Conclusie
[Beheer- en Beleggingsmaatschappij])
Steenfabriek)
Steenfabriek c.s., in vrouwelijk enkelvoud)
[verzoeker 3])
[verzoeker 4])
[verzoeker 5])
[verzoeker 6])
[verzoeker 7])
Verzoekers tot cassatie)
[Beheermaatschappij 1])
[Beheermaatschappij 2])
[Beheermaatschappij 3])
[Beheermaatschappij 4])
[Beheersmaatschappij], in vrouwelijk enkelvoud)
[verweerder 5])
[Beheermaatschappij 6])
[Beheermaatschappij 7])
STAK)
[Verzoekster], in vrouwelijk enkelvoud)
OK) op verzoek van een aantal certificaathouders onder meer een concernenquête bevolen naar het beleid en de gang van zaken van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] en Steenfabriek over de periode vanaf 16 oktober 2019 en onmiddellijke voorzieningen getroffen bij [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] en Steenfabriek. Daarop zijn nog vijf beschikkingen van de OK gevolgd, daterend van 14 februari 2022 (tweemaal), 16 maart 2022, 8 juni 2022 en 27 juli 2022. Door [Verzoekster] minus STAK is cassatieberoep ingesteld van die beschikkingen van de OK van 3 februari 2022, 14 februari 2022 (beide) en 16 maart 2022. Ik zie geen van de (vele) rechts- en motiveringsklachten slagen.
1.Feiten
bestreden beschikking). [3] In rov. 2.1 geeft zij de volgende inleiding op de zaak:
RvC van Steenfabriek) bestaat uit [verzoeker 3] (voorzitter, sinds 1 november 1994), [verzoeker 4] (sinds 1 februari 2014) en [verzoeker 5] (sinds 1 oktober 2021).
RvC van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij]) bestaat uit [verzoeker 3] (voorzitter, sinds 5 februari 1998) en [verzoeker 4] (sinds 1 januari 2016).
Verder heeft [verweerder 5] over de vooraf toegestuurde begroting 2021 van Steenfabriek opgemerkt dat hij daarop een schriftelijke toelichting wenst, omdat hij met een begroting met alleen cijfers zonder enige toelichting zijn rol als informatieverstrekker aan de certificaathouders niet kan vervullen en, ten slotte, dat het goed zou zijn om de prestaties van Insinger Gilissen, die de beleggingen uitvoert, te toetsen.
Ten slotte stonden op verzoek van [verweerder 5] onder meer de bezwarenbrief van 3 mei 2021 en de door Quaestus opgestelde profielschets voor een commissaris geagendeerd. Beide stukken zijn niet inhoudelijk besproken, omdat, volgens de (door [verweerder 5] bekritiseerde) notulen, de stukken slechts ter kennisneming waren bijgevoegd en niet ter bespreking, de bezwarenbrief “in een ander gremium aan de orde is” en de profielschets “geen zaak is waar het STAK-bestuur over gaat”.
2.Procesverloop
In feitelijke instantie (bij de OK)
OK-commissaris bij Steenfabriek), wiens salaris voor rekening komt van Steenfabriek;
OK-commissaris bij [Beheer- en Beleggingsmaatschappij]), wiens salaris voor rekening komt van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] .
[OK-commissaris 1]) als OK-commissaris bij Steenfabriek en [OK-commissaris 2] (hierna:
[OK-commissaris 2]) als OK-commissaris bij [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] . [8]
Handelsregister) als commissaris van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] en Steenfabriek en als bestuurder C van STAK, onder gelijktijdige inschrijving van [verzoeker 4] als bestuurder C van STAK (rov. 2.3).
3. De gronden van de beslissing
qualitate quatevens zal fungeren als bestuurder C en voorzitter van STAK. Dat als wenselijk gevolg van deze onmiddellijke voorzieningen tevens de samenstelling van het bestuur van STAK wordt geraakt, volgt uit de beschikking en is ter zitting met partijen besproken (zie rov. 3.23 en 3.24).
qualitate quatevens bestuurder C van STAK is. Het verzoek van [Verzoekster] zal de Ondernemingskamer derhalve afwijzen.
4.De beslissing
3.Ontvankelijkheid van [verzoeker 6] en [verzoeker 7] in hun cassatieberoep
4.Bespreking van het cassatiemiddel
niethet beleid of de gang van zaken van Steenfabriek mede heeft bepaald, in ieder geval niet
ten aanzien van de onderwerpen die aan het enquêteverzoek ten grondslag zijn gelegd.Daartoe verwijst het subonderdeel naar stellingen van [Verzoekster] sub (i) t/m (v). Doordat de OK niet althans onvoldoende (kenbaar) op deze stellingen is ingegaan, is onduidelijk gebleven waarom uit deze stellingen niet volgt of kan volgen dat [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] het beleid of de gang van zaken van Steenfabriek ten aanzien van de onderwerpen die aan het enquêteverzoek ten grondslag zijn gelegd
nietmede heeft bepaald (met als gevolg dat [Beheersmaatschappij] niet kan worden ontvangen in haar verzoek jegens Steenfabriek).
eerste klacht.
In ieder geval valt dan zonder nadere motivering, die in rov. 3.4 ontbreekt, niet in te zien dat (enkel) uit die omstandigheden afzonderlijk of in combinatie kan worden afgeleid dat [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] het beleid of de gang van zaken van Steenfabriek mede heeft bepaald, laat staan ten aanzien van de onderwerpen die aan het enquêteverzoek ten grondslag zijn gelegd. Uit die omstandigheden kan hooguit worden afgeleid dat sprake is van een groep in de zin van art. 2:24b BW (en dus aan het eerste vereiste voor een concernenquête is voldaan), maar niet dat sprake is van beleidsbepaling als bedoeld in het tweede vereiste voor een concernenquête. Dit is de
tweede klacht.
Behandeling
Ontvankelijkheid
Zoals ook blijkt uit de geconsolideerde jaarrekening van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] over het boekjaar 2020, zijn [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] en Steenfabriek met elkaar verbonden in een groep als bedoeld in artikel 2:24b BW. [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] oefent als enig aandeelhouder beslissende zeggenschap uit over Steenfabriek, benoemt bestuurders en commissarissen van Steenfabriek en is bevoegd hen te schorsen en te ontslaan. De organisatorische verbondenheid en economische eenheid blijken onder meer uit de fiscale eenheid waarin beide vennootschappen zijn ondergebracht. Tot de benoeming van [verzoeker 5] per 1 oktober 2021 als commissaris van Steenfabriek bestond bovendien een personele unie in de raad van commissarissen van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] en Steenfabriek; ook thans zijn [verzoeker 3] en [verzoeker 4] commissaris in beide vennootschappen.
[Beheersmaatschappij] kunnen gelet op het voorgaande worden ontvangen in hun verzoek jegens Steenfabriek.”
Landis-beschikking geoordeeld dat onder omstandigheden onder houders van aandelen of certificaten van aandelen als bedoeld in art. 2:346 BW Pro, mede te begrijpen zijn houders van aandelen of certificaten van aandelen in de moedermaatschappij van de vennootschap waarop het enquêteverzoek betrekking heeft. [24] Dit oordeel is mede erop gegrond dat blijkens opvattingen van de regering de wet ruimte biedt voor een ‘bevoegdheidsdoorbraak’ en dat het in de eerste plaats aan de rechter is om aan de ontwikkelingen op dat punt vorm te geven. [25] Uitgangspunt daarbij is dat de strekking van het enquêterecht meebrengt dat het bij de toepassing daarvan uiteindelijk vooral aankomt op de economische werkelijkheid. [26] In de
Landis-beschikking heeft de Hoge Raad een op het daar aan de orde zijnde geval toegespitst oordeel gegeven en niet in algemene zin geoordeeld over de vraag in welke omstandigheden een concernenquête mogelijk is.
een of meer vande onderwerpen die aan het enquêteverzoek ten grondslag zijn gelegd, ten minste mede heeft bepaald. Een andere opvatting zou neerkomen op een absolute, ‘alles of niets’-benadering wat betreft de bevoegdheid om een concernenquête te verzoeken, oftewel: alleen wanneer (is voldaan aan dit eerste vereiste voor een concernenquête en) die vennootschap dat beleid of de gang van zaken van die rechtspersoon ten aanzien van ál die onderwerpen ten minste mede heeft bepaald, bestaat die bevoegdheid - en wel ten aanzien van ál die onderwerpen. Daarvoor ontbreekt m.i. goede grond. Het komt mij (dus) voor dat de Hoge Raad dit in genoemde SNS-beschikking niet voor ogen heeft gestaan. En dat de OK zo’n benadering ook niet hanteert in de bestreden beschikking, waarover nader onder 4.4.5-4.4.6 hierna. Ook in de door mij voorgestane uitleg van dit tweede vereiste geldt derhalve dat deze bevoegdheid niet aan de orde kan zijn zonder relevante gedragslijn van die vennootschap, via ten minste zulk mede bepalen, inzake het beleid of de gang van zaken van die rechtspersoon ten aanzien van de onderwerpen die aan het enquêteverzoek ten grondslag zijn gelegd. [28] Met dien verstande dat (wanneer is voldaan aan dit eerste vereiste) de ontvankelijkheid van de verzoeker in zijn enquêteverzoek jegens die rechtspersoon zover reikt als de mate waarin die vennootschap het beleid of de gang van zaken van die rechtspersoon ten aanzien van de onderwerpen die aan dat verzoek ten grondslag zijn gelegd, ten minste mede heeft bepaald. Gaat dit laatste in een concreet geval bijvoorbeeld op voor een deel van die onderwerpen, dan bestrijkt genoemde ontvankelijkheid dat deel. Zo’n genuanceerde uitleg van dit tweede vereiste onderkent mede dat in de praktijk niet steeds alle onderwerpen die in een concreet geval voor een enquêteverzoek van betekenis kunnen zijn, hoeven te spelen op beide niveaus, dus dat van die vennootschap en dat van die rechtspersoon. En gaat ook tegen dat verzoekers die een concernenquête beogen, uit vrees voor niet-ontvankelijkheid wat betreft het enquêteverzoek jegens die rechtspersoon vanwege dit tweede vereiste hun verzoeken overmatig restrictief opzetten, want beperken tot die onderwerpen waarvan - min of meer - met zekerheid te voorspellen valt dat volgens de OK die vennootschap ten aanzien van al die onderwerpen het beleid of de gang van zaken van die rechtspersoon ten minste mede heeft bepaald. Dat kan niet de bedoeling zijn, gezien ook de inhoud, het doel en de strekking van de enquêteregeling van Boek 2 BW. [29]
subonderdeel 2.2.
een of meer vande onderwerpen die door [Beheersmaatschappij] aan het enquêteverzoek ten grondslag zijn gelegd, ten minste mede heeft bepaald. Zie onder 4.4.1-4.4.6 hiervoor.
subonderdeel 2.3.
Ik breng eerst in herinnering dat rov. 3.4 gelezen moet worden in de bredere context van de bestreden beschikking. Dat de OK in rov. 3.9-3.21 de onderwerpen die door [Beheersmaatschappij] aan haar enquêteverzoek ten grondslag zijn gelegd, herleidt tot (a) “Informatieplicht” (rov. 3.9-3.16), (b) “Betrokkenheid bij benoeming functionarissen” (rov. 3.17-3.20) en (c) “Governance” (rov. 3.21). Dat uit de bestreden beschikking blijkt dat de OK ten aanzien van onderwerpen (b)-(c) tevens uitgaat van ‘daadwerkelijk’ ten minste mede bepalende betrokkenheid van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] bij het beleid of de gang van zaken van Steenfabriek. En dat aan het tweede vereiste voor een concernenquête ook kan zijn voldaan - naar de OK dus onderkent - als [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] het beleid of de gang van zaken van Steenfabriek ten aanzien van
een of meer vande onderwerpen die door [Beheersmaatschappij] aan het enquêteverzoek ten grondslag zijn gelegd, ten minste mede heeft bepaald. Zie onder 4.6.3 hiervoor.
De
sub (i)bedoelde stelling van [Verzoekster] betreft “de onderlinge
checks and balances” en komt erop neer dat [verzoeker 6] en [verzoeker 3] geen bestuurders van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] zijn, zodat hun feitelijke controle en beheersing van de onderneming (als aangevoerd door [Beheersmaatschappij] ) niet vanuit [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] heeft plaatsgevonden, wel doordat zij binnen het STAK-bestuur altijd een meerderheid van stemmen kunnen uitoefenen. Deze stelling stuit af op wat de OK - met inachtneming van het processuele debat - geenszins onbegrijpelijk tot uitdrukking brengt in de bestreden beschikking inzake het tweede vereiste voor een concernenquête in het kader van de benoeming van functionarissen en de governance als uiteengezet onder 4.4.5 sub a-b en d hiervoor, zodat zij daarop niet nader behoefde te responderen. Voor zover die sub (i) bedoelde stelling ook omvat dat als het verzoekschrift van [Beheersmaatschappij] al een bezwaar bevat dat betrekking zou kunnen hebben op het beleid of de gang van zaken van Steenfabriek, dit enkel het bezwaar met betrekking tot die “onderlinge
checks and balances” kan zijn, ziet het subonderdeel - dat dus slechts gericht is tegen rov. 3.4 - eraan voorbij dat de OK daarin blijkens rov. 3.18-3.19 niet meegaat.
De
sub (ii)bedoelde stelling van [Verzoekster] komt erop neer dat het beleid van Steenfabriek wordt gevormd door haar bestuur en “de (exploitatie van de) steenfabriek” betreft, dat haar bestuurder [verzoeker 6] daarover zelfstandig verantwoording aflegt in de eigen enkelvoudige jaarrekening van Steenfabriek, dat het bestuur van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] ( [verzoeker 7] ) zich niet bemoeit met de aangelegenheden van Steenfabriek en dat diens beleid enkel ziet op de activiteiten van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] , zijnde het beheren van haar beleggingsportefeuille en het uitkeren van dividend aan de certificaathouders via STAK. Ook deze stelling stuit af op wat de OK - met inachtneming van het processuele debat - geenszins onbegrijpelijk tot uitdrukking brengt in de bestreden beschikking inzake het tweede vereiste voor een concernenquête in het kader van de benoeming van functionarissen en de governance als uiteengezet onder 4.4.5 sub a-b en d hiervoor, zodat de OK daarop niet nader behoefde te responderen.
Hetzelfde geldt voor de
sub (iii)bedoelde stelling van [Verzoekster] , te weten dat [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] geen 403-verklaring voor Steenfabriek heeft afgegeven en gedeponeerd. Alsmede voor de
sub (iv)bedoelde stelling van [Verzoekster] , erop neerkomend dat de RvC van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] en de RvC van Steenfabriek separaat toezicht houden op de twee verschillende bestuurders ( [verzoeker 7] respectievelijk [verzoeker 6] ) en dat [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] zich in de praktijk ook niet bemoeit met de benoeming van bestuurders of commissarissen bij Steenfabriek, welke plaatsvindt op bindende voordracht van de RvC van Steenfabriek. En eveneens voor de
sub (v)bedoelde stelling van [Verzoekster] , erop neerkomend dat geen sprake is van een volledige personele unie tussen de RvC van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] en de RvC van Steenfabriek, dat voor zover daarvan in het verleden wel sprake was dit nog niet (zonder meer) meebrengt dat het beleid van Steenfabriek mede wordt bepaald door [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] , en dat het tegendeel uit niets blijkt en hierover door [Beheersmaatschappij] ook onvoldoende is gesteld.
subonderdeel 2.4.
eerste klacht.
Voor zover het subonderdeel aanvoert dat de OK blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het heeft miskend dat (enkel) uit die “achter (b)-(d) bedoelde omstandigheden” afzonderlijk noch in combinatie kan worden afgeleid dat [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] het beleid of de gang van zaken van Steenfabriek mede heeft bepaald, laat staan ten aanzien van de onderwerpen die aan het enquêteverzoek ten grondslag zijn gelegd, ziet het subonderdeel eraan voorbij wat de OK inzake het tweede vereiste voor een concernenquête tot uitdrukking brengt in de bestreden beschikking en dat dit geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Daarop wees ik reeds bij de behandeling van subonderdeel 2.2, onder 4.6-4.6.3 hiervoor.
Voor zover het subonderdeel aanvoert dat de OK blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het heeft miskend dat uit de enkele (door haar aangenomen) groepsverbondenheid “als weergegeven achter (a)” nog niet volgt dat sprake is van de bedoelde beleidsbepaling, gaat het subonderdeel (eveneens) uit van een onjuiste lezing van de bestreden beschikking en mist het daarmee feitelijke grondslag. Zie onder 4.4.1-4.4.6 hiervoor.
tweede klacht(die eveneens slechts is gericht tegen rov. 3.4). Deze strandt in het voetspoor van subonderdeel 2.3, behandeld onder 4.7-4.7.2 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Gang van zakenbinnenSTAK geen voorwerp van enquête. OK grijpt ten onrechte in bij STAK”
van Steenfabriek, dat oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. De OK heeft miskend dat STAK en de certificaathouders niet behoren tot degenen die "krachtens de wet en de statuten" bij de organisatie van Steenfabriek zijn betrokken als bedoeld in art. 2:8 lid 1 BW Pro. De binnen die kring van betrokkenen bij Steenfabriek geldende maatstaf (norm) van art. 2:8 BW Pro strekt zich dan ook niet uit tot genoemde handelen of nalaten, dat ook niet (enquêterechtelijk) kan worden toegerekend aan Steenfabriek. Dit handelen of nalaten kan daarom geen gegronde reden vormen voor twijfel aan een juist beleid of juiste gang van zaken van Steenfabriek en de handelwijze van STAK jegens de certificaathouders kan dan ook geen voorwerp van enquête zijn, voor zover het gaat om een enquête naar het beleid en de gang van zaken van Steenfabriek. Dit is de
eerste klacht.
Het subonderdeel klaagt verder dat de OK heeft miskend dat het enkele feit dat een rechtspersoon (in casu STAK)
indirectenig aandeelhouder is van een vennootschap (in casu Steenfabriek) niet meebrengt dat die rechtspersoon behoort tot de kring van betrokkenen bij die vennootschap als bedoeld in art. 2:8 lid 1 BW Pro, zeker niet indien die rechtspersoon geen bestuurder is van de directe enig aandeelhouder (moedermaatschappij) van die vennootschap (in casu de directe enig aandeelhouder [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] ). Ook heeft de OK miskend dat houders van certificaten van aandelen in de (directe) moedermaatschappij (in casu [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] ) niet als zodanig behoren tot de kring van betrokkenen bij de dochtermaatschappij (in casu Steenfabriek) als bedoeld in art. 2:8 lid 1 BW Pro. Dit is de
tweede klacht.
Het subonderdeel vervolgt met de klacht dat de OK in rov. 3.5 ten onrechte geen, althans onvoldoende, onderscheid heeft gemaakt tussen degenen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] zijn betrokken (de kring van betrokkenen bij [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] ) en degenen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van Steenfabriek zijn betrokken (de kring van betrokkenen bij Steenfabriek); STAK en de certificaathouders behoren wel tot de eerste kring, maar niet tot de tweede kring. Aldus heeft de OK bovendien ten onrechte [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] en Steenfabriek vereenzelvigd (het identiteitsverschil tussen [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] en Steenfabriek weggedacht), althans niet gemotiveerd waarom de omstandigheden van het onderhavige geval zo uitzonderlijk van aard zouden zijn dat vereenzelviging aangewezen is. Dit is de
derde klacht.
Het subonderdeel klaagt ten slotte dat in ieder geval het oordeel van de OK zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is, omdat zij niet (kenbaar) heeft vastgesteld dat (en op grond waarvan) STAK en de certificaathouders krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van Steenfabriek zouden zijn betrokken. Dit is de
vierde klacht.
binnenSTAK betreffen) en de onderbouwing van die verwerping (door een verwijzing naar de handelwijze van STAK
jegens certificaathouders). Zij heeft miskend dat de gang van zaken binnen STAK, in het bijzonder binnen het bestuur van STAK (want dat is waarop [Verzoekster] doelde met dat betoog), nu juist moet worden onderscheiden van de handelwijze van STAK jegens de certificaathouders. Die gang van zaken betreft uitsluitend het beleid en de gang van zaken
van STAK, niet het beleid en de gang van zaken van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] (laat staan van Steenfabriek), en kan niet (enquêterechtelijk) aan [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] (laat staan aan Steenfabriek) worden toegerekend, terwijl de handelwijze van STAK - in haar hoedanigheid van aandeelhouder - jegens certificaathouders (enquêterechtelijk) wel kan worden toegerekend aan [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] en dus wel het beleid en de gang van zaken van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] (en volgens de OK kennelijk ook Steenfabriek) kan betreffen. Het beleid en de gang van zaken van STAK kunnen geen voorwerp van enquête zijn, omdat (zoals de OK onderkent) STAK niet voldoet aan het bepaalde in art. 2:344, aanhef en onder b BW. Dit is de
eerste klacht.
Het subonderdeel klaagt verder dat in ieder geval zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien dat uit de (enkele) omstandigheid dat de (externe)
handelwijze van STAK jegens certificaathoudersvoorwerp van enquête kan zijn, zou volgen dat het betoog van [Verzoekster] dat betrekking heeft op de klachten van [Beheersmaatschappij] over de (interne) gang van zaken
binnen (het bestuur van) STAKzou moeten worden verworpen. Dit is de
tweede klacht.
De OK heeft miskend dat STAK en haar beleid en gang van zaken (binnen het bestuur) geen voorwerp van enquête kunnen zijn (omdat STAK niet voldoet aan het bepaalde in art. 2:344, aanhef en onder b BW) en dat de OK dus ook niet de bevoegdheid heeft in te grijpen bij STAK door het treffen van onmiddellijke voorzieningen bij STAK, althans (ook) niet de bevoegdheid heeft op indirecte wijze - met als oogmerk dat daarmee de samenstelling van het bestuur van STAK wordt geraakt - in te grijpen bij STAK door een onmiddellijke voorziening te treffen bij Steenfabriek. De OK maakt op die wijze oneigenlijk gebruik van haar bevoegdheid op grond van art. 2:349a lid 2 BW om in verband met de toestand van de rechtspersoon die voorwerp is van de enquête (in casu Steenfabriek c.s. en niet STAK) een onmiddellijke voorziening bij die rechtspersoon te treffen. Die bevoegdheid is immers niet bedoeld om doelbewust de facto in te grijpen bij een andere rechtspersoon dan de rechtspersoon die voorwerp is van de enquête. Zo’n oneigenlijk gebruik is in strijd met art. 2:349a lid 2 BW zoals die bepaling naar de strekking moet worden uitgelegd. Dit is de
eerste klacht.
De OK heeft bovendien ten onrechte en/of onbegrijpelijk aan het treffen van de bedoelde onmiddellijke voorziening ten grondslag gelegd dat de mogelijkheid van de benoeming van een voorzitter van de RvC van Steenfabriek, die (zoals de OK op zichzelf met juistheid overweegt) niet is verzocht door [Beheersmaatschappij] , ter zitting met partijen is besproken. Zoals uit het proces-verbaal van de zitting blijkt, heeft de oudste raadsheer met partijen de mogelijkheid besproken om de OK
gezamenlijk te verzoekeneen voorzitter van de RvC van Steenfabriek te benoemen, die qualitate qua tevens zal fungeren als voorzitter en bestuurder C van STAK. Uit het proces-verbaal blijkt tevens dat partijen niet tot een gezamenlijk verzoek zijn gekomen, waarna de bespreking van deze mogelijkheid is beëindigd. Met partijen is dus niet de mogelijkheid besproken dat de OK zónder gezamenlijk verzoek daartoe van partijen een voorzitter van de RvC van Steenfabriek zou benoemen, die in die hoedanigheid tevens STAK-bestuurder zou zijn, en dat als wenselijk gevolg daarvan tevens de samenstelling van het bestuur van STAK zou worden geraakt. Het oordeel van de OK in rov. 3.24 van de bestreden beschikking en in rov. 3.7 van de beschikking van 16 maart 2022 is dan ook onbegrijpelijk. Dit is de
tweede klacht.
Het oordeel van de OK dat de benoeming van een voorzitter van de RvC van Steenfabriek - die in hoedanigheid tevens STAK-bestuurder is - zou stroken met de strekking van het verzoek tot overdracht van aandelen ten titel van beheer is ook onbegrijpelijk, aangezien het gevolg van een overdracht van aandelen ten titel van beheer niet is dat de samenstelling van het bestuur van STAK wordt geraakt. Dit is de
derde klacht.
Gelet op het voorgaande heeft de OK aldus ook ten onrechte een beslissing gegeven waarop partijen (waaronder [Verzoekster] ), gelet op het verloop van het geding en het processuele debat, niet bedacht hoefden te zijn en over de consequenties waarvan zij zich niet hebben kunnen uitlaten. Wat de OK niet mag in verband met het voorschrift van art. 24 Rv Pro en/of het beginsel van hoor- en wederhoor. Dit is de
vierde klacht.
De OK heeft bovendien ten onrechte een voorziening getroffen die niet strookt met de strekking van het ingediende verzoek. Dit is de
vijfde klacht.
Inhoudelijke beoordeling
qualitate quatevens fungeren als bestuurder C en voorzitter van STAK.
ATR Leasing)).”
Van belang is daarbij de ook uit de tekst van art. 2:8 BW Pro blijkende bedoeling van de wetgever het toepassingsgebied van die bepaling “wat algemener te maken” dan onder art. 2:7 BW Pro (oud), waarin “niet de algemene formule [werd] gebezigd van degenen die bij de organisatie van de rechtspersoon zijn betrokken, doch worden genoemd de leden, de aandeelhouders en de houders van certificaten die met medewerking van de vennootschap zijn uitgegeven (…) en zij die deel uitmaken van de organen van de rechtspersoon”. Aldus is tot uitdrukking gebracht dat ook anderen dan leden van organen van de rechtspersoon en houders van bewilligde certificaten onder de kring van betrokken personen vallen. In de wetsgeschiedenis is ook met zoveel woorden benadrukt dat een “ruime kring” voor art. 2:8 BW Pro “niet schadelijk [is], integendeel”.
Onder deze omstandigheden, die zich hier voordoen, kan eerder dan in andere gevallen sprake zijn van de mogelijkheid van een vermenging van de belangen van de vennootschap en van sommige van deze personen, zodat er reden is daarop attent te zijn en met de nodige zorgvuldigheid te voorkomen dat ontoelaatbare verstrengeling van belangen ontstaat. Aldus verstaan geeft het bestreden oordeel van de Ondernemingskamer niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.” [53]
grondnorm. [55] Ook het daar bedoelde open, buigzame, intrinsiek contextuele karakter van die bepaling is daarbij relevant. Gelijk de gedachte dat de in art. 2:8 BW Pro opgenomen begrenzingen steeds ruim en welwillend dienen te worden uitgelegd, alsmede het feit dat ik in de parlementaire geschiedenis van art. 2:8 BW Pro nergens iets lees waaruit dwingend volgt dat genoemde mogelijkheid niet bestaat. Verder wijs ik op art. 3:12 BW Pro, dat via art. 3:15 BW Pro mede invulling geeft aan art. 2:8 BW Pro en luidt:
NJ2011/335)”. [60]
Kamerstukken II, 2010/11, 32 887, nr. 3, p. 20 en 32). Deze belangenafweging vindt plaats tegen de achtergrond dat degenen die krachtens de wet en de statuten zijn betrokken bij de organisatie van de rechtspersoon, zich gelet op art. 2:8 BW Pro jegens elkaar moeten gedragen overeenkomstig de redelijkheid en billijkheid (
Kamerstukken II, 2011/12, 32 887, nr. 6, p. 22).”
NJ1997, 188). De ondernemingskamer moet daarbij zowel op de belangen van verzoekers tot een enquête letten als op die van andere bij de (onderneming van de) rechtspersoon betrokken belanghebbenden. Daarbij staat het belang van de rechtspersoon voorop.
Met het oog hierop en gelet op de aard van deze op een spoedige beslissing gerichte procedure, past het niet de eis te stellen dat de ondernemingskamer slechts kan beslissen binnen de strikte grenzen van het verzoek zoals verzoekers dit hebben ingekleed. Deze beoordelingsvrijheid brengt mee dat belanghebbenden, ook indien zij niet de bevoegdheid hebben een verzoek tot het bevelen van een onderzoek in te dienen, over alle aspecten van het (verzoek tot het bevelen van een) onderzoek hun standpunt mogen kenbaar maken, dus niet alleen over de al dan niet toewijsbaarheid van het verzoek, maar ook over de aard en omvang van het eventueel door de ondernemingskamer te bevelen onderzoek, waaronder begrepen de periode waarover het zich moet uitstrekken. Als de ondernemingskamer vervolgens van oordeel is dat het verzoek toewijsbaar is, zal zij de omvang van het onderzoek, en daarmee dus eveneens de periode waarover dat zich moet uitstrekken, alsmede van de daartoe noodzakelijke voorzieningen dienen te bepalen. Haar komt daarbij een grote mate van vrijheid toe (HR 6 juni 2003, nr. R02/078,
NJ2003, 486). Daarbij zal de ondernemingskamer, in verband met het voorschrift van art. 24 Rv Pro, geen beslissing mogen geven waarop de betrokken partijen, gelet op het verloop van het geding en het processuele debat, niet bedacht behoefden te zijn en over de consequenties waarvan zij zich niet hebben kunnen uitlaten. Het staat de ondernemingskamer dan ook niet vrij beslissingen te geven of voorzieningen te treffen die niet stroken met de strekking van het ingediende verzoek of die aan de kenbare bedoeling van verzoekers zodanig afbreuk doen dat moet worden aangenomen dat zij het verzoek, als daaraan op deze wijze uitvoering wordt gegeven, niet zouden hebben gehandhaafd.”
subonderdeel 3.5.
eerste klachtloopt vast op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van de bestreden beschikking, voor zover de klacht veronderstelt dat naar het oordeel van de OK het handelen of nalaten van STAK jegens de certificaathouders op grond van (schending van) art. 2:8 lid 1 BW Pro een gegronde reden kan vormen voor twijfel aan een juist beleid of juiste gang van zaken
van Steenfabriek. In rov. 3.5 staat dit niet. In rov. 3.5, vierde zin plaatst de OK de punt na “juiste gang van zaken”. Dit strookt ook daarmee dat de OK in de bestreden beschikking niet oordeelt dat het handelen of nalaten van STAK jegens de certificaathouders op grond van (schending van) art. 2:8 lid 1 BW Pro een gegronde reden vormt voor twijfel aan een juist beleid of juiste gang van zaken
van Steenfabriek. Zie onder 4.4.1-4.4.6 hiervoor. De klacht strandt ook voor het overige, meer precies voor zover deze aanvoert dat de OK blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door aan te nemen dat STAK en de certificaathouders behoren tot degenen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van Steenfabriek zijn betrokken (de kring van betrokkenen bij Steenfabriek) als bedoeld in art. 2:8 lid 1 BW Pro. Ik licht dat toe.
In rov. 3.5 brengt de OK tot uitdrukking dat het in dit concrete geval gezien de daarin gegeven feiten en omstandigheden passend is STAK (enig aandeelhouder van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] , indirect enig aandeelhouder van Steenfabriek) en de certificaathouders, hoewel strikt genomen niet vallend onder degenen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van Steenfabriek zijn betrokken, [63] voor doeleinden van art. 2:8 lid 1 BW Pro wel op een lijn (en aldus gelijk) te stellen met diegenen, zodat STAK en de certificaathouders ook behoren tot de in art. 2:8 lid 1 BW Pro bedoelde kring van betrokkenen bij Steenfabriek. En de werkingssfeer van art. 2:8 lid 1 BW Pro wat betreft Steenfabriek in dit geval dus tevens STAK en de certificaathouders omvat. Met die feiten en omstandigheden heeft de OK naar ik begrijp mede het oog op hetgeen zij vaststelt in rov. 2.1-2.10 (weergegeven onder 1, aanhef en 1.1-1.9 hiervoor), [64] rov. 3.4 (geciteerd onder 4.4.1 hiervoor) [65] en rov. 3.6 (waarover ook onder 4.4.5 sub b hiervoor). [66] Wat in samenhang bezien, waaronder het besloten en familie karakter van het bedrijf (de onderneming) als in stand gehouden door [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] en Steenfabriek die met elkaar verbonden zijn in een groep als bedoeld in art. 2:24b BW, [67] waarbij sprake is van een bepaalde certificeringsconstructie met een beperkt aantal bekende certificaathouders (uit [de familie] ) en zekere dubbelrollen binnen de vennootschappelijke structuur van onder anderen een van hen ( [verzoeker 6] ), een specifieke kleur geeft aan de onderhavige constellatie. Gelet ook op hetgeen ik uiteenzette onder 4.12.2-4.12.5 hiervoor, getuigt dit oordeel van de OK m.i. niet van een onjuiste rechtsopvatting. [68]
tweede klachtloopt vast op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van de bestreden beschikking, voor zover de klacht veronderstelt dat naar het oordeel van de OK het enkele feit dat een rechtspersoon (hier: STAK)
indirectenig aandeelhouder is van een vennootschap (hier: Steenfabriek) reeds meebrengt dat die rechtspersoon behoort tot de kring van betrokkenen bij die vennootschap als bedoeld in art. 2:8 lid 1 BW Pro. Naar volgt uit de behandeling van de eerste klacht, huldigt de OK zo’n opvatting niet in de bestreden beschikking. Zij hanteert daarin dus een aanmerkelijk bredere, specifiek op het onderhavige geval toegesneden benadering. Zie onder 4.14.1 hiervoor. Hetzelfde geldt voor zover de klacht veronderstelt dat naar het oordeel van de OK houders van certificaten van aandelen in de (directe) moedermaatschappij (hier: [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] ) “als zodanig” reeds behoren tot de kring van betrokkenen bij de dochtermaatschappij (hier: Steenfabriek) als bedoeld in art. 2:8 lid 1 BW Pro. Van een dergelijk generiek oordeel van de OK is in werkelijkheid geen sprake.
derde klachtloopt vast in het voetspoor van de voorgaande klachten, voor zover daarin wordt herhaald dat de OK in rov. 3.5 zou hebben miskend dat STAK en de certificaathouders wel behoren tot de kring van betrokkenen bij [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] , maar niet tot de kring van betrokkenen bij Steenfabriek als bedoeld in art. 2:8 lid 1 BW Pro. Als gezegd, schaart de OK in het kader van art. 2:8 lid 1 BW Pro STAK en de certificaathouders mede onder de kring van betrokkenen bij Steenfabriek, zonder daarmee blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting. Zie onder 4.14.1-4.14.2 hiervoor. Voor zover de klacht nog veronderstelt dat de OK daar [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] en Steenfabriek vereenzelvigt (ter zake het identiteitsverschil tussen [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] en Steenfabriek wegdenkt), gaat de klacht eveneens uit van een onjuiste lezing van de bestreden beschikking waarmee deze feitelijke grondslag mist. Naar volgt uit 4.14.1-4.14.2 hiervoor bedient de OK zich hier van een wezenlijk andere techniek om dat in rov. 3.5 bedoelde resultaat te bereiken, waarover ook onder 4.12.5 hiervoor.
vierde klachtstrandt. Naar volgt uit 4.14.1-4.14.3 hiervoor wordt uit de bestreden beschikking afdoende duidelijk waarom de OK van oordeel is dat in dit concrete geval gezien de daarin gegeven feiten en omstandigheden aanleiding bestaat STAK (enig aandeelhouder van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] , indirect enig aandeelhouder van Steenfabriek) en de certificaathouders, hoewel strikt genomen niet vallend onder degenen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van Steenfabriek zijn betrokken, voor doeleinden van art. 2:8 lid 1 BW Pro wel op een lijn (en aldus gelijk) te stellen met diegenen, zodat STAK en de certificaathouders ook behoren tot de in art. 2:8 lid 1 BW Pro bedoelde kring van betrokkenen bij Steenfabriek. En de werkingssfeer van art. 2:8 lid 1 BW Pro wat betreft Steenfabriek in dit geval dus tevens STAK en de certificaathouders omvat. Dit oordeel valt, ook zonder nadere motivering, niet als onbegrijpelijk aan te merken.
subonderdeel 3.6.
eerst klachtloopt spaak. Blijkens rov. 3.3 sub ii en rov. 3.5 van de bestreden beschikking verstaat de OK het in rov. 3.5 bedoelde “betoog van verweersters” aldus dat de klachten van [Beheersmaatschappij] met betrekking tot STAK geen doel treffen, omdat deze enkel zien op de gang van zaken binnen (het bestuur van) STAK en STAK niet voldoet aan art. 2:344, aanhef en onder b BW, want geen onderneming in stand houdt waarvoor ingevolge de wet een ondernemingsraad moet worden ingesteld. En verwerpt de OK daar dat betoog van [Verzoekster] , omdat weliswaar juist is dat STAK niet voldoet aan art. 2:344, aanhef en onder b BW, maar dit onverlet laat dat de te onderscheiden gedragslijn van STAK als enig aandeelhouder van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] (en indirect enig aandeelhouder van Steenfabriek) jegens (in dit geval) de certificaathouders, waarop de klachten van [Beheersmaatschappij] met betrekking tot STAK in het bijzonder zien, voorwerp van enquête kan zijn. [69] Daarmee zegt de OK dus niet dat (ook) aspecten die slechts vallen binnen het beleid en de gang van zaken van
STAK, zoals de gang van zaken binnen (het bestuur van) STAK als zodanig (los van haar doen en laten als aandeelhouder), voorwerp van enquête kan zijn. In de bestreden beschikking - zie mede het dictum - beveelt de OK ook geen onderzoek naar het beleid of de gang van zaken van STAK, noch treft zij daarin enige onmiddellijke voorziening bij STAK. De door de OK vastgestelde gegronde redenen tot twijfel als bedoeld in art. 2:350 lid 1 BW Pro betreffen ook alleen [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] en Steenfabriek, meer precies de gang van zaken van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] en de gang van zaken van Steenfabriek. Zie onder 2.6-2.7 hiervoor. Dit een en ander strookt tevens met hetgeen door [Beheersmaatschappij] blijkens de gedingstukken is aangevoerd. [70] Kortom: de in de klacht veronderstelde miskenning door de OK doet zich in werkelijkheid niet voor, [71] want zij onderscheidt juist “de handelwijze van STAK jegens de certificaathouders” (die voorwerp van enquête kan zijn) van de daarbuiten vallende “gang van zaken binnen STAK” (die, gezien art. 2:344, aanhef en onder b BW, geen voorwerp van enquête kan zijn).
tweede klachtloopt spaak. Zo deze niet reeds strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van de bestreden beschikking, volgt uit 4.15.1 hiervoor dat ook zonder nadere motivering heel wel valt in te zien waarom volgens de OK in rov. 3.5 genoemd betoog van [Verzoekster] moet worden verworpen.
subonderdeel 3.7.
eerste klachtaanvoert dat de OK heeft miskend dat STAK en het beleid en de gang van zaken binnen (het bestuur van) STAK geen voorwerp enquête kunnen zijn (omdat STAK niet voldoet aan art. 2:344, aanhef en onder b BW), en dat de OK dus ook niet de bevoegdheid heeft in te grijpen bij STAK door het treffen van onmiddellijke voorzieningen bij STAK, volgt reeds uit de behandeling van subonderdeel 3.6 dat zo’n miskenning door de OK zich in werkelijkheid niet voordoet. Zie onder 4.15-4.15.2 hiervoor. Deze klacht strandt ook voor het overige, meer precies voor zover de klacht aanvoert dat de OK met de bij Steenfabriek getroffen onmiddellijke voorzieningen op oneigenlijke wijze - en daarmee onbevoegd - gebruik maakt van art. 2:349a lid 2 BW, want langs die weg ingrijpt bij STAK. Ik licht dat toe.
De door de OK op de voet van art. 2:349a lid 2 BW in verband met de toestand van Steenfabriek bij haar getroffen onmiddellijke voorzieningen, waarover nader onder 2.6-2.7 en 2.15 hiervoor, vallen niet los te zien van de door de OK vastgestelde gegronde redenen om te twijfelen aan een juiste gang van zaken van Steenfabriek en het ter zake door haar bevolen onderzoek (rov. 3.22 van de bestreden beschikking), waarover nader onder 4.4.5-4.4.6 hiervoor. Noch van het feit dat - anders dan bij [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] - bij Steenfabriek niet alleen [verzoeker 3] de president-commissaris is (een van diens dubbelfuncties), maar tevens [verzoeker 6] de enig bestuurder is (een van diens dubbelfuncties). Zie onder 4.4.5 sub b hiervoor. Blijkens rov. 3.23-3.24 van de bestreden beschikking, en in lijn daarmee rov. 3.7 en 3.9 van de beschikking van 16 maart 2022, oordeelt de OK ter zake dat minder ingrijpende maatregelen niet effectief zouden zijn bij Steenfabriek. Zich daarbij rekenschap gevend van art. 2:349a lid 2 BW en relevante rechtspraak van de Hoge Raad, behandeld onder 4.12.6-4.12.8 hiervoor. Waarbij eveneens van belang is dat de OK in dat verband mede STAK in aanmerking neemt, want beschouwt als ook behorende tot de in art. 2:8 lid 1 BW Pro bedoelde kring van betrokkenen bij Steenfabriek (gelijk de certificaathouders). Opmerking verdient voorts dat de OK blijkens de bestreden beschikking de gedragslijn van STAK als aandeelhouder betrekt bij haar oordeel dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juiste gang van zaken van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] , in welk verband zij een onderzoek beveelt naar het beleid en de gang van zaken van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] (rov. 3.22 mede in verbinding met rov. 3.12-3.14 en rov. 3.15, tweede alinea). En tevens een onmiddellijke voorziening op de voet van art. 2:349a lid 2 BW bij [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] treft (rov. 3.25).
De onderkenning door de OK in rov. 3.23 van de bestreden beschikking dat de OK-commissaris bij Steenfabriek gelet op art. 4 lid 3 van Pro de statuten van STAK qualitate qua tevens zal fungeren als voorzitter en bestuurder C van STAK, wat de OK in rov. 3.7 van de beschikking van 16 maart 2022 duidt als bijkomend wenselijk gevolg van de desbetreffende onmiddellijke voorzieningen, laat onverlet dat de OK in rov. 3.23-3.24 van de bestreden beschikking en in rov. 3.7 en 3.9 van de beschikking van 16 maart 2022 de spankracht van art. 2:349a lid 2 BW - ook bezien naar strekking - niet miskent. Daarbij betrek ik, naast de vorige alinea’s, dat het feit dat een onmiddellijke voorziening kan leiden tot onomkeerbare gevolgen niet zonder meer in de weg staat aan het treffen van een zodanige voorziening. Mits de voorziening naar haar aard een voorlopige is en bij het treffen van een zodanige voorziening - waarvan de noodzaak voldoende is gebleken - voldoende rekening is gehouden met, en een billijke afweging heeft plaatsgevonden van, de belangen van de betrokken partijen. Dit is vaste Hoge Raad-rechtspraak, zie onder 4.12.7 hiervoor. [72] Het strookt daarmee om aan te nemen dat het feit dat genoemde, in verband met de toestand van Steenfabriek bij haar getroffen onmiddellijke voorzieningen als bijkomend wenselijk gevolg hebben - indirect, gezien ook de statuten van STAK - dat tevens de samenstelling van het bestuur van STAK wordt geraakt, niet zonder meer in de weg staat aan het treffen van deze voorzieningen bij Steenfabriek in verband met haar toestand. Mits deze voorzieningen naar de aard voorlopig zijn en bij het treffen van deze voorzieningen - waarvan de noodzaak voldoende is gebleken - voldoende rekening is gehouden met, en een billijke afweging heeft plaatsgevonden van, de belangen van de betrokken partijen. Waaraan als gezegd is voldaan. Een andere opvatting zou ook leiden tot het ongerijmde resultaat dat het enkele intreden van dit bijkomende wenselijke gevolg van genoemde voorzieningen in de weg zou staan aan het treffen van deze voorzieningen, en daarmee aan wat de OK beschouwt als effectief (en proportioneel) [73] ingrijpen bij Steenfabriek vanwege haar toestand op de voet van art. 2:349a lid 2 BW. Dat kan niet de bedoeling zijn, gezien ook de inhoud, het doel en de strekking van de enquêteregeling van Boek 2 BW. [74] Kortom: voor zover de klacht al feitelijke grondslag heeft, geeft het bestreden oordeel van de OK geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
tweede klachtboekt evenmin succes. Daartoe wijs ik op het volgende. In de bestreden beschikking (rov. 3.23-3.24) wijst de OK onder meer erop dat weliswaar de benoeming van een commissaris bij Steenfabriek is verzocht, maar niet dat deze tevens tot voorzitter van de RvC van Steenfabriek wordt benoemd en in die hoedanigheid tevens zal fungeren als voorzitter en bestuurder C van STAK. En dat deze mogelijkheid echter wel ter zitting van 4 november 2021 met partijen is besproken. Dit laatste sluit aan op het proces-verbaal van deze zitting bij de OK, bij welke gelegenheid blijkens het proces-verbaal is gesproken over de mogelijkheid van een gezamenlijk verzoek daartoe van partijen, waartoe partijen evenwel niet zijn gekomen (in welk verband, naar de OK memoreert in rov. 3.7 van de beschikking van 16 maart 2022, ook aan de orde is geweest dat als gevolg van deze onmiddellijke voorzieningen dus tevens de samenstelling van het bestuur van STAK zou worden geraakt). [75] In tegenstelling tot wat de tweede klacht veronderstelt, oordeelt de OK daar dus niet dat ter zitting met partijen met zoveel woorden is gesproken over de mogelijkheid “dat de OK zónder gezamenlijk verzoek daartoe van partijen” bij wege van onmiddellijke voorziening een voorzitter van de RvC van Steenfabriek zal benoemen, die qualitate qua tevens zal fungeren als voorzitter en bestuurder C van STAK. Daarmee valt reeds de bodem weg onder de klacht. Iets anders is dat uit het proces-verbaal niet blijkt dat ter zitting door de OK kenbaar is gemaakt dat zij zonder (gezamenlijk) verzoek daartoe hoe dan ook niet bij wege van onmiddellijke voorziening een voorzitter van de RvC van Steenfabriek zal benoemen, die qualitate qua tevens zal fungeren als voorzitter en bestuurder C van STAK. Dit wel ter zitting besprokene sluit in (niet uit) dat de OK ook zonder daartoe strekkend (gezamenlijk) verzoek bij wege van onmiddellijke voorziening tot zo’n benoeming zou kunnen overgaan, uiteraard zo zij daaraan zou toekomen en aan de daaraan te stellen eisen zou zijn voldaan. Te meer nu - naar bekend mag worden verondersteld, zie onder 4.12.8 hiervoor - het niet zo is dat de OK slechts kon beslissen binnen de strikte grenzen van het verzoek zoals [Beheersmaatschappij] dit had ingekleed, konden en moesten partijen bij deze stand van zaken bedacht zijn op die mogelijkheid en hoefde de OK die niet nog weer nader met hen te bespreken. [76] Partijen hebben ter zitting ook voldoende gelegenheid gehad zich ter zake uit te laten, waarvan het proces-verbaal eveneens blijk geeft. Van dit een en ander gaat de OK - terecht - ook uit in rov. 3.24 van de bestreden beschikking.
derde klachtbiedt evenmin soelaas. Met rov. 3.24, voorlaatste zin doelt de OK in de bestreden beschikking op de door [Beheersmaatschappij] in het verzoekschrift gegeven toelichting op haar verzoek tot overdracht ten titel van beheer bij wege van onmiddellijke voorziening van de door STAK gehouden aandelen in [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] . [77] Daaruit blijkt dat [Beheersmaatschappij] dit verzoek doet, teneinde langs die weg het niet naar behoren functioneren van STAK als enig aandeelhouder van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] te redresseren, omdat het de voorkeur zou hebben verdiend een vierde bestuurder met doorslaggevende stem bij STAK te benoemen bij wege van onmiddellijke voorziening, maar deze mogelijkheid echter niet bestaat. Aldus bezien is het oordeel van de OK in rov. 3.24, voorlaatste zin [78] niet onbegrijpelijk, ook al is het gevolg van zo’n overdracht ten titel van beheer niet dat de samenstelling van het bestuur van STAK wordt geraakt.
vierde klachten de
vijfde klachtsneven eveneens (en in het voetspoor van de tweede klacht en de derde klacht), naar volgt uit 4.16.2-4.16.3 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
eerste klacht.
Het subonderdeel klaagt vervolgens dat althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is dat de in rov. 3.6 genoemde omstandigheden wél zulke vergaande verplichtingen op grond van art. 2:8 BW Pro zouden meebrengen. Dit is de
tweede klacht.
Het subonderdeel klaagt verder dat, voor zover de door de OK in rov. 3.6 genoemde omstandigheden betrekking hebben op de gang van zaken
binnen(het bestuur van) STAK, de OK miskend heeft dat die gang van zaken, die zich afspeelt binnen de kring van betrokkenen bij STAK als bedoeld in art. 2:8 lid 1 BW Pro en geen voorwerp van enquête kan zijn, niet (enquêterechtelijk) kan worden toegekend aan Steenfabriek c.s. En dat de in rov. 3.7-3.8 door de OK aangenomen zorgvuldigheidsverplichtingen dus in zoverre ook niet mede op die omstandigheden kunnen worden gebaseerd. De in subonderdelen 3.5-3.6 opgenomen klachten zijn van overeenkomstige toepassing. Dit is de
derde klacht.
Het subonderdeel vervolgt met op te merken dat het daar sub (i) t/m (v) opgemerkte “[b]ij het voorgaande (…) in aanmerking moet worden genomen met betrekking tot de door de OK in rov. 3.6 genoemde omstandigheden”. Het is niet glashelder wat het subonderdeel daarmee bedoelt, te minder nu het bij sub (i) t/m (v) kennelijk gaat om te onderscheiden klachten die neerkomen op het volgende. [83]
verdergaandeaanspraak op informatie zouden hebben (gekregen) dan zij voorheen als aandeelhouders hadden en/of dan aandeelhouders en vergadergerechtigde certificaathouders in het algemeen hebben. [84] Dit is de
vierde klacht.
vijfde klacht.
verdergaandrecht op informatie - ook buiten de algemene vergadering van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] - zou moeten hebben met betrekking tot de door de OK in rov. 3.7 genoemde zaken. [86] Dat de daarin bedoelde gerede twijfel zou bestaan, valt gelet op het voorgaande zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien. En getuigt ook van een onjuiste rechtsopvatting gelet op subonderdelen 5.2-5.4. Dit is de
zesde klacht.
zevende klacht.
achtste klacht.
binnenhet bestuur van STAK, te weten een informatieverplichting van twee bestuursleden jegens een ander bestuurslid. De (ongeschreven) informatieverplichting ex art. 2:8 BW Pro van de bestuursleden van STAK jegens elkaar kan hooguit worden gebaseerd op de binnen de kring van betrokkenen bij STAK geldende norm van redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 2:8 BW Pro. Het naleven van die informatieverplichting betreft echter het beleid en de gang van zaken van STAK, die geen voorwerp van de enquête kunnen zijn. Dit is de
eerste klacht.
Voor zover dat oordeel van de OK in rov. 3.7 voortbouwt op haar oordeel in rov. 3.5 vitiëren de klachten in subonderdelen 3.5-3.6 tegen rov. 3.5 ook dat oordeel in rov. 3.7. Die klachten zijn in ieder geval - mutatis mutandis - van overeenkomstige toepassing op dat oordeel in rov. 3.7. Dit is de
tweede klacht.
eerste klacht.
Voor zover dat oordeel van de OK in rov. 3.8 voortbouwt op haar oordeel in rov. 3.5 vitiëren de klachten in subonderdelen 3.5-3.6 tegen rov. 3.5 ook dat oordeel in rov. 3.8. Die klachten zijn in ieder geval - mutatis mutandis - van overeenkomstige toepassing op dat oordeel in rov. 3.8. Dit is de
tweede klacht.
eerste klacht.
Bovendien heeft de OK door dat onderscheid niet te maken ten onrechte [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] , Steenfabriek en/of STAK vereenzelvigd (het identiteitsverschil tussen [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] , Steenfabriek en/of STAK weggedacht), althans niet gemotiveerd waarom de omstandigheden van het onderhavige geval zo uitzonderlijk van aard zouden zijn dat vereenzelviging aangewezen is. Dit is de
tweede klacht.
Tot slot: doordat de OK dat onderscheid niet of nauwelijks heeft gemaakt, zijn die oordelen in rov. 3.7-3.8 ook onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd nu deze daardoor niet controleerbaar, laat staan aanvaardbaar zijn. Dit is de
derde klacht.
- Steenfabriek c.s. houden een besloten familiebedrijf in stand, waarvan de aandelen tot 2008 door de [broers 1, 2 en 3] werden gehouden. De zeggenschap berustte daarmee van aanvang af bij de familie.
- Sinds 9 december 2008 zijn alle aandelen gecertificeerd, worden de aandeelhoudersrechten uitgeoefend door STAK en zijn de voormalige aandeelhouders certificaathouders met vergaderrechten geworden. Daarmee is de zeggenschap die zij hadden aanmerkelijk verminderd. De rechtsverhouding tussen STAK en de certificaathouders brengt evenwel mee dat het STAK-bestuur ook de behartiging van de belangen van de certificaathouders tot haar taak rekent. De statuten van STAK bevatten bepalingen die daarop betrekking hebben. Zo betreft het statutaire doel van STAK niet uitsluitend, maar “mede” de continuïteit van Steenfabriek c.s. Verder blijkt uit de wijze waarop het STAK-bestuur moet worden samengesteld, dat de STAK-bestuurders het belang van de (continuïteit van de) onderneming en de belangen van certificaathouders op evenwichtige wijze dienen af te wegen. De statuten van STAK bepalen namelijk dat de certificaathouders een van de drie bestuursleden van STAK benoemen (bestuurder A), terwijl deze bestuurder tezamen met bestuurder C (die tevens de voorzitter van de raad van commissarissen van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] is) de derde bestuurder van STAK, bestuurder B, benoemt.
- Deze statutaire regeling weerspiegelt niet alleen de verschillende belangen die de STAK-bestuurders voor ogen moeten houden, maar strekt ook ertoe de bestuurder A van STAK een bijzondere rol te geven bij het bewaken van de belangen van certificaathouders binnen STAK (waarmee niet is gezegd dat de andere bestuurders zich de belangen van certificaathouders minder zouden behoeven aan te trekken). De bijzondere rol van de bestuurder A heeft in de praktijk onder meer gestalte gekregen door de afspraak dat de bestuurder A namens de certificaathouders om informatie zou vragen met betrekking tot Steenfabriek c.s. en deze informatie aan de certificaathouders zou doorgeven, maar ook bijvoorbeeld door het verzoek vanuit STAK om via de bestuurder A de opvattingen van de certificaathouders te vernemen (zie 2.14).
- Als bestuurder van Steenfabriek beschikt [verzoeker 6] over belangrijke informatie waarover de andere certificaathouders en de door hen in STAK benoemde bestuurder A niet beschikken; er is daarom een belangrijke informatieasymmetrie, zowel in de vergadering van certificaathouders (waar [verzoeker 6] een van de certificaathouders is) als binnen STAK (waar [verzoeker 6] bestuurder B is).
- Op Steenfabriek wordt toezicht gehouden door een (tot 1 oktober 2021) tweehoofdige raad van commissarissen, waarvan [verzoeker 3] voorzitter is. [verzoeker 3] is daarnaast voorzitter van de (tweehoofdige) raad van commissarissen van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] en is bestuurder C van STAK. Het gevolg is niet alleen dat de hierboven bedoelde informatieasymmetrie binnen het STAK-bestuur wordt versterkt, maar ook dat zich bij [verzoeker 3] en [verzoeker 6] , die allebei reeds vele jaren aan Steenfabriek c.s. verbonden zijn, een sterke concentratie voordoet van de zeggenschap binnen en het toezicht op Steenfabriek c.s. Deze gaat zo ver dat gerede twijfel bestaat of op Steenfabriek c.s. nog voldoende onafhankelijk toezicht kan worden uitgeoefend. Verweersters hebben aangevoerd dat [verzoeker 3] per eind 2021 zal terugtreden uit beide raden van commissarissen, maar of dat daadwerkelijk is gebeurd, is niet zeker; ten tijde van de mondelinge behandeling kon daarover nog niets specifieks worden (toe)gezegd. Ook als [verzoeker 3] inmiddels is teruggetreden (zoals hij had aangekondigd) is niet bekend wie zijn plaats heeft ingenomen en of dubbelfuncties inmiddels zijn voorkomen. Mocht dat laatste het geval zijn, resteert niettemin een wezenlijke concentratie van zeggenschap bij [verzoeker 6] , als gevolg van zijn (niet statutair voorziene) dubbelfuncties.
- Over de dubbelfuncties van [verzoeker 6] en [verzoeker 3] en de gevolgen daarvan voor de governance van Steenfabriek c.s. hebben de certificaathouders zich al jaren beklaagd. Tot een wijziging van de governance is het echter niet gekomen. Daarbij moet worden bedacht dat de certificaathouders de beëindiging van de certificering uitsluitend met medewerking van [verzoeker 6] kunnen afdwingen (zie 2.8).
- De verhoudingen tussen verzoeksters en [verzoeker 6] , tussen [verzoeker 6] en zijn vader [broer 1] en tussen de bestuurders van STAK zijn al geruime tijd ernstig verstoord. Na terugtreden van [broer 2] als bestuurder A in STAK hebben de certificaathouders in zijn plaats [verweerder 5] benoemd, een onafhankelijke professionele bestuurder. Dat heeft niet tot verbetering van de onderlinge verhoudingen binnen STAK geleid.
[…]), OK 30 maart 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ1776 (
Muntal), OK 11 juni 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:2461 (
[…]) en OK 31 oktober 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3921, (
Bosal)). De inhoud van die informatieverplichting betreft niet alleen zaken met betrekking tot Steenfabriek c.s. die de certificaathouders rechtstreeks aangaan (zoals het dividendbeleid en de grondslagen daarvoor) maar strekt zich ook uit tot belangrijke zaken die de (financiële positie van) Steenfabriek c.s. betreffen (zoals het beleggingsbeleid en de impact van investeringen of van de gestegen gasprijzen). Gelet op de vennootschappelijke structuur die hierboven is geschetst dient dat in ieder geval te gebeuren binnen STAK, door het juist, tijdig en volledig informeren van bestuurder A door de andere bestuursleden, maar is het daartoe niet beperkt.
NJ2011/167 (Staalbankiers)). Overigens kan een wetsbepaling die van openbare orde is niet door de rechter buiten werking worden gesteld. Toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid komt in de rechtspraak minder vaak voor dan toepassing van de aanvullende werking. Let op het verschil in formulering van art. 2:8 lid 1 en Pro lid 2 BW. Voor de aanvullende werking is het voldoende, dat zulks gevorderd wordt door de redelijkheid en de billijkheid. Voor de beperkende werking blijft een regel buiten toepassing , indien toepassing daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is . Er geldt een hogere drempel voor de beperkende werking dan voor de aanvullende werking. Als de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid een regel dwingend recht betreft, dan dienen hoge eisen te worden gesteld aan de motivering van het rechterlijk oordeel (zie het hierboven genoemde
Staalbankiersarrest).
NJ2002, 296 ( […] )).” [90]
in beginseleen aangelegenheid van het bestuur van de vennootschap. De raad van commissarissen houdt daarop toezicht. De algemene vergadering kan haar opvattingen terzake tot uitdrukking brengen door uitoefening van de haar in de wet en de statuten toegekende rechten. Dit laatste betekent
in het algemeendat het bestuur van een vennootschap aan de algemene vergadering verantwoording heeft af te leggen van zijn beleid, maar dat het, behoudens afwijkende wettelijke of statutaire regelingen, niet verplicht is de algemene vergadering vooraf in zijn besluitvorming te betrekken als het gaat om handelingen waartoe het bestuur bevoegd is. Ook is het bestuur niet verplicht de algemene vergadering
in zo’n gevalte consulteren. (Vgl. HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7972,
NJ2007/434 (
ABN Amro), rov. 4.3-4.4 en HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0976,
NJ2010/544
(ASMI),rov. 4.4.1)”.
b. De familie [F] is in het bestuur van Bosal vertegenwoordigd in de persoon van [F] junior als voorzitter van de one tier board (en tot 28 augustus 2019 voorts in de persoon van [naam] als niet uitvoerend bestuurder van Bosal en tevens bestuurder van Jenda);
c. er worden transacties verricht tussen (entiteiten van) de familie [F] en Bosal met betrekking tot aandeelhoudersleningen, IP-rechten en onroerend goed.
Verder geldt volgens de OK [112] dat, hoewel de certificaathouders geen zeggenschapsrechten hebben in Steenfabriek c.s., in deze specifieke situatie [113] genoemde zorgvuldigheidsplicht jegens de certificaathouders tevens meebrengt dat zij tijdig van tevoren worden betrokken bij bepaalde belangrijke besluiten met betrekking tot [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] en Steenfabriek, zodat hun opvattingen ter zake nog kunnen worden meegewogen bij de besluitvorming en zij daarbij dus niet achteraf voor een voldongen feit worden geplaatst. [114] Ook hier uiteraard met inachtneming van het relevante niveau (dat van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] of Steenfabriek) en ter zake betrokkenen. [115] Dit geldt te meer, omdat bij de daartoe behorende besluiten tot (verlenging van) benoeming en ontslag van bestuurders en commissarissen van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] of Steenfabriek ook de door de certificaathouders gewraakte dubbelfuncties van functionarissen aan de orde moeten kunnen worden gesteld. Het gaat ook hier [116] om een op art. 2:8 lid 1 BW Pro gebaseerde zorgvuldigheidsplicht van “ [Verzoekster] en in het bijzonder [verzoeker 6] en [verzoeker 3] ” jegens de certificaathouders, waarvoor opgeld doet wat ik uiteenzette in de vorige alinea.
Uit het voorgaande in dit 4.21.4 volgt dat de OK met die uitwerking van de op art. 2:8 lid 1 BW Pro gebaseerde zorgvuldigheidsplicht doelt op specifieke, voor [Verzoekster] extra uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 lid 1 BW Pro voortvloeiende plichten jegens de certificaathouders [117] gelet op hun kenbare en gerechtvaardigde belangen in die hoedanigheid, in aanvulling op de reguliere - dus in het algemeen geldende - wettelijke en statutaire plichten van [Verzoekster] jegens de certificaathouders. Waarover onder 4.21.2 hiervoor. En waaraan inherent is dat de OK zich daarbij niet beperkt tot hetgeen de certificaathouders als zodanig kunnen bereiken door uitoefening van - en binnen de grenzen van - de hen elders in de wet en in de statuten van Steenfabriek c.s. toegekende rechten, noch tot het kader van de algemene vergadering van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] (dan wel Steenfabriek) of de certificaathoudersvergadering van STAK.
In de bestreden beschikking zet de OK ook duidelijk uiteen [118] waarom naar haar oordeel niet is voldaan aan die voor [Verzoekster] extra uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 lid 1 BW Pro voortvloeiende zorgvuldigheidsplichten jegens de certificaathouders. Zie mede onder 4.4.5 sub a-c hiervoor.
subonderdeel 4.5.
eerste klacht, de
tweede klachten de
voetnootklachtlenen zich voor gezamenlijke behandeling. Onder 4.21.4 hiervoor gaf ik weer wat de OK ter zake - en op de keper beschouwd: gericht en gedoseerd - doet in de bestreden beschikking. Anders dan de rechtsklachten (de
eersteklacht en de
voetnootklacht) aanvoeren, geeft zij met de bestreden oordelen geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij betrek ik het feitelijke gesternte waaronder de OK dit overweegt, waarover onder 4.21.5 hiervoor. En het daarbij relevante juridische kader waaronder art. 2:8 lid 1 BW Pro, waarover onder 4.12.2-4.12.5 en 4.21.2-4.21.3 hiervoor. Dit spreekt voor zich. Daarmee blijft zij binnen de ruimte die dat gesternte en kader ter zake in combinatie laten. Daaraan doet niet af dat de OK daarmee, ingegeven door de voorliggende casus, op een doortastende en niet minimalistische wijze toepassing geeft aan art. 2:8 lid 1 BW Pro ter passende bescherming van de kenbare, gerechtvaardigde belangen van de certificaathouders in die hoedanigheid. Kortom, de rechtsklachten staan een voor een geval als het onderhavige té beperkt toepassingsbereik van deze grondnorm voor, welke opvatting geen steun vindt in het recht. Ook de motiveringsklacht (de
tweedeklacht) strandt, nog daargelaten dat deze niet uitlegt waarin de geponeerde onbegrijpelijkheid zou schuilen. Ook zonder nadere motivering is duidelijk wat de OK in deze specifieke situatie doet, waarom zij aldus oordeelt inzake de toepassing van art. 2:8 lid 1 BW Pro en dat dit niet onbegrijpelijk is gezien de in rov. 3.6 vermelde, afdoende klemmende feiten en omstandigheden van dit concrete geval. Daarbij zij nog bedacht dat de formulering van de bestreden beschikking niet van dien aard is dat men elk woord op een goudschaaltje kan en mag wegen. [131]
derde klachtloopt vast in lijn met subonderdelen 3.5-3.6, die falen. Zie onder 4.14-4.15.2 en 4.17 hiervoor. Voor zover de klacht voortbouwt op die subonderdelen, deelt deze in het lot daarvan. Ook voor het overige strandt de klacht. In rov. 3.7-3.8 legt de OK wat betreft STAK - kort gezegd - de nadruk op de verhouding tussen enerzijds STAK als enig aandeelhouder van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] (en indirect enig aandeelhouder van Steenfabriek) en anderzijds de certificaathouders, wat valt binnen de door de OK in rov. 3.5 bedoelde werkingssfeer van art. 2:8 lid 1 BW Pro bezien vanuit Steenfabriek c.s. (waarop onder meer rov. 3.7-3.8 voortbouwen). Als onlosmakelijk verbonden met en zo onvermijdelijk rakend aan (het functioneren van) STAK als aandeelhouder, omvattend genoemde verhouding, moeten in de zienswijze van de OK (ook in rov. 3.7-3.8) de in rov. 3.6 vermelde feiten en omstandigheden wat betreft STAK worden verstaan. Zie onder 4.21.4 hiervoor. Dit ontstijgt dus het beleid en de gang van zaken van STAK. Die weergave laat de OK de ruimte daarvoor zonder miskenning van enige rechtsregel of nadere motivering, mede gelet op de aanloop in rov. 3.6, tweede en derde gedachtestreepje (tegen welke achtergrond ook de laatste twee zinnen van rov. 3.6 moeten worden bezien). [132] Zie onder 4.21.5 hiervoor. Daarbij breng ik ook de laatste zin onder 4.23.1 hiervoor in herinnering. Van dit een en ander abstraheert de klacht ten onrechte, daarbij slechts redenerend vanuit een “gang van zaken
binnen(het bestuur van) STAK (…) die zich afspeelt binnen de kring van betrokkenen bij STAK als bedoeld in art. 2:8 BW Pro en geen voorwerp van enquête kan zijn”, etc., waaraan het aangevoerde bezwaar geheel wordt opgehangen. Daarmee ontvalt de bodem aan de klacht.
vierde t/m achtste klachtlenen zich eveneens voor gezamenlijke behandeling en boeken evenmin succes. Daartoe wijs ik op het volgende.
vierdeklacht betreft onder 4.21.5 sub a-c hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden. De OK baseert haar oordeel in rov. 3.7 niet slechts daarop. Noch op de gedachte dat het de bedoeling van betrokkenen was dat de certificering, met het bijbehorende verlies van zeggenschap, gepaard zou gaan met of deels ‘gecompenseerd’ zou worden door een
verdergaandinformatierecht dan de familieleden/ [Beheersmaatschappij] voorheen had(den). Bovendien is de werkelijke situatie als vastgesteld door de OK hier maatgevend, niet (een vergelijking met) een hypothetische situatie waarin geen certificering zou hebben plaatsgevonden. Zie onder 4.21.4-4.21.5 hiervoor. Daarmee ontvalt de bodem aan de klacht.
vijfdeklacht betreft onder 4.21.5 sub d hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden. De OK baseert haar oordeel in rov. 3.7 niet slechts daarop. Bovendien miskent de klacht de informatieasymmetrie waarop de OK doelt, niet zijnde de informatieasymmetrie waarvan “in de regel [sprake] is tussen, enerzijds, het bestuur en eventuele commissarissen en, anderzijds, aandeelhouders of certificaathouders” (waarbij uitgangspunt is dat aan die ongelijkheid “afdoende wordt tegemoetgekomen” door art. 2:217 lid 2 BW Pro of een statutair informatierecht). De informatieasymmetrie waarop de OK wel doelt, blijkt uit de in rov. 3.6 vermelde feiten en omstandigheden (die ook afdoende duidelijk maken waarom zij in rov. 3.7 voor dit geval tot de daar bedoelde toepassing van art. 2:8 lid 1 BW Pro komt). Zie onder 4.21.4-4.21.5 hiervoor. Daarmee ontvalt de bodem aan de klacht.
zesdeklacht betreft onder 4.21.5 sub e-f hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden. De OK baseert haar oordeel in rov. 3.7 niet slechts daarop. Bovendien miskent de klacht de dubbelfuncties waarop de OK doelt, niet ook betreffende het bestuur van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] . En dat de OK niet oordeelt dat die dubbelfuncties op zichzelf verhinderen dat [Beheersmaatschappij] “
binnende AvA van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] ” ter zake voldoende inlichtingen kan verkrijgen als bedoeld in de klacht. De dubbelfuncties waarop de OK wel doelt, blijken uit de in rov. 3.6 vermelde feiten en omstandigheden (die ook afdoende duidelijk maken waarom gerede twijfel bestaat of op Steenfabriek c.s. nog “voldoende onafhankelijk toezicht” kan worden uitgeoefend, en waarom de OK in rov. 3.7 voor dit geval tot de daar bedoelde toepassing van art. 2:8 lid 1 BW Pro komt). Daarbij verdient opmerking dat de stelling dat “ [verzoeker 3] bovendien inmiddels [is] afgetreden”, etc. een in cassatie ontoelaatbaar feitelijk novum betreft, welke stelling bovendien geen rekening houdt met het slot van rov. 3.6, vijfde gedachtestreepje. Zie onder 4.21.4-4.21.5 hiervoor. Het beroep op subonderdelen 5.2-5.4, die falen, deelt in het lot daarvan. Zie onder 4.32.1-4.32.4 hierna. Daarmee ontvalt de bodem aan de klacht.
zevendeklacht betreft onder 4.21.5 sub e-f hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden. De OK baseert haar oordeel in rov. 3.8 niet slechts daarop. Bovendien miskent de klacht de dubbelfuncties waarop de OK doelt, niet ook betreffende het bestuur van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] . En dat de OK niet oordeelt dat door die dubbelfuncties [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] in haar algemene vergadering aan de certificaathouders niet voldoende (onafhankelijk) verantwoording kan afleggen over belangrijke of voorgenomen besluiten als bedoeld in de klacht. De dubbelfuncties waarop de OK wel doelt, blijken uit de in rov. 3.6 vermelde feiten en omstandigheden (die ook afdoende duidelijk maken waarom de OK in rov. 3.8 voor dit geval tot de daar bedoelde toepassing van art. 2:8 lid 1 BW Pro komt). Daarbij verdient opmerking dat de stelling dat van de dubbelfuncties van [verzoeker 3] “inmiddels in het geheel geen sprake meer is” een in cassatie ontoelaatbaar feitelijk novum betreft, welke stelling bovendien geen rekening houdt met het slot van rov. 3.6, vijfde gedachtestreepje. Zie onder 4.21.4-4.21.5 hiervoor. Daarmee ontvalt de bodem aan de klacht.
achtsteklacht betreft onder 4.21.5 sub f hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden. De OK baseert haar oordeel in rov. 3.7-3.8 niet slechts daarop. Bovendien doet aan de betekenis van die (latere) feiten en omstandigheden nog niet af dat de certificaathouders “destijds immers”, in het belang van de continuïteit van specifiek Steenfabriek c.s., “hebben ingestemd met die governance, inclusief de administratievoorwaarden waarin is bepaald dat de certificering uitsluitend door het STAK-bestuur of op gezamenlijk verzoek kan worden beëindigd” (bezien ook in het bredere geheel van de in rov. 3.6 vermelde feiten en omstandigheden, die als gezegd afdoende duidelijk maken waarom de OK in rov. 3.7-3.8 voor dit geval tot de daar bedoelde toepassing van art. 2:8 lid 1 BW Pro komt). Zie onder 4.21.4-4.21.5 hiervoor. Het beroep op subonderdelen 5.2-5.4, die falen, deelt in het lot daarvan. Zie onder 4.32.1-4.32.4 hierna. Daarmee ontvalt de bodem aan de klacht.
subonderdeel 4.6.
eerste klachtveronderstelt dat de OK in rov. 3.7 van de bestreden beschikking uitgaat van “een verplichting
binnenhet bestuur van STAK, te weten een (ongeschreven) informatieverplichting ex art. 2:8 BW Pro van de bestuursleden van STAK jegens elkaar”. Daarmee loopt de klacht reeds vast op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van de bestreden beschikking. Daar huldigt de OK niet zo’n oordeel, maar redeneert zij wat betreft STAK in essentie vanuit een op art. 2:8 lid 1 BW Pro gebaseerde zorgvuldigheidsplicht jegens de certificaathouders van in het bijzonder aandeelhouder STAK als zodanig, hetgeen iets anders is. Zie onder 4.21.4 hiervoor. En verder de behandeling van de derde klacht van subonderdeel 4.5, onder 4.23.2 hiervoor.
tweede klachtloopt vast, in het voetspoor van de derde klacht van subonderdeel 4.5. Zie onder 4.23.2 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
subonderdeel 4.7.
eerste klachtveronderstelt dat de OK in rov. 3.8 van de bestreden beschikking uitgaat van “ongeschreven verplichtingen ex art. 2:8 BW Pro van de bestuursleden van STAK jegens elkaar”. Daarmee loopt de klacht reeds vast op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van de bestreden beschikking (in lijn dus met de eerste klacht in subonderdeel 4.6, waarover onder 4.24.1 hiervoor). Daar huldigt de OK niet zo’n oordeel, maar redeneert zij wat betreft STAK in essentie vanuit een op art. 2:8 lid 1 BW Pro gebaseerde zorgvuldigheidsplicht jegens de certificaathouders van in het bijzonder aandeelhouder STAK als zodanig, hetgeen iets anders is. Zie onder 4.21.4 hiervoor. En verder de behandeling van de derde klacht van subonderdeel 4.5, onder 4.23.2 hiervoor.
tweede klachtloopt vast, in het voetspoor van de derde klacht van subonderdeel 4.5 (en in lijn dus met de tweede klacht in subonderdeel 4.6, waarover onder 4.24.2 hiervoor). Zie onder 4.23.2 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
subonderdeel 4.8.
eerste klachtstrandt. Voor zover de klacht al uitgaat van een juiste lezing van de bestreden beschikking en daarmee feitelijke grondslag heeft, ziet deze eraan voorbij dat de OK met rov. 3.7-3.8 wel degelijk kenbaar en afdoende het in de klacht bedoelde onderscheid maakt en tot uitdrukking brengt. Zie onder 4.21.4 hiervoor, ook over de verwijzing door de OK in rov. 3.7-3.8 naar [verzoeker 6] (waarover tevens onder 4.23.2, 4.24.1 en 4.25.1 hiervoor).
tweede klachtbouwt voort op de eerste klacht (“Door het bedoelde onderscheid niet te maken”, etc.), die dus strandt. Zie onder 4.26.1 hiervoor. De onderhavige klacht gaat verder uit van een onjuiste lezing van de bestreden beschikking en mist daarmee feitelijke grondslag, omdat de OK in rov. 3.7-3.8 (of elders) niet “ [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] , Steenfabriek en/of STAK [heeft] vereenzelvigd (het identiteitsverschil tussen [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] , Steenfabriek en/of STAK [heeft] weggedacht)”. Zie onder 4.21.4 hiervoor.
derde klacht. Dit behoeft geen verdere toelichting.
qualitate quatevens voorzitter van het bestuur van de stichting administratiekantoor en is tevens voorzitter van de raad van commissarissen van de moedermaatschappij (conform wet en statuten benoemd door de algemene vergadering, dus door de stichting administratiekantoor).
subonderdeel 5.2. Dit loopt reeds vast op een onjuiste lezing van de bestreden beschikking en daarmee een gebrek aan feitelijke grondslag. Anders dan het subonderdeel veronderstelt, huldigt de OK daarin - zie rov. 3.21 - niet de opvatting dat de governance binnen een vennootschappelijke structuur als de onderhavige reeds als gebrekkig kan worden gekwalificeerd “op grond van het enkele feit” dat binnen die structuur een of meer van de in het subonderdeel sub (i)-(ii) bedoelde dubbelfuncties bestaan of mogelijk zijn (en ook daadwerkelijk aldus worden of werden ingevuld). Zie onder 4.4.5 sub b hiervoor. Laat staan - zie rov. 3.22 - als zodanig gebrekkig dat die governance op zichzelf al gegronde redenen oplevert om te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken van Steenfabriek c.s. Zie ook onder 4.4.6 hiervoor.
subonderdeel 5.3loopt reeds vast op een onjuiste lezing van de bestreden beschikking en daarmee een gebrek aan feitelijke grondslag. In rov. 3.21 brengt de OK immers niet tot uitdrukking dat “het enkele bestaan van (de mogelijkheid van) dergelijke dubbelfuncties” reeds tot gevolg heeft dat er onvoldoende ‘checks & balances’ binnen de onderhavige vennootschappelijke structuur bestaan die waarborgen dat aan de belangen van de certificaathouders tegemoet wordt gekomen en dat de governance daarom gebrekkig zou zijn. Noch overweegt zij daarin dat uit “het enkele feit” dat de houding van STAK jegens de certificaathouders [135] lijkt te worden bevorderd door de bedoelde dubbelfuncties reeds volgt dat er binnen genoemde structuur onvoldoende van zulke ‘checks & balances’ bestaan en dat die governance gebrekkig is. Zie onder 4.4.5 sub b en 4.32.1 hiervoor. Laat staan zodanig gebrekkig dat die governance op zichzelf al gegronde redenen oplevert om te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken van Steenfabriek c.s. Zie ook onder 4.4.6 en 4.32.1 hiervoor.
subonderdeel 5.4poneert, verandert het daarin sub (i)-(ii) aanvullend aangevoerde niets aan dat lot van subonderdelen 5.2-5.3. Voor zover het subonderdeel voortborduurt op die onjuiste lezingen van de bestreden beschikking, ontbeert het evenzogoed feitelijke grondslag. Hetgeen de OK in werkelijkheid tot uitdrukking brengt in rov. 3.21, waarover onder 4.4.5 sub b hiervoor, wordt - het ligt voor de hand - niet anders door dat sub (i) aangevoerde. [136] Daarop valt ter zake geen onjuiste rechtsopvatting van of ontoereikende motivering door de OK te baseren. Dat sub (ii) aangevoerde maakt dit laatste niet anders. Dat laat immers hoe dan ook onverlet dat, naar besloten ligt in rov. 3.21, de certificaathouders/ [Beheersmaatschappij] ten tijde van de in het subonderdeel bedoelde invoering van de vennootschappelijke structuur de door de OK bedoelde gebrekkige governance binnen [Verzoekster] [137] uiteraard niet voor ogen heeft gestaan, laat staan dat zij daarmee op voorhand hebben/heeft ingestemd. Zie onder 4.4.5 sub b hiervoor. Daarmee ontvalt ook de bodem aan de slotklacht dat de OK heeft miskend dat iedere vennootschap (en dus ook iedere groep) binnen de grenzen van de wet vrij is haar (vennootschappelijke) organisatie naar eigen inzicht in te richten. Niet alleen gaat het subonderdeel ook aldus uit van een onjuiste lezing van de bestreden beschikking, waarmee het feitelijke grondslag ontbeert. Die vrijheid biedt bovendien geen ‘carte blanche’ voor een gebrekkige governance en staat niet in de weg aan wat de OK inzake de gebrekkige governance van [Verzoekster] tot uitdrukking brengt in rov. 3.21.
Behandeling