Uitspraak
gevestigd te 's-Gravenhage,
gevestigd te Rotterdam,
gevestigd te Amstelveen,
gevestigd te Parijs, Frankrijk,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
de grote concurrentie met andere vormen van transport, de introductie van de ticket tax, het toekomstige Emission Trading Systemen de kosten voor de vernieuwing van de vloot. Van de door KLM aangedragen financiële onderbouwing kan niet worden gezegd dat die in redelijkheid niet verdedigbaar is. Dat KLM een en ander in voorafgaande jaren bij de uitkering van dividend niet ter sprake heeft gebracht, doet niet af aan de gelding ervan voor het jaar 2007/2008. (rov. 3.28-3.30) Financiële vergelijkingen met andere door partijen genoemde luchtvaartmaatschappijen gaan de grenzen van een geding over de aanvaardbaarheid van een dividenduitkering te buiten; VEB c.s. hebben in dit verband bovendien onvoldoende gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat het door KLM over 2007/2008 uitgekeerde dividend al te spaarzaam is geweest (rov. 3.31). Dat KLM in 2007/2008 per aandeel meer winst heeft gemaakt dan AFKLM, laat onverlet dat KLM, vanuit haar eigen financiële behoeften, op niet onverdedigbare gronden heeft kunnen besluiten om haar winst voor 90,7% te reserveren (rov. 3.32). Dat de minderheidsaandeelhouders geen, althans geen op een onafhankelijke waardering gebaseerde, reële mogelijkheid hebben om hun aandelen te verkopen, brengt het hof niet tot een ander oordeel.
De minderheidsaandeelhouders hebben uit het prospectus bij het openbaar bod kunnen afleiden dat hun aandelen moeilijk verkoopbaar zouden kunnen worden na de gestanddoening van het bod. Op KLM of haar vergadering van houders van prioriteitsaandelen rust geen (zorg)plicht om ten behoeve van de minderheidsaandeelhouders wier aandelen inderdaad niet of zeer moeilijk verkoopbaar zijn geworden, te zorgen voor een hoger dividend dan waartoe KLM overigens in redelijkheid heeft kunnen besluiten. (rov. 3.33)
Die overwegingen kunnen niet los worden gezien van de rov. 3.26-3.27, waarin de belangen van de minderheidsaandeelhouders zijn aangemerkt als onderdeel van de te verrichten belangenafweging, en van rov. 3.33, waarin het standpunt van VEB c.s. is verworpen dat KLM tot een hoger dividend had moeten besluiten omdat de minderheidsaandeelhouders hun aandelen niet kunnen verkopen. In een en ander ligt besloten dat KLM naar het oordeel van het hof de argumenten voor versterking van de reserves naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen tegen het belang van de minderheidsaandeelhouders bij de uitkering van een redelijk dividend, en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Aldus bezien geeft het bestreden oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de in art. 2:8 BW Pro neergelegde regel. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. De onderdelen 4.3 en 4.4 slagen daarom niet.
4.Beslissing
12 juli 2013.