Conclusie
adv.: mr. J. de Jong van Lier
adv.: mr. J.W.H. van Wijk
Lawaetzrespectievelijk
Party Light.
1.Feiten en procesverloop
It is bounded by aforementioned roads, by the remaining parcel of land described Rbr.no. [002] and by the parcels of lands described in Mor.nos. [003] and [004] , as shown on the attached plan.”
- iii) Het voormelde perceel is gelegen in de hoek van de verharde wegen met de huidige benamingen ' [a-straat] ' en [b-straat] '.
- iv) Tussen de [b-straat] en het perceel met meetbrief [001] bevindt zich nog een ander perceel (hierna:
Obmam, een vennootschap van [betrokkene 1] , hierna:
[betrokkene 1]) een deel (ongeveer 200 m2) van (zo bepaalt de overeenkomst [7] ) het perceel beschreven in [001]
'being a bar/restaurant'.
- vi) Op vordering van Party Light heeft het Gerecht Obmam bij vonnis in kort geding van 28 september 2018 bevolen het gehuurde te ontruimen. Dat vonnis is in hoger beroep bevestigd op 15 november 2019.
- vii) Lawaetz heeft het perceel [005] op 6 november 2018 verkocht en bij akte van 22 juni 2020 geleverd aan Obmam.
het Gerecht) bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis voor recht verklaart:
primairdat Party Light door middel van de notariële leveringsakte van 11 december 1987 eigendom heeft verkregen van het stuk grond in de hoek van [b-straat] en [a-straat] en dat haar perceel kadastraal aangeduid als [001] aldus grenst aan deze wegen zoals deze daadwerkelijk zijn aangelegd, en
subsidiairdat Party Light door middel van verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring eigendom van het perceel beschreven in meetbrief [005] heeft verkregen.
Zij legt aan haar subsidiaire vordering ten grondslag dat zij in 1987 het daadwerkelijk en onmiddellijk bezit van de strook heeft overgenomen.
Het Gerecht heeft daartoe geoordeeld dat vast is komen te staan dat de strook in elk geval vanaf 1989 door Party Light is bebouwd en dat zij dit gebouw geheel of gedeeltelijk verhuurt, dat daardoor sprake is van bezit en dat dit bezit onafgebroken en ongestoord is geweest gedurende 20 jaren (rov. 4.7).
2.Juridisch kader
Gemeente Landgraafheeft uw Raad geoordeeld dat die mogelijkheid pas van belang is indien er – in het bijzonder voor de rechthebbende – objectieve aanwijzingen zijn om de machtsuitoefening door de pretense bezitter ook daadwerkelijk als die van een contractueel of zakelijk gerechtigde gebruiker aan te merken. De rechthebbende moet zich daarop beroepen. [28] Bij die objectieve aanwijzingen kan gedacht worden aan het betalen van een geldsom, of het zijn van huurder (of anderszins houder) van naastgelegen grond. [29]
Gemeente Heusden [35] als volgt samengevat:
Gemeente Heusden(zie hiervoor alinea 2.15) overwogen:
toev. A-G], rov. 3.4.2). De rol van de verkeersopvatting brengt mee dat daarbij de aard en de bestemming van het betrokken goed in aanmerking moeten worden genomen (vgl. HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309 [NJ 2018/141,
toev. A-G], rov. 3.3.2). Voorts geldt dat wanneer men heeft aangevangen krachtens een rechtsverhouding voor de eigenaar te houden, men daarmee onder dezelfde titel voortgaat, zolang niet blijkt dat hierin verandering is gebracht, hetzij ten gevolge van een handeling van hem voor wie men houdt, hetzij ten gevolge van tegenspraak van diens recht (art. 3:111 BWC Pro).” [53]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.1heeft het Hof met dit oordeel een onjuiste maatstaf aangelegd, aangezien de in de procesinleiding (nr. 9) vermelde stellingen (a) t/m (d) van Lawaetz – die nader zijn onderbouwd met de onder (e) t/m (x) weergegeven (onderdelen van) getuigenverklaringen en met de afgebeelde foto’s – niet het oordeel kunnen dragen dat ze onvoldoende zijn voor inbezitneming. Indien die stellingen vaststaan, dwingen ze namelijk bij een juiste rechtsopvatting tot het oordeel dat [betrokkene 1] vanaf 2002 bezitter was, althans tot het oordeel dat niet vaststaat dat Party Light bij het einde van de verjaringstermijn bezitter was, aldus de klacht.
Subonderdeel 1.2klaagt dat indien het hof wel van een juiste rechtsopvatting is uitgegaan, zijn oordeel onbegrijpelijk is doordat het onvoldoende inzicht geeft in de gedachtegang die heeft geleid tot het oordeel dat het gebruik onvoldoende is voor inbezitneming.
subonderdeel 2.1is de overweging rechtens onjuist, omdat hetgeen in 2011 is gebleken geen rol kan spelen voor de vraag of [betrokkene 1] op een eerder moment (in 2009) bezitter was. Of iemand een goed op enig moment voor zichzelf houdt, wordt namelijk beoordeeld naar de stand van zaken zoals die zich tot aan dat moment heeft gemanifesteerd. Het laten meewegen van posterieure omstandigheden strijdt met de maatstaf van artikel 3:108 BW Pro, aldus de klacht.
subonderdeel 2.2is de bestreden overweging van het Hof onjuist, omdat de niet uiterlijk waarneembare intenties van [betrokkene 1] voor het antwoord op de vraag of hij voor zichzelf houdt niet rechtstreeks een rol kunnen spelen. Die intenties kunnen volgens het subonderdeel immers in het licht van de maatstaf van art. 3:108 BW Pro slechts een rol spelen indien ze op enigerlei wijze geopenbaard worden door iets dat waarneembaar is.
latereen huurovereenkomst aan te gaan met een derde die zich als eigenaar presenteert, kan er volgens het subonderdeel door zijn ingegeven dat degene die de grond in gebruik genomen heeft eieren voor zijn geld kiest om te voorkomen dat zijn bar ontmanteld zal worden. Zij die andermans grond onrechtmatig in bezit nemen, doen dit volgens het subonderdeel doorgaans in de hoop, dat dit hun door verjaring een rechtspositie oplevert. Als dat plan mislukt doordat een ander zich meldt die pretendeert eigenaar te zijn, waarna het onrechtmatige gebruik wordt gelegaliseerd door het sluiten van een huurovereenkomst, kan daaruit dan ook niet worden afgeleid dat degene die sindsdien huurder (dus: houder) is, ook
daarvoorhouder was. Het subonderdeel acht het oordeel van het hof dat [betrokkene 1] zich liet kennen als houder zonder nadere toelichting, die ontbreekt, daarom onbegrijpelijk.
onder 19bevat nog een
voortbouwklacht. Deze faalt in het voetspoor van de voorgaande subonderdelen.