Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling
4.Beslissing
31 maart 2023.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of bij overschrijding van de in artikel 5:16 lid 1 Wvggz Pro gestelde termijn voor het mededelen van een beslissing over verplichte zorg recht bestaat op schadevergoeding. Betrokkene had een aanvraag tot verplichte zorg laten voorbereiden, maar de officier van justitie had de beslissing over het voldoen aan de criteria niet binnen de vier weken medegedeeld, waardoor de termijn met 57 dagen werd overschreden.
De rechtbank kende aan betrokkene een schadevergoeding toe wegens immateriële schade veroorzaakt door de termijnoverschrijding. De officier van justitie stelde in hoger beroep dat niet zonder meer recht op schadevergoeding bestaat en dat de termijnoverschrijding deels aan betrokkene te wijten was omdat hij vrijwillig zorg wilde accepteren, waardoor de voorbereiding werd geschorst.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en oordeelde dat de strakke termijnen in de Wvggz juist bedoeld zijn om kwetsbare personen zo min mogelijk in onzekerheid te laten. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat de omstandigheden van het geval, waaronder de risicosfeer van de termijnoverschrijding, niet relevant zijn voor het recht op schadevergoeding. Wel geldt dat geen aanspraak bestaat indien de overschrijding aan betrokkene te wijten is, maar vrijwillige zorgacceptatie vormt geen grond voor verwijtbaarheid.
De Hoge Raad wijst erop dat de rechter bij het vaststellen van de hoogte van de schadevergoeding naar billijkheid moet oordelen en dat forfaitaire bedragen kunnen worden gehanteerd. Het cassatieberoep wordt verworpen wegens gebrek aan belang van de officier van justitie, die de reeds betaalde vergoeding niet zal terugvorderen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen wegens gebrek aan belang; betrokkene heeft recht op schadevergoeding bij termijnoverschrijding.