Conclusie
[eiser 1]
[eiseres 2]
[eiser 1].
Gemeente Heusden/Erven X c.s.). De klachten gaan over de betekenis van ‘kwade trouw’ en over de verenigbaarheid van schadevergoeding in natura met de uitgangspunten van het schadevergoedingsrecht. Daarnaast roept het middel uw Raad op om terug te komen van het arrest van 24 februari 2017.
1.Feiten en procesverloop
Ten tijde van de verkoop was het park nog in ontwikkeling en bestond het aan [eiser] geleverde perceel uit een deel van een weiland. Het aan [eiser] geleverde perceel had volgens de transportakte [2] een oppervlakte van 980 m2.
In die akte werd verwezen naar een aangehechte tekening [3] (niet op schaal), waarop de kavel van [eiser] als een rechthoek staat ingetekend, waarbij de erfgrens met het perceel van (thans) [verweerder] in een haakse rechte lijn loopt (d.w.z: haaks op de weg,
toev. A-G). Deze tekening is geparafeerd door [eiser] onder de vermelding “gezien 25/3/91”.
kennisgeving inzake het ambtshalve opnieuw vaststellen van de grootte van een perceel” [8] ontvangen, waarin het resultaat van de nieuwe inmeting stond vermeld. Het perceel van [eiser] werd daarin omschreven met een grootte van 959 m2.
[betrokkene 1]). Omdat volgens [eiser] de houten piketpalen waren verdwenen, heeft hij in augustus/september 1992 aan verkoopmakelaar [de verkoopmakelaar] gevraagd de grenzen aan te wijzen. De door [de verkoopmakelaar] vervolgens aangewezen grenslijn tussen de percelen van [eiser] en [betrokkene 1] liep schuin in noordelijke richting weg.
Dit oordeel is in die procedure in hoger beroep en in cassatie niet aan de orde gesteld. [14]
de strook grond). [15]
Gemeente Heusden/Erven X c.s.). [17] Daartoe heeft hij aangevoerd,
primair, dat [eiser 1] wist waar de kadastrale erfgrens liep en de coniferenhaag opzettelijk over deze grens heeft geplaatst, en
subsidiairdat [eiser] niet aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan. [18]
Zij heeft daartoe vooropgesteld dat, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309 (
Gemeente Heusden/Erven X c.s.), beslissend is of [eiser] bij de inbezitneming van de strook grond zodanig niet te goeder trouw is geweest (te kwader trouw) dat deze inbezitneming als onrechtmatig moet worden aangemerkt, en dat het er daarbij naar de kern om gaat of [eiser] ten tijde van het planten van de coniferenhaag wist dat een ander eigenaar van de grond was (rov. 4.12-4.13). De rechtbank heeft deze laatste vraag bevestigend beantwoord (rov. 4.14-4.16) en teruglevering van de strook grond aan [verweerder] een passende vorm van schadevergoeding geacht (rov. 4.17).
[eiser] stelt zich o.m. op het standpunt dat de vordering tot schadevergoeding als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017 uitsluitend is gekoppeld aan verkrijging ex art. 3:105 BW Pro door een bezitter te kwader trouw [25] en dat [eiser] te goeder trouw, althans niet te kwader trouw was, omdat hij niet wist dat de strook grond destijds toebehoorde aan [betrokkene 1] . [26]
Gemeente Heusden/Erven X c.s.) heeft de Hoge Raad het volgende ten overvloede overwogen (volgt een citaat van rov. 3.7.2 en 3.7.3,
A-G) (rov. 8.2).
wist dat” de grond aan [verweerder] toebehoorde. Hierbij maakt het niet uit of [eiser] als bezitter te kwader trouw of bezitter niet te goeder trouw wordt omschreven. De wet onderscheidt in titel 5 van boek 3 BW slechts tussen “te goeder trouw” en “niet te goeder trouw”. Met het gebruik van de term “te kwader trouw” is geen verdere nuance tussen te goeder trouw en niet te goeder trouw geïntroduceerd. Het gaat hier ook niet om de toepasselijkheid van art. 3:99 dan Pro wel art. 3:105 BW Pro, maar om de vraag naar onrechtmatig handelen. De door de Hoge Raad gehanteerde bewoordingen “wetende dat” in plaats van de vaker gebruikte uitdrukking “weten of behoren te weten dat” lijken erop te duiden dat er geen of hooguit heel weinig objectieve elementen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid meespelen, althans dat die beoordeling strikt zal moeten zijn (rov. 8.3).
Heusden/Erven X c.s.– vast (rov. 8.4.2-8.4.3).
Hetzelfde geldt voor de stelling dat [verweerder] de grond heeft gekocht, zoals hij die had bezichtigd. Alhoewel deze stelling in eerste aanleg wel is aangevoerd, is deze toen door de rechtbank verworpen, waartegen [eiser] niet heeft gegriefd (rov. 8.7).
2.Inleiding: de ‘Heusdense vordering’
Gemeente Heusden/Erven X c.s.stond vast dat de erven X c.s. een deel van het achter hun eigen perceel gelegen en volgens de kadastrale gegevens aan de gemeente Heusden in eigendom toebehorende bosperceel hadden omheind en in gebruik genomen, terwijl naar hun overtuiging geen sprake was van een gebruiksovereenkomst met de gemeente. In de procedure stond de vraag centraal of de erven X c.s., zoals zij stelden, door verjaring op de voet van art. 3:105 BW Pro eigendom van de bosgrond hadden verkregen. De meeste aandacht in de literatuur is evenwel niet uitgegaan naar de beantwoording van deze vraag, [33] maar naar enkele ten overvloede gegeven overwegingen van uw Raad. Daarin kwam de mogelijkheid aan de orde dat een bezitter te kwader trouw, die door verkrijgende verjaring op de voet van art. 3:105 BW Pro eigendom heeft verkregen, blootstaat aan een vordering uit onrechtmatige daad. De bedoelde overwegingen luiden – voor zover thans van belang – als volgt:
Aanhangsel Handelingen IInr. 332, Vergaderjaar 2004–2005)”
(b) De zojuist bedoelde vordering is onderworpen aan verjaring op de voet van art. 3:310 lid 1 BW Pro. Voor zover de schade waarvan de benadeelde vergoeding wenst, bestaat in het verlies van zijn eigendom, neemt de vijfjarige verjaringstermijn ingevolge die bepaling een aanvang op het moment dat de benadeelde bekend is met zijn eigendomsverlies (en met de daarvoor aansprakelijke persoon), en is de verjaring in elk geval voltooid twintig jaar na de voltooiing van de verjaring van art. 3:314 lid 2 BW Pro, zijnde de gebeurtenis waardoor de schade – het verlies van de eigendom – is veroorzaakt, alles onverminderd eventuele stuiting van die verjaring.’
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Gemeente Heusden/Erven X c.s.ingeslagen weg.
eerste onderdeelis gericht tegen rov. 8.3-8.4.5 van het bestreden arrest.
Gemeente Heusden/Erven X c.s.heeft aangehaald (rov. 8.2), beantwoordt het de voorliggende vraag als volgt (met door mij aangebrachte onderstreping):
Hierbij maakt niet uit of [eiser] als bezitters te kwader trouw of bezitters niet te goeder trouw worden omschreven.De wet maakt in Titel 5 van Boek 3 BW een onderscheid tussen “te goeder trouw” en “niet te goeder trouw”.
Met het gebruik van de term “te kwader trouw” is geen verdere nuance tussen goede trouw en niet te goeder trouw geïntroduceerd.Het hof verwijst in dit verband naar hetgeen hierover in de parlementaire geschiedenis is opgemerkt: “
Bij de bepaling, wie bezitter te kwader trouw is, is volstaan met als zodanig aan te wijzen allen, die niet bezitter te goeder trouw zijn. Men is immers te goeder trouw of te kwader trouw, een derde mogelijkheid kent de wet niet” (Parl. Gesch. Boek 3, p. 443).
rechtsklachtvan onderdeel 1 heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zijn (hiervoor onderstreept aangehaalde) overwegingen in rov. 8.3:
(i) dat het hierbij – het middel leest: bij de toepassing van het arrest
Gemeente Heusden/Erven X c.s.– niet uitmaakt of [eiser] als bezitter te kwader trouw of bezitter niet te goeder trouw wordt omschreven, en
(ii) dat met het gebruik van de term ‘te kwader trouw’ – het middel leest: door de Hoge Raad [35] – geen verdere nuance tussen goede trouw en niet te goeder trouw is geïntroduceerd.
Nu het hof niet heeft vastgesteld (en ook niet heeft kunnen vaststellen) dat [eiser] een bezitter te kwader trouw van de strook grond is geweest, had het hof moeten beslissen dat [eiser] niet kan worden veroordeeld om de strook grond aan [verweerder] over te dragen, aldus de klacht.
Gemeente Heusden/Erven X c.s. gehanteerde formulering – “
wist dat” de grond aan [verweerder] toebehoorde (rov. 8.3, eerste volzin), hetgeen een (overwegend) subjectief althans strikt criterium inhoudt (rov. 8.3). Het hof is vervolgens, uitvoerig gemotiveerd, tot het oordeel gekomen dat sprake was van wetenschap van [eiser] in de door de Hoge Raad bedoelde zin (rov. 8.4.1-8.4.4). In cassatie zijn (terecht) geen klachten gericht tegen het door het hof vooropgestelde criterium. Evenmin zijn klachten gericht tegen het door het hof bereikte feitelijk oordeel. Reeds hierom kan de rechtsklacht niet slagen.
(A) in het BW is het begrip ‘te kwader trouw’ niet te identificeren met het begrip ‘niet te goeder trouw’; de bezitter bij wie goede trouw ontbreekt, is niet per definitie te kwader trouw (procesinleiding nr. 6);
(B) daarom heeft de Hoge Raad in het arrest
Gemeente Heusden/Erven X c.s. de ‘bezitter te kwader trouw’ onderscheiden van de ‘bezitter niet te goeder trouw’ (p.i. nr. 6) en is – naar [eiser] heeft aangevoerd (p.i. nr. 4) – de Heusdense vordering uitsluitend inzetbaar tegen de bezitter wiens
kwade trouwten tijde van de inbezitneming kan worden vastgesteld (p.i. nr. 6);
C) het hof heeft slechts vastgesteld dat [eiser] door onderzoek beter had kúnnen weten (p.i. nr. 5 en 6), hetgeen [eiser] kwalificeert als bezitter niet te goeder trouw (p.i. nr. 6); het hof heeft [eiser] niet gekwalificeerd – en kon hem ook niet kwalificeren – als bezitter te kwader trouw (p.i. nr. 5).
punt (A)betreft – de verhouding tussen de begrippen ‘niet te goeder trouw’ en ‘te kwader trouw’ – lees ik de bestreden overweging (ii), gelet op de verwijzing naar Titel 5 van Boek 3 en de parlementaire geschiedenis, aldus dat volgens het hof
in Titel 5 van Boek 3elke bezitter niet te goeder trouw kwalificeert als bezitter te kwader trouw. Voor zover de klacht berust op de lezing dat het hof van oordeel is dat met het gebruik van de term ‘te kwader trouw’
door de Hoge Raadin zijn arrest
Gemeente Heusden/Erven X c.s.geen nadere nuance tussen goede trouw en niet te goeder trouw is geïntroduceerd (zie p.i. nr. 5), faalt deze bij gebrek aan feitelijke grondslag.
Bij het ontbreken van goede trouw is een bezitter te kwader trouw’. Naar in het middel terecht wordt opgemerkt, heeft het hof over het hoofd gezien dat de wetgever later het begrip bezit ‘te kwader trouw’ als complement van bezit te goeder trouw uit Titel 3.5 BW heeft geschrapt:
goede trouw’ wordt uitgewerkt in art. 3:11 BW Pro, in die zin dat wordt aangegeven wanneer iemand
niette goeder trouw is, kort gezegd wanneer hij de feiten of het recht waarop zijn goede trouw betrekking moet hebben kende of behoorde te kennen (hetgeen een onderzoekplicht impliceert) dan wel goede reden tot twijfel had.
Waar van ‘
kwade trouw’ wordt gesproken (bijv. art. 5:54, 6:205, 207 en 274 BW) gaat het om een puur subjectief criterium, in die zin dat de aanwezigheid van een bepaalde
wetenschapof een bepaald
vermoedenwordt vereist. [38] Wie een betaling in ontvangst neemt, wetende of vermoedende dat deze betaling onverschuldigd is, is te kwader trouw en daarmee op grond van art. 6:205 BW Pro zonder voorafgaande ingebrekestelling in verzuim. [39] Hetzelfde geldt op grond van art. 6:274 BW Pro voor de ontvanger van een prestatie die weet of vermoedt dat er ontbinding van de rechtsgrond voor die prestatie zal volgen. [40] Uit de voorgaande omschrijvingen volgt dat goede en kwade trouw niet elkaars complement vormen. Degene die
behoortte weten is noch te goeder, noch te kwader trouw. Waar de wet een tegenstelling met goede trouw beoogt, spreekt zij eenvoudig van ‘
niet te goeder trouw’ (bijv. art. 3:121 BW Pro).
behorente weten. [41] Bij dit begrip spelen kortom ook objectieve criteria een rol. ‘Niet te goeder trouw’ is een overkoepelend begrip, dat ook het minder ruime ‘te kwader trouw’ omvat. [42]
Gemeente Heusden/Xhet begrip bezitter ‘te kwader trouw’ gebruikt (rov. 3.7.2), gedoeld wordt op het zojuist omschreven subjectieve begrip: occupant te kwader trouw is degene die wist of vermoedde dat de zaak die hij in bezit nam aan een ander toebehoorde.
Gemeente Heusden/Erven Xc.s. inderdaad, zoals het middel betoogt, heeft bedoeld om de mogelijkheid van een Heusdense vordering te
beperkentot gevallen van inbezitneming
te kwader trouw.Ik merk op dat uw Raad de toewijsbaarheid van de vordering in het
concretegeval (“Dat de vordering van Erven [X] c.s. in dit geding is toegewezen”) verklaart met de keuze van de wetgever om een beroep op art. 3:105 BW Pro niet te ontzeggen aan een bezitter te kwader trouw (rov. 3.7.2), waarbij, naar het hof ook heeft overwogen [43] , in het concrete geval kwade trouw van de occupant vast stond. Een beperking als door het middel voorgestaan is uit het arrest enkel met een redenering
a contrarioaf te leiden. [44] Er zijn verschillende schrijvers die deze consequentie aan het arrest verbinden. [45] Anderen leggen de verwijzing naar kwade trouw echter minder restrictief uit. [46]
Gemeente Heusden/Erven X c.s.is bedoeld een aan het goederenrecht ontleende kwalificatie bepalend te doen zijn voor de toewijsbaarheid van de vordering tot schadevergoeding. Ofschoon sommige feiten een rol kunnen spelen bij
zowelde kwalificatie van het bezit (te goeder trouw of niet) ter bepaling van het toepasselijke verjaringsregime in de zin van titel 3.5 BW
alsde beantwoording van de vraag of er sprake is van een toerekenbare onrechtmatige daad, is de gehanteerde norm bij deze twee verschillende beoordelingen tenslotte niet dezelfde.
Gemeente Heusden/Erven X c.s.lijkt vooral daarin te zijn gelegen dat, anders dan voordien veelal werd aangenomen, ook ná voltooiing van de verjaring van de revindicatie en eigendomsverkrijging ex art. 3:105 in Pro verbinding met 3:306 BW een schadevergoedingsactie nog mogelijk is, niet dat voor deze actie bijzondere, van het gemene onrechtmatigedaadsrecht afwijkende, eisen gelden.
reformatio in peiusop de grond dat de rechtbank heeft geoordeeld dat [eiser] kwalificeert als bezitter ‘niet te goeder trouw’ (zijnde niet te kwader trouw) en dat alleen [eiser] tegen die beslissing heeft gegriefd (p.i nr. 5)
.Ik roep in herinnering dat de rechtbank heeft overwogen dat beslissend is [eiser 1] bij de inbezitneming van de strook “
zodanig niet te goeder trouw is geweest (te kwader trouw)” dat deze inbezitneming als onrechtmatig moet worden aangemerkt (rov. 4.12), waarbij het er om gaat of [eiser] ten tijde van het planten van de haag wist dat een ander eigenaar van de grond was (rov. 4.13), welke vraag de rechtbank bevestigend heeft beantwoord (rov. 4.15-4.16), waarna zij voor recht heeft verklaard dat [eiser] toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld door de strook ‘te kwader trouw’ in bezit te nemen. [47] Het hof heeft deze beslissing bekrachtigd.
motiveringsklacht(p.i. p. 3, derde alinea) is gericht tegen de overweging van het hof (in rov. 8.4.4) dat voor het oordeel dat [eiser] toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld jegens [betrokkene 1] “niet ter zake doet” of [betrokkene 1] het in 1992 met de gang van zaken eens was. [48]
EP).
Gemeente Heusden/Erven X c.s.heeft uw Raad in rov. 3.7.2 expliciet overwogen dat art. 3:105 BW Pro is ingevoerd teneinde te breken met de hiervoor genoemde in het oude recht bestaande ‘anomalie’. Uit het arrest is niet af te leiden dat uw Raad de bedoeling heeft gehad om de algemeen ongewenst geachte toestand die onder het oude Burgerlijk Wetboek kon bestaan wederom mogelijk te maken.
afdwingbaareigendomsrecht is. Een eigendomsrecht zonder revindicatie is mede door de werking van art. 3:105 BW Pro niet voorstelbaar. [55] Art. 3:105 BW Pro werkt immers van rechtswege: niemand kan van verkrijging op de voet van art. 3:105 BW Pro afstand doen.
Gemeente Heusden/Erven X c.s., rov. 3.7.4, slot), waaronder in het licht van bovenstaande moet worden begrepen een
afdwingbaareigendomsrecht.
eerste klachtvan onderdeel 2 richt zich tegen de verwerping van de (tegen overdracht van de ‘volle’ eigendom gerichte) grief VIII met de overweging (in rov. 8.5.1 en 8.5.2) dat met het arrest
Gemeente Heusden/Erven X c.s.zeker niet is bedoeld dat ten titel van schadevergoeding slechts een betekenisloos eigendomsrecht (zonder bezit) behoeft te worden overgedragen. Geklaagd wordt dat het hof heeft miskend dat de veroordeling van [eiser] om aan [verweerder] de eigendom van de strook grond over te dragen – en [verweerder] daarmee tevens in het bezit en het genot van die strook te stellen – leidt tot een
verrijkingvan [verweerder] die in strijd is met het uitgangspunt van het schadevergoedingsrecht alsook met de art. 6, 13 en 14 EVRM en art. 1 EP Pro EVRM.
Gemeente Heusden/Erven X c.s.overwogen dat schadevergoeding in natura – bestaande in overdracht van de door verjaring verkregen grond – voor de hand ligt. [59]
Een eventuele schadevergoedingsvordering kan niet zijn overgegaan op [verweerder]” betoogd dat uit het arrest
Gemeente Heusden/Erven X c.s.niet is af te leiden dat de schadeplichtigheid ook geldt jegens
rechtsopvolgersvan de gedepossedeerde. Als er al van een schadevergoedingsvordering van [betrokkene 1] sprake is geweest, is deze niet overgegaan op de volgende eigenaars om uiteindelijk toe te komen aan [verweerder] . Nu [verweerder] de strook niet heeft gekocht, heeft hij geen schade geleden en is er geen aanknopingspunt voor overgang op de voet van art. 6:251 BW Pro, aldus [eiser]
uitwerkingvan het beroep op art. 6 lid Pro 2, 13 en 14 EVRM en art. 1 EP Pro bij de beoordeling van grief VIII zou moeten worden betrokken.
Een eventuele schadevergoedingsvordering kan niet zijn overgegaan op [verweerder]” (nr. 8). Het is niet onbegrijpelijk dat het hof de betrokken stelling niet heeft opgevat als precisering van het daarna afzonderlijk onder de kop “
Overdracht van de volle eigendom is méér dan vergoeding van de schade” (nr. 9-11) gevoerde betoog.
geen schadeheeft geleden. Nu de genoemde EVRM-bepalingen van openbare orde zijn, zou dit feit het hof ambtshalve tot het oordeel hebben moeten leiden dat de veroordeling op die bepalingen afstuit.
Sadik/Griekenland). In die zaak was aangevoerd dat de nationale rechter bepalingen uit het EVRM ambtshalve had moeten toepassen, maar het EHRM ging daarin expliciet niet mee. [65]
Gemeente Heusden/Erven Xc.s. onjuist is, zodat het Hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door deze regel toe te passen.
Gemeente Heusden/Erven X c.s. onvoldoende zijn doordacht (p.i. nr. 17).
Gemeente Heusden/Erven X c.s.in de feitenrechtspraak ruimschoots aan de orde gekomen. [66] Het komt daarbij lang niet altijd tot toewijzing van een schadevergoeding en slechts zelden tot toewijzing van schadevergoeding in natura. Ik vermoed dat hiertoe twee factoren in het bijzonder hebben bijgedragen, te weten (a) moeilijkheden eigen aan schadevergoeding in natura en (b) onduidelijkheid over de inpassing van
Gemeente Heusden/Erven Xc.s. in het aansprakelijkheids- en verjaringsrecht.
in naturatot dusver niet vaak wordt toegewezen, heeft wellicht vooral te maken met moeilijkheden die aan schadevergoeding in natura eigen zijn en niet bijzonder zijn voor de Heusdense vordering. Het is immers – ook bij de toepassing van
Gemeente Heusden/Erven X c.s.– de hoofdregel dat schadevergoeding in geld wordt voldaan, tenzij de benadeelde schadevergoeding in een andere vorm vordert en de rechter aanleiding ziet om die vordering toe te wijzen. [67] Dit betekent dat de eiser schadevergoeding in natura moet vorderen en de rechter niet gehouden is om haar in een dergelijk geval toe te kennen. [68] Daarnaast is te wijzen op andere moeilijkheden die zich bij schadevergoeding in natura kunnen voordoen, zoals grote veranderingen in de waarde van het goed. [69]
Gemeente Heusden/Erven X c.s.gehanteerde terminologie de indruk dat er voor aansprakelijkheid een vereiste van ‘inbezitneming te kwader trouw’ geldt, althans dat de omstandigheden bij aanvang van het bezit van groot gewicht zijn. Dat er in de literatuur en in de feitenrechtspraak verschillende inzichten bestaan over de vraag in hoeverre dit vereiste een rol speelt, heb ik hierboven (alinea 3.16) al gememoreerd. Daarnaast is echter van belang dat deze verjaringsterminologie de nadruk lijkt te leggen op de omstandigheden (waaronder de subjectieve gesteldheid van de occupant) ten tijde van de inbezitneming van het goed.
Pye-arrest van de Grote Kamer van het EHRM. [72] Dit arrest draaide om de vraag of een in het Verenigd Koninkrijk geldende regeling die het ook voor bezitters niet te goeder trouw mogelijk maakte om eigendom te verkrijgen door verjaring in strijd was met art. 1 EP Pro. De Grote Kamer beantwoordde deze vraag ontkennend, daarbij overwegende dat een dergelijke verjaringsregeling is aan te merken als een
control of usein de zin van de tweede alinea van art. 1 EP Pro en dat daarbij een ruime beoordelingsmarge wordt gelaten aan de lidstaten. [73] De afwezigheid van een schadevergoeding leidde niet tot een
individual and excessive burdenvoor de gedepossedeerde, sterker nog:
Pye-arrest illustreert het EHRM de spanning tussen enerzijds rechtszekerheid en anderzijds rechtvaardigheid in het individuele geval, te bereiken door schadevergoeding. Ik meen dat uit het
Pye-arrest is af te leiden dat deze afweging in het kader van de hiervoor genoemde ruime beoordelingsmarge volgens het EHRM aan de lidstaten toekomt. [75] Uit
Pyevolgt daarom niet dat een schadevergoedingsplicht na ommekomst van de verjaringstermijn in strijd is met art. 1 EP Pro.
Gemeente Heusden/ErvenX c.s. zijn in het licht van het vorenstaande te lezen als een afweging van het belang van rechtszekerheid tegen het rechtsgevoel in bijzondere gevallen. [76]
Gemeente Heusden/Erven X c.s.biedt een ‘work-around’ en is daarmee in lijn met het uit de kritiek blijkende rechtsgevoel, ook al is de oplossing een andere dan sommige auteurs zich hadden gewenst. [82]
Gemeente Heusden/Erven X c.s.staat in de kinderschoenen. Hoewel zij aansluit bij een lang geuit rechtsgevoel, moet de precieze toepassing nog verder uitkristalliseren. Dergelijke uitwerking van deze regel, die toch in de literatuur algemeen een warm welkom heeft genoten, verdient daarmee de voorkeur boven afschaffing ervan. Voor terugkomen van
Gemeente Heusden/ErvenX c.s. zie ik in het bovenstaande geen directe aanleiding.