brief van 20 maart 2008 en de Bomenkaart 2014 bijdragen aan het oordeel dat sprake is van openbaar en niet dubbelzinnig bezit. Dit oordeel is vervat in de eerste twee volzinnen van rov. 3.10.3.
subonderdeel 1.2), is de door het hof gevolgde uitleg van de gedingstukken onbegrijpelijk voor zover deze inhoudt dat [verweerder] zich wél in deze sleutel op die bescheiden heeft beroepen (
subonderdeel 1.3), heeft het hof een ontoelaatbare verrassingsbeslissing gegeven (
subonderdeel 1.4), essentiële stellingen gepasseerd (
subonderdeel 1.5) en zijn oordeel omtrent de betekenis van de Bomenkaart 2014 ook overigens onvoldoende gemotiveerd (
subonderdeel 1.6).
subonderdeel 1.11 onder bbedoelt te klagen dat het hof niet motiveert op basis waarvan het aanneemt dat de strook grond al langere tijd bij de woning leek te horen, faalt die klacht derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag: die motivering is in rov. 3.10.2 gegeven.)
subonderdelen 1.2-1.6dienen derhalve te falen bij gebrek aan belang.
subonderdelen 1.7-1.15, in de procesinleiding onder C nader toegelicht, bepleiten dat voor inbezitneming c.q. openbaar en niet dubbelzinnig bezit van publieke grond een strengere maatstaf geldt dan voor inbezitneming van particuliere grond.
Subonderdeel 1.15bevat geen klacht, maar verwijst slechts naar de toelichting in de procesinleiding, onder C.
Subonderdeel 1.14bevat een klacht die voortbouwt op de eerdere subonderdelen en behoeft geen afzonderlijke bespreking.
subonderdeel 1.7wordt geklaagd dat het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omdat het hof de strengere maatstaf miskent die geldt voor (in)bezit(neming) van publieke grond. Volgens het subonderdeel is het plaatsen van een beperkte/lage afscheiding in combinatie met onderhoud c.q. inrichting van de publieke grond (als onderdeel van de eigen tuin) op grond van de verkeersopvatting als uitgangspunt onvoldoende om (in)bezit(neming) van de publieke grond aan te nemen. Daartoe zijn steeds bijkomende (bijzondere) omstandigheden vereist op basis waarvan voor de gemeente ondubbelzinnig kenbaar was resp. de gemeente wist of behoorde te weten dat sprake was van inbezitneming.
Daarnaast klaagt het subonderdeel dat het hof eraan voorbij heeft gezien dat de ratio van de jurisprudentie met betrekking tot publieke gronden niet (in het bijzonder) is om ‘landjepik’ te voorkomen. Dat is volgens het subonderdeel in het algemeen een van de rationes achter de regeling ten aanzien van verkrijgende en bevrijdende verjaring en geldt niet in het bijzonder voor publieke gronden.
subonderdelen 1.8 en 1.10-1.12bevatten motiveringsklachten met de strekking dat het hof niet heeft gemotiveerd dat er sprake is van de bijzondere omstandigheden die de door het middel bepleite maatstaf voor inbezitneming vereist, omdat de door het hof genoemde omstandigheden dat de strook grond met bielzen en later met een buxushaag is afgegrensd en dat deze door (een rechtsvoorganger van) [verweerder] is onderhouden en later opnieuw is aangelegd en ingericht, onvoldoende zijn om inbezitneming c.q. bezit van de strook grond aan te nemen (
subonderdeel 1.8), evenmin als de in rov. 3.10.3 in aanmerking genomen Brief van 20 maart 2008 en de Bomenkaart 2014 (
subonderdeel 1.10), het in rov. 3.10.4 in aanmerking genomen feit dat de strook grond al gedurende langere tijd bij de woning lijkt te horen en de rechtsvoorganger van [verweerder] de situatie daarmee in overeenstemming heeft gebracht (
subonderdeel 1.11) en de omstandigheid dat er nog ruimte resteert tussen het perceel en de openbare weg en het gegeven dat door de gemeente niet is gesteld dat de strook grond van belang is voor de openbare nutsvoorzieningen (
subonderdeel 1.12).
persoon van de eigenaarof de maatstaf die het middel voorstaat van toepassing is of niet. Voor deze lezing van de voorgestelde maatstaf pleit onder meer de in de procesinleiding (onderdeel C, nr. 2) aangevoerde rechtvaardiging dat publieke grond vermogen van de overheid en dus van de samenleving vertegenwoordigt. [44]
overheidsgrond. De maatstaf geldt dan vermoedelijk ook voor inbezitneming van grond die toebehoort aan de staat, waterschappen en provincies. Toch blijft de afbakening vaag, omdat niet duidelijk is of inbezitneming van grond die toebehoort aan zelfstandige bestuursorganen (bijvoorbeeld: Staatsbosbeheer) naar dezelfde maatstaf moet worden beoordeeld. [45]
gemeentetoebehorende grond. [46] In het licht van deze omstandigheden is wellicht aangewezen om het middel zo te begrijpen dat de voorgestelde maatstaf alleen geldt voor inbezitneming van gemeentegrond. Voor de inhoudelijke beoordeling van de maatstaf maakt het een en ander mijns inziens weinig verschil.
Als ik het goed zie, zou de maatstaf aldus gelezen erop neerkomen dat de rol van de verkeersopvatting meebrengt dat de aard en de bestemming van het goed in aanmerking genomen moeten worden bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van bezit. Dat dit ook naar geldend recht het geval is, heeft uw Raad in
Gemeente Heusdenreeds uitdrukkelijk overwogen. [48] In hoeverre de voorgestelde maatstaf anders is dan het door uw Raad in dat arrest samengevatte beoordelingskader (zie hierboven 2.16) is dan afhankelijk van de hieronder te bespreken volgens het middel vereiste bijzondere omstandigheden.
gemeenteeigenares is.
klachtonderdeel 1.7bepleit de procesinleiding het uitgangspunt dat het plaatsen van een (beperkte/lage) afgrenzing in combinatie met onderhoud c.q. inrichting van de publieke grond (als onderdeel van de eigen tuin) op grond van de verkeersopvatting onvoldoende is om inbezitneming van publieke grond aan te nemen. Daartoe zijn volgens het subonderdeel steeds bijkomende (bijzondere) omstandigheden vereist op basis waarvan de inbezitneming voor een gemeente ondubbelzinnig kenbaar was dan wel de gemeente wist of behoorde te weten dat sprake was van inbezitneming.
subonderdeel 1.9, waar het middel onder meer klaagt dat het hof geen bijzondere omstandigheden heeft vastgesteld waaruit volgt dat voor de Gemeente kenbaar was respectievelijk op basis waarvan zij wist of behoorde te weten dat [verweerder] of zijn rechtsvoorgangers de strook grond voor zichzelf hield(en).
kanhebben van het bezit doordat het waarneembaar is. In zoverre wijkt de inhoud van de aldus geformuleerde maatstaf dan ook niet af van de door uw Raad in
Gemeente Heusdenuiteengezette algemene maatstaf. Voor zover de voorgestane maatstaf verder gaat en omstandigheden vereist op grond waarvan de gemeente daadwerkelijk kennis van de bezitsdaden heeft of behoort te hebben, gaat zij verder dan het geldende recht zoals door uw Raad in
Gemeente Heusdensamengevat.
Gemeente Heusdenonder meer uitdrukkelijk overwogen dat niet is vereist dat de rechthebbende daadwerkelijk kennis heeft gedragen van de bezitsdaden van de niet-rechthebbende waardoor zijn bezit is tenietgedaan en dat voldoende is dat een en ander naar buiten toe – en dus ook voor de eigenaar – kenbaar was. [49] Uw Raad heeft hieraan vervolgens toegevoegd:
persoonvan de gedepossedeerde. Door in deze beoordeling te veel betekenis toe te kennen aan subjectieve factoren verliezen de wettelijke maatstaven hun objectieve karakter. Het komt mij voor dat de verkeersopvattingen daarvoor geen ruimte bieden. [51]
bijzonderemaatstaf geen steun vindt in het recht voor zover hij verder gaat dan de door uw Raad in
Gemeente Heusdensamengevatte
algemenemaatstaf. Er gelden voor inbezitneming van gemeentegrond kortom geen andere vereisten dan voor inbezitneming van particuliere grond.
subonderdeel 1.7dat het hof eraan voorbijziet dat het niet de ratio is van de jurisprudentie van het Hof ’s-Hertogenbosch om landjepik te voorkomen, kan niet tot cassatie leiden, nu de hiermee bestreden overweging niet dragend is voor het oordeel van het hof.
subonderdeel 1.13geeft het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting met zijn oordeel in rov. 3.10.3 dat de pretentie van eigendom aan de voorzijde van de woning zo duidelijk was dat de gemeente de tijd had om het gebruik van haar grond te regelen en zij op grond van de uiterlijke feiten erop bedacht moest zijn dat zij haar eigendommen zou gaan verliezen, alsmede dat de omstandigheid dat een gemeente eigenaar is van veel grond haar niet ontslaat van haar zorgplichten ten opzichte van haar eigendommen. Volgens het subonderdeel mag niet-optreden door een gemeente tegen particulier gebruik van publieke gronden niet (snel) worden uitgelegd als een blijk van desinteresse van de gemeente voor haar eigendommen, ook niet als de gemeente gebruik gedoogt dat een particuliere eigenaar niet van zijn buurman zou dulden. Een gemeente hoeft volgens het middel in ieder geval in het licht van de in de vorige middelonderdelen aan de orde gestelde maatstaf die geldt voor publieke gronden niet (snel) op te treden tegen het gebruik van publieke gronden.
de motiveringsklachtdat het oordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd omdat (i) het hof er geen blijk van heeft gegeven de door het subonderdeel bepleite terughoudende toets te hebben aangelegd en (ii) het gegeven dat de rechtsvoorgangers van [verweerder] de strook grond hadden afgegrensd en onderhielden en als deel van de tuin hadden ingericht nog niet de conclusie kan dragen dat sprake is van inbezitneming van publieke grond en dus evenmin dat de gemeente op basis daarvan moest begrijpen dat zij haar eigendommen zou gaan verliezen, terwijl het hof evenmin motiveert waarom de gemeente in het licht van bijzondere, bijkomende omstandigheden moest begrijpen dat zij haar eigendommen zou verliezen.
onderdeel 1faalt.
Subonderdeel 3.1bevat geen klacht en heeft geen zelfstandige betekenis.
Subonderdeel 3.2bevat slechts een voortbouwklacht en behoeft daarom geen afzonderlijke behandeling.
Gemeente Heusdengaf uw Raad enkele overwegingen ten overvloede. Daarin kwam de mogelijkheid aan de orde dat een bezitter te kwader trouw, die door verkrijgende verjaring op de voet van art. 3:105 BW Pro eigendom heeft verkregen, blootstaat aan een vordering uit onrechtmatige daad. De bedoelde overwegingen luiden – voor zover thans van belang – als volgt:
Aanhangsel Handelingen IInr. 332, Vergaderjaar 2004–2005)”
(b) De zojuist bedoelde vordering is onderworpen aan verjaring op de voet van art. 3:310 lid 1 BW Pro. Voor zover de schade waarvan de benadeelde vergoeding wenst, bestaat in het verlies van zijn eigendom, neemt de vijfjarige verjaringstermijn ingevolge die bepaling een aanvang op het moment dat de benadeelde bekend is met zijn eigendomsverlies (en met de daarvoor aansprakelijke persoon), en is de verjaring in elk geval voltooid twintig jaar na de voltooiing van de verjaring van art. 3:314 lid 2 BW Pro, zijnde de gebeurtenis waardoor de schade – het verlies van de eigendom – is veroorzaakt, alles onverminderd eventuele stuiting van die verjaring.’
.”
onderdeel 4. Dit onderdeel bestrijdt de afwijzing door het hof van de schadevergoedingsvordering van de gemeente in rov. 3.17-3.20. Deze vordering is ingesteld op grondslag van art. 6:162 BW Pro in verband met het hierboven aangehaalde arrest
Gemeente Heusden.
Subonderdeel 4.1bevat geen klacht, maar vat de door het hof aan zijn oordeel ten grondslag gelegde overwegingen samen.
subonderdeel 4.2kan het oordeel van het hof dat het beroep door de gemeente op het genoemde arrest
Gemeente Heusdenniet slaagt omdat [verweerder] op grond van verkrijgende verjaring (art. 3:99 BW Pro) eigenaar is geworden niet in stand blijven met het slagen van (een van) de klachten uit onderdeel 2, en evenmin met het slagen van (een van) de klachten van onderdeel 1.
subonderdeel 4.3 en 4.4kon het hof ter beoordeling van de onrechtmatigedaadsvordering van de gemeente niet volstaan met een verwijzing naar rov. 3.12.2, waar het hof (in cassatie niet bestreden) heeft geoordeeld dat [verweerder] als bezitter te goeder trouw moet worden aangemerkt. Volgens de subonderdelen heeft het hof daarmee miskend dat uit het gegeven dat een bezitter op grond van art. 3:118 lid 3 BW Pro wordt vermoed te goeder trouw te zijn, niet (zonder meer) volgt dat die bezitter de zaak niet in bezit heeft genomen met de wetenschap dat een ander daarvan eigenaar is. Art. 3:118 lid 3 BW Pro schept volgens de gemeente slechts in goederenrechtelijke context een vermoeden van goede trouw. Omdat hier sprake is van de daarvan afwijkende context van onrechtmatigedaadsaansprakelijkheid, is in dat kader een zelfstandige beoordeling vereist.
Gemeente Heusdenis bedoeld om een aan het goederenrecht ontleende kwalificatie bepalend te doen zijn voor de toewijsbaarheid van de vordering tot schadevergoeding. Ofschoon sommige feiten een rol kunnen spelen bij
zowelde kwalificatie van het bezit (te goeder trouw of niet) ter bepaling van het toepasselijke verjaringsregime in de zin van titel 3.5 BW
alsde beantwoording van de vraag of er sprake is van een toerekenbare onrechtmatige daad, is de gehanteerde norm bij deze twee verschillende beoordelingen tenslotte niet dezelfde.
Gemeente Heusdenafgeleid dat een tegen een verjaringsverkrijger ingestelde vordering op grond van onrechtmatige daad alleen kans van slagen heeft als deze verjaringsverkrijger zelf te kwader trouw is, waaronder het hof kennelijk heeft verstaan dat de verjaringsverkrijger moet zijn aan te merken als “een persoon die een zaak in bezit neemt en houdt, wetende dat een ander daarvan eigenaar is”. Tegen deze maatstaf – wat daarvan zij – zijn geen klachten gericht.
Van het in art. 3:118 lid 3 BW Pro omschreven wettelijk vermoeden is tegenbewijs mogelijk. De wederpartij moet daarvoor niet alleen ontzenuwen, maar bewijs van het tegendeel leveren. [59]
wist of behoorde te wetendat de strook grond aan een ander toebehoorde.
ende kwalificatie van het bezit (te goeder trouw of niet)
ende beantwoording van de vraag of er sprake is van een toerekenbare onrechtmatige daad. Het is in het voorliggende geval steeds aan de gemeente om deze feiten te stellen en aannemelijk te maken – zij het op verschillende grondslagen.
onderdeel 2zowel als het daarop voortbouwende
subonderdeel 4.2bij gebrek aan belang.