Conclusie
1.Korte aanduiding van de zaak
2.Feiten en procesverloop
De cassatieadvocaat heeft per e-mailbericht van 18 januari 2021 op dit verzoek gereageerd. Vervolgens zijn de advocaat en de Staat in de gelegenheid gesteld zich over dit e-mailbericht van de cassatieadvocaat uit te laten. Dat heeft de advocaat op 19 januari 2021 gedaan, en de Staat op 28 januari 2021. [11]
In de zaak 200.295.200 heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en opnieuw beschikkende de Staat veroordeeld tot betaling aan betrokkene van een bedrag van € 5.865,48 als schadevergoeding. Daarnaast heeft het hof de Staat veroordeeld in de proceskosten, de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte afgewezen.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
(i) rechtsbijstand in Wvggz-zaken en de kosten daarvan;
(ii) de schadevergoedingsvordering op grond van art. 10:12 lid 3 Wvggz Pro; en
(iii) buitengerechtelijke kosten en de verhouding met proceskosten.
Voorts bespreek ik de feitelijke gang van zaken in het onderhavige geval met betrekking tot de toevoeging.
Kamerstukken II, 2008–2009, 31 758, nr. 3, blz. 8) is opgemerkt dat deze categorieën zaken voor vrijstelling in aanmerking komen omdat deze zaken worden gevoerd in het algemeen belang of in het belang van een zwakker persoon die bescherming behoeft.
Kamerstukken II, 2011–2012, 33 071, nr. 3) gaat op vier plaatsen ervan uit dat Bopz-zaken onder de geldende Wgbz zijn vrijgesteld van de heffing van griffierechten:
Dat is ook de opvatting van o.m. de rechtbank Overijssel (in een procedure op de voet van art. 10:12 lid 3 Wvggz Pro) [26] en in de literatuur. [27] Het beleid van de Hoge Raad is dat bij zaken op grond van de Wvggz geen griffierecht in rekening wordt gebracht.
(i) het aanbod van advocaten, dat cassatiezaken op grond van de Wvggz en de Wzd behandelt, beperkt is;
(ii) er in deze zaken in de praktijk sprake is van een tijdsbesteding door gespecialiseerde en ervaren advocaten die structureel uitgaat boven de door de wetgever in het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: Bvr) vastgestelde vergoeding; en
(iii) het van belang is dat rechtzoekenden op dit terrein kunnen worden bijgestaan door gespecialiseerde en op dit terrein ervaren advocaten.
Dat betekent dat alleen (de hoogte van) de vergoeding anders is.
kandus een kostenveroordeling uitspreken in een Wvggz-zaak.
Volgens Dijkers is veroordeling van een betrokkene in de proceskosten niet aan de orde, gelet op de aard van de procedure inzake verplichte zorg waarbij essentieel is dat de ziekte van een individu tot overheidsoptreden noopt. Ook voor een kostenveroordeling van het Openbaar Ministerie als verzoekende partij zal, aldus Dijkers, vrijwel nooit aanleiding zijn, mede gelet op het feit dat ambtshalve een raadsman wordt toegevoegd. [35]
mogelijkheidom de kosten van rechtsbijstand te verhalen op een derde heeft dus altijd consequenties gehad voor de toevoeging.
Analoog aan de proceskostenvergoeding breng je ook een vergoeding kosten rechtsbijstand door derden in mindering op de vaststelling. Worden de advocaatkosten volledig voldaan door een derde, dan trek je de toevoeging in op grond van artikel 34g lid 1 sub a Wrb. Je gebruikt daarvoor tekstcode 292 (verhaal kosten derde). Is sprake van een tegemoetkoming in de kosten, dan breng je deze in mindering op de vaststelling. NB. de vergoeding is op basis van commercieel tarief of op basis van gefinancierde rechtsbijstand. Het is niet mogelijk om dit te combineren.
Als je de toevoeging intrekt, dan wijs je het verzoek vergoeding af. Je gebruikt hiervoor de volgende tekst:
"U heeft een aanvraag voor een vergoeding ingediend. De Raad wijst uw verzoek af, omdat de toevoeging wordt ingetrokken op grond van artikel 34g lid 1 sub a Wrb."
Bijvoorbeeld, als er naast de schadevergoeding (Z160) ook een vergoeding van kosten van rechtsbijstand wordt toegekend, dan breng je deze kosten in mindering op de vaststelling.”
(…)
Met deze regeling inzake schadevergoeding is tevens voldaan aan artikel 5, vijfde lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dat een aanspraak op schadeloosstelling toekent aan degene die slachtoffer is geweest van een «arrest or detention» in strijd met het bepaalde in artikel 5 van Pro het Verdrag. (…) Aangezien de kwalificatie slachtoffer in artikel 5, vijfde lid, van het Verdrag, slechts van toepassing kan zijn, indien enig nadeel is geleden, moet worden aangenomen dat deze verdragsrechtelijke aanspraak op schadevergoeding slechts ontstaat in de gevallen dat enig nadeel, daaronder begrepen immateriële schade, voor de betrokkene uit het niet in acht nemen van een nationaal voorschrift is voortgevloeid.”
De aanspraak op schadevergoeding wordt door de betrokkene dus bij wege van verzoek bij de rechtbank ingediend, waarop bij beschikking wordt beslist. Hoger beroep en beroep in cassatie zijn mogelijk. [58]
Tegen deze achtergrond is het wenselijk dat komt vast te staan, dat in geval de hier bedoelde bepalingen samenlopen, omdat een procedure is aangespannen, voor de onderhavige kosten geen vergoeding op grond van artikel 6.1.9.2 kan worden toegekend, maar dat dan uitsluitend de bepalingen betreffende proceskosten van toepassing zijn.
(…).”
zijnverdisconteerd in een kostenveroordeling, maar of deze daarin
zouden kunnenzijn meegenomen.
Duka/Achmea [69] houdt in dat het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. [70]
In geen van deze beschikkingen is een proceskostenveroordeling uitgesproken.
€ 5.865,48 is op toevoegingsbasis niets vergoed gekregen. Hoewel in eerste instantie een toevoeging is verleend, is deze bij brief van 16 april 2021 op nihil gesteld en ingetrokken. De cassatieadvocaat heeft op de mondelinge behandeling toegelicht waarom de toevoeging is ingetrokken. Zij heeft hierover ook uitvoerig gecommuniceerd met de Raad voor Rechtsbijstand en de correspondentie overgelegd. (…).”
ubonderdeel 1.2klaagt, samengevat, dat het oordeel van het hof dat de kosten van betrokkene voor de rechtsbijstand in cassatie in de machtigingsprocedure vermogensschade zijn ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid in de zin van art. 6:96 lid 2 BW Pro, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onvoldoende is gemotiveerd. Met betrekking tot de motiveringsklacht wordt aangevoerd dat ook betrokkene de kosten heeft aangeduid als “advocaatkosten voor de cassatieprocedure” en dat ook uit de kostenspecificatie van de cassatieadvocaat blijkt dat al haar werkzaamheden betrekking hadden op kosten voor het voeren van een cassatieprocedure en de voorbereiding daarvan. Voor zover deze kosten toch aanvankelijk als kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in art. 6:96 lid 2 BW Pro hadden kunnen worden aangemerkt, zijn zij door het voeren van de procedure “van kleur verschoten”, aldus het subonderdeel.
subonderdeel 1.3dat het oordeel van het hof dat vergoeding van de advocaatkosten uit de machtigingsprocedure niet forfaitair kan plaatsvinden, omdat dit in strijd is met het uitgangspunt dat de benadeelde weer in dezelfde vermogenspositie moet worden gebracht als vóór de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Dit beginsel uit het schadevergoedingsrecht geldt immers niet (onverkort) voor proceskosten(veroordelingen). In een verzoekschriftprocedure is het aan het inzicht van de rechter overgelaten om te beslissen of er aanleiding bestaat een proceskostenveroordeling uit te spreken (en zo ja, voor welk bedrag). Bovendien heeft het hof volgens het subonderdeel miskend dat als er in een procedure op de voet van art. 7:7 Wvggz Pro al proceskosten zijn gemaakt ten aanzien waarvan naar het oordeel van de rechtbank of de Hoge Raad aanleiding voor een proceskostenveroordeling bestaat, een dergelijke veroordeling in beginsel beperkt zal zijn tot een forfaitair bedrag. [79]
De aan betrokkene in rekening gebrachte kosten van de cassatieadvocaat zijn gemaakt in het kader van – in de bewoordingen van Hartkamp [81] – verleende rechtsbijstand die noodzakelijk was om het niet in acht nemen van de wet te doen vaststellen. Het zijn dus art. 6:96 lid 2 BW Pro-kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Dergelijke kosten kunnen in een schadevergoedingsprocedure volledig worden gevorderd.
Tussen [betrokkene] en de cassatieadvocaat is een overeenkomst tot dienstverlening gesloten. Op 12 juni 2020 heeft de cassatieadvocaat een factuur opgemaakt voor 23,05 uren x € 210,-, totaal € 5.865,48 inclusief btw. De door de cassatieadvocaat gemaakte kosten zijn door [betrokkene] nog niet voldaan, maar dit doet niet af aan de verplichting die [betrokkene] heeft om deze kosten aan de cassatieadvocaat te voldoen. (…)”
Schade
[de cassatieadvocaat]: Pro forma rekening verzonden met als mededeling dat als de Raad de toevoeging intrekt dan (...
niet verstaan) uitgesplitst in uurtarief en uren. Dat staat op de nota. Vanwege de intrekking is [betrokkene] dus het commercieel tarief verschuldigd.”
Het vervolg van het door het subonderdeel bestreden gedeelte van rov. 5.11 bevat, zoals de Staat terecht opmerkt, slechts overwegingen ten overvloede. Ik laat behandeling van het subonderdeel dan ook achterwege.
Nu de voorgaande subonderdelen falen, faalt ook deze voortbouwklacht.