Uitspraak
wonende te [woonplaats],
EMMEN-COEVORDEN U.A.,
gevestigd te Emmen,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de middelen
4.Beslissing
12 juni 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen erfgenaam [eiser] en Rabobank over onrechtmatig conservatoir beslag op een onverdeeld huis uit de nalatenschap van hun ouders. Rabobank had beslag gelegd op het aandeel van [A], mede-erfgenaam, waarop [eiser] kort geding startte om het beslag op te heffen. De voorzieningenrechter hief het beslag op, Rabobank ging in hoger beroep, waarna partijen een vaststellingsovereenkomst sloten.
[Eiser] vorderde vervolgens schadevergoeding wegens onrechtmatig beslag, waaronder kosten voor rechtsbijstand en andere proceskosten. De kantonrechter wees de vordering af, het hof verklaarde het beslag onrechtmatig en kende een beperkte schadevergoeding toe, maar wees volledige vergoeding van proceskosten af en beperkte zich tot het liquidatietarief.
De Hoge Raad bevestigt dat de wettelijke regeling in art. 237-240 Rv exclusief en limitatief is voor vergoeding van proceskosten bij procedures, en dat deze regeling voorrang heeft boven de algemene schadevergoedingsregels uit art. 6:96 BW Pro. Hierdoor kan niet voor alle gemaakte kosten volledige schadevergoeding worden toegekend, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden zoals misbruik van procesrecht. Het beroep van [eiser] wordt verworpen.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt verworpen en de beperkte proceskostenvergoeding volgens het liquidatietarief wordt bevestigd.