Conclusie
Overzicht
Rechtbank Noord-Hollandheeft in de zaak over de ab-inkomsten van de dga geoordeeld dat de navorderingstermijn is verlengd omdat zij in het buitenland zijn ‘opgekomen’ door hun betaling via een buitenlandse coderekening op een buitenlandse privé-rekening. De Rechtbank zag in geen van beide zaken grond voor boetevermindering in het door de belanghebbenden ingeroepen Memo omdat zij haars inziens niet ‘volledig’ hadden meegewerkt aan correcte heffing. Noch de inkeermelding, noch de nadien aan de Inspecteur gestuurde brieven maken melding van de ab-inkomsten; evenmin is documentatie verstrekt waaruit die inkomsten blijken. Pas toen de Inspecteur na eigen analyse van de gegevens op 6 oktober 2016 gerichte vragen over de herkomst van de banksaldi stelde, werden op 11 november 2016 de verhulde winstuitkeringen en de betrokkenheid van de BV alsnog gemeld.
Hof Amsterdamdat de ab-voordelen in het buitenland zijn ‘opgekomen’ in de zin van art. 16(4) AWR. Beslissend achtte het Hof de wijze waarop de winst van de BV is uitgekeerd aan de dga, i.e. op basis van on juiste facturen voor gefingeerde prestaties door een Zwitsers bedrijf en naar een bij UBS in Zwitserland aangehouden coderekening waarvoor de mede-aandeelhouder bevoegd was, waarna vanaf die coderekening de voor de dga bestemde gelden werden overgeboekt naar diens eveneens in Zwitserland aangehouden UBS-rekening. Het Hof heeft ook het oordeel van de Rechtbank onderschreven dat de belanghebbenden niet volledig hebben meegewerkt, eveneens omdat de belanghebbenden pas na daar op 6 oktober 2016 naar te zijn gevraagd, op 11 november 2016 melding van de ab-inkomsten hebben gemaakt.
In cassatievoert de BV één en de dga twee cassatiemiddel(en) aan. Volgens cassatiemiddel (i) van de dga zijn de ab-voordelen niet in het buitenland opgekomen omdat (a) zij vanuit de BV, een Nederlandse entiteit, zijn betaald, (b) vanaf een Nederlandse bankrekening op naam van de BV en (c) zowel die betalingen als de onjuiste facturen in de Nederlandse administratie van de BV zijn verwerkt. Uit HR
BNB1959/124 volgt verder dat de dga de uitdelingen genoot op het moment waarop zij aan de BV werden onttrokken. De onttrekkingen hadden hun oorsprong dus in Nederland en genieting van die onttrekkingen vond bijgevolg evenzeer plaats in Nederland, aldus de dga.
BNB2003/83 (zie 4.7 hieronder) en HR
BNB2004/367 (zie 4.10 hieronder), nu in het buitenland is betaald op zodanige wijze dat het voordeel en de verkrijging ervan aan het zicht van de fiscus werden onttrokken. Ook ’s Hofs oordeel over de boeten acht de Staatssecretaris juist: de inkeermelding zag alleen op niet aangegeven box 3-rendementsgrondslag, i.e. op niet-aangegeven vermogen. De juiste en volledige inlichtingen en gegevens zijn pas verstrekt nadat de belanghebbenden wisten of redelijkerwijs konden verwachten dat de Inspecteur ook de herkomst van dat vermogen op het spoor was op zou komen.
BNB2003/83 houdt in dat betalingen door een binnenlandse debiteur niet in het buitenland opkomen tenzij die betalingen rechtstreeks aan de belastingplichtige in het buitenland worden gedaan, hetgeen in die zaak niet het geval was, maar in de zaak van onze dga wél: de BV heeft rechtstreeks op basis van Zwitsers ogende valse facturen winsten aan de dga betaald op een Zwitserse coderekening. HR
BNB2004/367 houdt in dat opbrengsten niet buitenslands opkomen als de opbrengst-genererende transacties worden uitgevoerd op een rekening bij een Nederlandse bank en enkel het beheer van die Nederlandse rekening zich in het buitenland afspeelt. Ook daarmee is ons geval niet vergelijkbaar, nu hij en zijn mede-aandeelhouder de rekening(en) waarop zij de BV rechtstreeks lieten betalen, bij UBS in Zwitserland aanhielden. De zaak HR
BNB2006/64 is evenmin vergelijkbaar omdat zowel de betaling als de ontvangst zich in die zaak in Nederland afspeelden, terwijl de dga zich rechtstreeks in Zwitserland heeft laten betalen. Ook de vergelijking met het IJssalon-arrest HR
BNB2018/87 gaat mank omdat de exploitanten van die salon de Nederlandse contante omzet van hun Nederlandse ijssalon verzwegen en die verstopten in een Nederlandse bankkluis; dat zij later besloten het zwarte geld naar het buitenland te verplaatsen, maakte niet dat de in Nederland onttrokken én ontvangen contante omzet alsnog buiten Nederland zou zijn opgekomen. De Zwitsers ogende valse facturen en de rechtstreekse betalingen op Zwitserse (code)rekening(en) geven de ab-voordelenstroom van de dga wél een duidelijk buitenlandse aspect. Ook in HR
BNB2018/88 (Interieurwinkel) tenslotte, ontbrak het buitenlandse aspect tussen opkomst, route en ontvangst van de inkomsten dat in de zaak van de dga juist prominent aanwezig is.
BNB2010/333 betrof opbrengsten van buitenlandse handels-transacties die in contanten in Polen waren ontvangen door de directeur ener BV en die met onjuiste kwalificatie (‘dividend’) door hem op een Nederlandse bankrekening van die BV werden gestort. Voldoende voor verlenging van de navorderingstermijn achtte u (i) de buitenlandse bron van de handelsvordering en (ii) de onttrekking aan het zicht van de fiscus door de wijze van betaling ervan (contant in Polen). Het geval van onze dga is daarvan het geografische spiegelbeeld: de rechtstreekse ontvangst in Zwitserland van het ab-voordeel en de onttrekking aan het zicht van de fiscus door de wijze van uitbetaling (Zwitsers ogende valse facturen; Zwitserse coderekening) zijn dan evenzeer voldoende om de verlenging van de navorderingstermijn doen activeren. In HR
BNB2015/225 ten slotte, ging het niet om het ‘opkomen’ van inkomsten, maar om het ‘aanhouden’ van vermogen in het buitenland. Dat het buitenlandse vermogen mogelijk vanuit Nederland werd beheerd, deed niet ter zake omdat dat niet wegnam dat het vermogen in het buitenland werd aangehouden. In het geval van onze dga neemt dan het gegeven dat diens ab-voordeel vanuit Nederland werd betaald, niet weg dat dat voordeel aan hem in Zwitserland opkwam omdat hij het zich rechtstreeks daar op een UBS-rekening liet uitbetalen op basis van ogenschijnlijk Zwitserse facturen.
2.De feiten en het geding bij de feitenrechters
De feiten
Bundesblattvan 22 september 2015. De Nederlandse fiscus verzocht de Zwitserse belastingdienst om een overzicht van UBS-rekeninghouders met een woonadres in Nederland die ondanks een schriftelijk verzoek van UBS onvoldoende hadden aangetoond dat zij aan de belastingwetgeving gehoor gaven, met name om voorna(a)m(en), achternaam, woonadres, geboortedatum, bankrekeningnummer(s) en saldi op hun rekeningen boven € 1.500 op 1 februari 2013, 1 januari 2014 en 31 december 2014.
1. Achtergrond
2.Berekening
3.Stukken
4.Vervolg
BNB2018/87 (zie 4.19 hieronder). De navorderingsaanslagen zijn volgens de Rechtbank dan ook terecht opgelegd:
Kamerstukken II1989/90, 21423, nr. 3, blz. 2-3; PJW] en jurisprudentie [HR
BNB2003/214, HR
BNB2004/367 en HR
BNB2006/63; PJW] af dat voor de beantwoording van de vraag waar een voordeel is opgekomen in de zin van artikel 16, vierde lid, AWR, de oorsprong van dat voordeel niet beslissend is (zie [HR
BNB2003/214, HR
BNB2004/367]). Ook de plaats waar de betaling wordt ontvangen, is niet zonder meer beslissend (zie [HR
BNB2006/63]). Gelet op de strekking van deze bepaling gaat het er bij uit het buitenland stammende inkomensbestanddelen om of die inkomensbestanddelen, door de wijze waarop de belastingplichtige zich deze laat betalen, buiten het zicht van de Nederlandse fiscus zijn gebleven. Uit het buitenland stammende voordelen die rechtstreeks worden overgemaakt naar een Nederlandse bankrekening die door de belastingplichtige in alle openheid wordt aangehouden voor zijn bedrijfsontvangsten, vallen daarom niet onder de verlengde navorderingstermijn (zie [HR
BNB2006/63]). Aan de andere kant vallen uit Nederland stammende voordelen die door de wijze van betaling in het buitenland buiten het zicht van de Nederlandse fiscus worden gehouden, wél onder de verlengde navorderingstermijn (zie [HR
BNB2003/214, HR
BNB2004/367]). Indien het inkomensbestanddelen (of winstbestanddelen) betreft waarvan de verwerving en ontvangst geen enkel aanknopingspunt hebben met een ander land dan Nederland, dan kan niet worden gezegd dat die inkomensbestanddelen zijn opgekomen in het buitenland (zie het door de rechtbank in rechtsoverweging 24 vermelde arrest [HR
BNB2018/87]).
BNB2018/87,] IJssalon en [HR
BNB2018/88] Interieurwinkel) gaat niet op. Anders dan in de casus van die arresten heeft de ontvangst van de middellijke winstuitdelingen in het onderhavige geval wél een aanknopingspunt met een ander land dan Nederland. Belanghebbende heeft zich deze gelden immers laten uitbetalen op zijn bij UBS in Zwitserland aangehouden bankrekening.
BNB2006/63]. In de casus van dat arrest werd de door belanghebbende verkregen vergoeding rechtstreeks door de buitenlandse debiteur overgemaakt naar de Nederlandse bankrekening. In het onderhavige geval zijn de gelden daarentegen eerst via een coderekening overgeboekt naar de UBS-rekening van belanghebbende; daarna is een deel van die gelden vanuit Zwitserland overgeboekt naar de bankrekening van een zakenrelatie in Uruguay (zie de beschreven gang van zaken in de eerdergenoemde brief van de inspecteur van 23 oktober 2018) en vanaf die rekening op een later tijdstip overgeboekt naar een Nederlandse bankrekening op naam van belanghebbende. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende in zijn aangifte over de desbetreffende jaren (dan wel op andere wijze) aan de Belastingdienst alsnog het door hem genoten inkomen uit aanmerkelijk belang heeft verantwoord. Zoals hierna wordt overwogen, acht het Hof niet aannemelijk dat belanghebbende op een eerdere datum dan bij brief van 11 november 2016 aan de inspecteur melding gemaakt [heeft] van de door hem in eerdere jaren verzwegen reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang.“
3.Het geding in cassatie
BNB1959/124 [4] volgt volgens de dga dat het genietingstijdstip bij de ab-houder is het moment waarop het vermogen aan de vennootschap wordt onttrokken. Die onttrekking vindt in casu haar oorsprong in Nederland en bijgevolg wordt de uitdeling evenzeer in Nederland genoten. Doel en strekking van art. 16(4) AWR nopen niet tot een andere conclusie, nu de BV en haar bankrekening en administratie zich in Nederland bevonden en de Inspecteur dus geen controlemogelijkheden en bevoegdheden tekort kwam.
verweerstelt de Staatssecretaris ad middel (i) dat uit de door het Hof vastgestelde feiten volgt dat gelden door de BV via een gefingeerde Zwiterse relatie op een buitenlandse bankrekening zijn gestald, waarna de dga zijn aandeel in de onttrekking door overboeking van de ene naar een andere buitenlandse bankrekening genoot. Het Hof kon en mocht deze gang van zaken aanmerken als opkomen van inkomsten in het buitenland. Dat strookt zijns inziens met HR
BNB2003/83 [5] (zie 4.7 hieronder), nu aan de dga in het buitenland werd betaald op een wijze die belastbaarheid aan het oog van de Belastingdienst onttrok. Ook HR
BNB2004/367 [6] (zie 4.10 hieronder) steunt volgens hem ’s Hofs oordeel, nu het ab-voordeel en de verkrijging ervan via het buitenland aan het oog van de Belastingdienst zijn onttrokken. Anders dan in HR
BNB2018/87 (zie 4.19 hieronder) bestaan in casu wél aanknopingspunten met een ander land dan Nederland: de BV heeft de bedragen eerst als fictieve kosten naar een Zwiterse bankrekening overgemaakt en vervolgens is de dga vanaf die buitenlandse rekening op een eigen Zwiterse bankrekening betaald.
4.De navorderingstermijn
De wettekst en -geschiedenis
Reitsmaen
De Gravebepleitten in 1986 bij motie een onbeperkte navorderingstermijn in geval van te lage heffing in verband met bezittingen en inkomsten daaruit in het buitenland. [7] De regering koos vervolgens enerzijds voor een beperkte navorderingstermijn van twaalf jaar en anderzijds voor een ruimer object van navordering: niet alleen ter zake van vermogen(sinkomsten). De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel ‘Verlenging van de in de AWR vervatte termijn van navordering voor vermogens- en inkomensbestanddelen in het buitenland’ vermeldt: [8]
Het voorstel
2.1. De navorderingstermijn
Xen
Passenheim van Schoot [11] en
Commissie/Spanje. [12]
BNB2003/83 [13] ging u voor het eerst in op de vraag of vermogensbestanddelen in het buitenland waren gehouden c.q. inkomensbestanddelen in het buitenland waren opgekomen. U achtte de verlengde navorderingstermijn niet van toepassing omdat de debiteur zich in Nederland bevond en de betalingen niet in het buitenland waren gedaan:
BNB2003/84) annoteerde:
FED2003/214) achtte de uitkomst alleszins aanvaardbaar:
BNB2004/367 [14] oordeelde u in het voordeel van de belastingplichtige. Het Hof Amsterdam [15] had vastgesteld dat de litigieuze bankrekening werd aangehouden bij een Nederlands bankkantoor, dat de aandelentransacties op die rekening in Nederland werden uitgevoerd en geadministreerd, dat de winsten in Nederland contant werden opgenomen van die rekening en dat die opnamen werden geregistreerd door de AEX, waaruit het Hof afleidde dat alles zich in Nederland afspeelde. Het enkele feit dat de rekening bij de Nederlandse bank vanuit het buitenland werd beheerd, was onvoldoende om de verlengde navorderingstermijn van toepassing te doen zijn. U was het daarmee eens:
BNB2006/63 (zie 4.14 hieronder), dat u de verlengde navorderingstermijn (wél) van toepassing acht als inkomsten in Nederland zijn ontstaan maar naar een buitenlandse bankrekening zijn betaald. Het Hof ’s-Gravenhage had in die zaak als volgt overwogen:
BNB2006/63 [17] ging het om een buitenlandse debiteur, maar u achtte art. 16(4) AWR niet van toepassing omdat die debiteur rechtstreeks had betaald op een ‘in alle openheid’ aangehouden Nederlandse bankrekening van de belastingplichtige. Wel overwoog u dat ‘opkomen in het buitenland’ zich onder (andere) omstandigheden wel voor kan doen als degene die in het buitenland recht heeft op de betaling zich in Nederland laat betalen:
BNB2006/64 [18] betrof door een Duitse GmbH aan de Nederlandse B BV verschuldigde provisies voor commissionairsdiensten. B BV was gevoegd met A BV. De belanghebbende in deze zaak was directeur van A BV. De GmbH betaalde B BV met cheques, die B BV na vermelding van een bankrekeningnummer en ondertekening naar een bank in Nederland stuurde. Op sommige cheques werd het bankrekeningnummer van de belanghebbende vermeld; die werden aan hem op zijn privé-rekening uitbetaald. Ook in dit geval achtte u de verlengde navorderingstermijn niet van toepassing omdat de Duitse betalingen niet aan de belanghebbende waren gedaan, maar aan B BV en de belanghebbende de betalingen in Nederland ontving vanuit de Nederlandse BV:
NTFR2005/1323 beide arresten als volgt:
Conclusies na drie arresten[HR
BNB2001/319, HR
BNB2003/83 en HR
BNB2004/367; PJW]
Hoofdstukken formeel belastingrecht, Amersfoort: Sdu Fiscale & Financiële Uitgevers 2005, par. 3.5.2, p. 53):
BNB2006/63; PJW]
BNB2006/64; PJW]
BNB2001/319, HR
BNB2003/83, HR
BNB2004/367, HR
BNB2006/63 en HR
BNB2006/64; PJW]
BNB2006/63 (zie 4.11 hierboven) leidt
Spek(noot in
BNB2006/63) een subjectief element af:
V-N2005/34.12 [zie 4.10 hierboven; PJW]. Daarmee krijgt het begrip 'opkomen van inkomsten in het buitenland' een eigen betekenis in situaties waarin het opkomen en het genieten van de inkomst deels in Nederland en deels in het buitenland heeft plaatsgevonden.
BNB2006/64c* volgt, dat de verruimde navorderingstermijn niet geldt voor een inkomst die zijn oorsprong vindt in Nederland en ook daar wordt genoten.
V-N2005/34.12 leid ik een subjectief element in de toets af. Daarmee voorkomt de Hoge Raad dat het toepassen van de verruimde navorderingstermijn wordt verhinderd door het enkele feit dat er zich binnen Nederland gegevens bevinden die de Nederlandse fiscus bekend hadden kunnen zijn.”
BNB2006/64) had zich kunnen voorstellen dat de zaak HR
BNB2006/64 (zie 4.12 hierboven) in het voordeel van de fiscus was afgelopen:
BNB2006/63c* volgt de conclusie, dat de oorsprong van de inkomst noch de plaats van genieten doorslaggevend is voor de toepassing van de verruimde navorderingstermijn van art. 16, vierde lid, AWR, als een van deze plaatsen zich in Nederland bevindt. Het criterium is dan of de inkomsten buiten het zicht van de fiscus zijn gebleven. Met dit arrest in het achterhoofd lijkt het hoger beroep van de staatssecretaris in de hierboven genoemde procedure kansrijk.
BNB2006/63c* de verruimde navorderingstermijn toe te passen. Het is dan weliswaar een stap verder, maar geen verwonderlijke stap, als de Hoge Raad ook in dit arrest de inkomst aangemerkt zou hebben als opgekomen in het buitenland.”
BNB2010/333 [21] betrof opbrengsten van Pools-Russische handelstransacties die in contanten in Polen waren ontvangen door de directeur van de belanghebbende BV en die met misleidende omschrijving (‘dividend Polen’) door hem op een Nederlandse bankrekening van de belanghebbende BV werden gestort, die de betaling als vrijgesteld deelnemingsdividend had aangemerkt. U achtte de verlengde navorderingstermijn in dit geval wél van toepassing op basis van (i) de buitenlandse oorsprong van de bedragen en (ii) de onttrekking aan het zicht van de Nederlandse fiscus:
BNB2010/333):
BNB2006/63c* en het arrest HvJ EG 11 juni 2009, C-155/08 en C-157/08, X en Passenheim-van Schoot [24] ,
BNB2009/222*, is het niet onwaarschijnlijk dat een belastingplichtige die in alle openheid de oorsprong en het genieten van de buitenlandse inkomst in zijn administratie verwerkt en deze inkomst daarmee in het zicht van de inspecteur brengt, niet geconfronteerd zal worden met de (volle lengte van de) twaalfjaars navorderingstermijn. Als art. 16, vierde lid, AWR op deze wijze wordt uitgelegd, dient wel recht te worden gedaan aan een van de invoeringsargumenten van art. 16, vierde lid, AWR, namelijk dat het inwinnen van informatie in het buitenland door de inspecteur meer tijd vergt dan een binnenlands onderzoek.
BNB2006/63c* [27] . In beide arresten betreft het een inkomst waarvan de oorsprong in het buitenland is gelegen en waarvan de inkomst onder een fiscaal onjuiste noemer in de administratie en de aangifte is verwerkt. In het arrest
BNB2006/63c* betreft het echter een in alle openheid gepresenteerde overboeking tussen twee vennootschappen waarop al dan niet de deelnemingsvrijstelling van toepassing was, terwijl in het onderhavige arrest het de opbrengst betreft van een, vooralsnog vage, Pools-Russische handelstransactie in metalen die (mogelijk) versluierd als een dividend in contanten in de Nederlandse boekhouding is verwerkt.”
FED2011/17) vond het verschil in uitkomst met HR
BNB2006/63 (zie 4.11 hierboven) moeilijk te verklaren:
V-N2010/53.11 nam u in HR
BNB2010/333 afstand van de in de literatuur veronderstelde subjectivering van het begrip ‘opkomen’ en sloot u meer aan bij de wettekst; ook deze redactie vond het verschil in uitkomst tussen HR
BNB2006/63 en HR
BNB2010/333 moeilijk te verklaren:
BNB2006/63 gesuggereerd, dat de rechtspraak een zekere subjectivering van het begrip 'opkomen' laat zien. Doordat de rechtspraak van belang acht dat de ontvangst van de voordelen 'buiten het zicht van de fiscus' wordt gehouden, onderscheidenlijk dat de belastingplichtige de bankrekening waarop de voordelen zijn ontvangen, 'in alle openheid naar de Belastingdienst toe aanhield', wordt de intentie van de belastingplichtige (mede) bepalend voor het antwoord op de vraag of de verlengde navorderingstermijn van toepassing is. De Hoge Raad lijkt met dit arrest afstand te nemen van deze (vermeende) subjectivering en zich strikter aan de tekst van art. 16, vierde lid, AWR te houden. In elk geval maakt de Hoge Raad de in het arrest BNB 2006/63 gegeven beperking van gevallen waarvoor de twaalfjaarstermijn niet geldt, niet ruimer.
NTFR2010/2436) concludeerde dat u niet relevant achtte of de omschrijving van de storting correct was:
BNB2015/225 [28] betrof een geval omgekeerd aan dat van HR
BNB2004/367 (zie 4.10 hierboven): er werd vermogen in het buitenland aangehouden, maar het
beheerervan bevond zich in Nederland. De belanghebbende meende dat daarom de navorderingstermijn niet werd verlengd. Noch het Hof ’s-Hertogenbosch, noch u ging daarin mee:
FED2015/99) achtte wettekst noch rechtspraak rechtszeker op het punt van de vraag in welke gevallen de navorderingstermijn wel c.q. niet verlengd wordt:
BNB2006/63).
BNB2003/83,
BNB2004/367, en
BNB2006/63 viel het eindoordeel voor de belanghebbende gunstig uit. Steeds weer dienen deze arresten zorgvuldig te worden gelezen, terwijl een belastingplichtige idealiter zou moeten kunnen volstaan met een blik te werpen op de wettekst om te bezien of hij of zij ‘uit de gevarenzone’ is. Of iemand kwaadwillend is, acht ik daarbij niet van belang. Dat speelt in art. 70 Sr Pro (verjaring van strafbare feiten) evenmin een rol. Het legaliteitsbeginsel behoort mijns inziens voorop te staan in het belastingrecht, zeker als het gaat om navorderingstermijnen.”
BNB2018/87 [29] ) en het Interieurwinkel-arrest (HR
BNB2018/88 [30] ). De belanghebbenden in het IJssalon-arrest exploiteerden – jawel - een IJssalon in Nederland. Zij hadden de contante salonomzet niet aangegeven en gestald in een Nederlandse bankkluis. Later hebben zij de contante bedragen op een Zwitserse bankrekening gestort. U achtte art. 16(4) AWR niet van toepassing omdat de contante omzet in het buitenland was gegenereerd noch ontvangen:
BNB2018/87) concludeerde dat de uitkomst wordt verklaard door de omstandigheden dat noch de oorsprong van de winst, noch de ontvangst ervan door de exploitanten enig buitenlands aspect had:
BNB2004/367 dat de wetgever (mede) “het oog heeft gehad (…) op in Nederland verkregen inkomsten die naar een rekening in het buitenland zijn overgeboekt” te verhelderen. Het gaat daarbij om situaties waarin rechtstreeks op een buitenlandse rekening wordt betaald en dus niet om gevallen waarin het overboeken plaatsvindt na de ontvangst in Nederland. Deze benadering van de Hoge Raad lag naar mijn mening voor de hand. In de omgekeerde situatie – uitbetaling van een buitenlandse vordering in contanten, gevolgd door storting op een in de aangifte verantwoorde Nederlandse bankrekening – had hij immers reeds in
BNB2010/333* beslist dat de op de uitbetaling volgende storting niet afdeed aan de bevoegdheid van de inspecteur om met toepassing van de verlengde termijn na te vorderen.”
BNB1959/124, [31] waaruit zijns inziens volgt dat het genietingstijdstip bij de ab-houder is het moment waarop het naar de ab-houder verschoven BV-vermogen wordt onttrokken aan de BV. De volgens hem relevante rechtsoverweging luidt als volgt:
De omvang van de boeten; ‘volledig meewerken’ volgens het Memo aandachtspunten verhuld vermogen
11.3.7 Recidive (opvolgende inkeer)
225%(box 3 vanaf 2 juli 2009) en
75%(overig) kunnen rechtvaardigen.
300%(box 3 vanaf 2 juli 2009) en
100%(overig) kunnen rechtvaardigen.”
BNB1990/194 [40] – over de Leidraad administratieve boeten; de voorloper van het BBBB – volgt dat dat de toepassing van gepubliceerde beleidsregels als ‘recht’ in de zin van art. 79 Wet Pro RO in cassatie getoetst kan worden als die regels het bestuursorgaan op grond van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur binden en zich naar hun inhoud en strekking ertoe lenen jegens de bij de desbetreffende regeling betrokkenen als rechtsregels te worden toegepast. Tot toepassing van ambtswege is de rechter niet gehouden, maar wel bevoegd, mits hij daarmee niet buiten het geschil gaat.
BNB2021/95 [41] blijkt dat dit ook geldt ter zake van intern beleid dat via een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (thans: de Wet open overheid) openbaar is gemaakt als het Hof zich daarover heeft uitgelaten, zoals het Hof in onze zaken heeft gedaan ter zake van het Memo. U overwoog in die zaak, over via de WOB openbaar geworden intern beleid inzake berekening van belastingrente:
BNB2011/206, [43] maar in die zaak was niet in geschil of de betrokken belastingplichtigen al dan niet meewerkten. Met ‘meewerkers’ bedoelde u in die zaak “belastingplichtigen die informatie omtrent hun rekening(en) in het buitenland hadden verstrekt” en “belastingplichtigen die zich hadden gemeld in verband met het aanhouden van buitenlandse tegoeden”. Het ging dus om de aanduiding van een groep en niet om een interpretatie van de term ‘meewerken’, al dan niet ‘volledig.’
6.4.4. De wijze waarop het feit is begaan (Hoe)
10.6 Ernst van de gedraging
6.Beoordeling van de middelen
BNB2003/83, HR
BNB2004/367, HR
BNB2006/64, HR
BNB2018/87 (IJssalon) en HR
BNB2018/88 (Interieurwinkel) achtte u de verlengde navorderingstermijn niet van toepassing en in de zaken HR
BNB2010/333 en HR
BNB2015/33 achtte u de termijnverlenging wél van toepassing.
BNB2003/83 oordeelde u dat betalingen door een binnenlandse debiteur niet in het buitenland opkomen tenzij die betalingen rechtstreeks aan de belastingplichtige in het buitenland worden gedaan, hetgeen niet het geval was. Bij onze dga is dat wél het geval: de BV heeft rechtstreeks en op basis van Zwitsers ogende valse facturen aan de beide mede-aandeelhouders op hun code-rekening bij UBS betaald, van waaraf zij in Zwitserland doorbetaalden naar hun privé-rekeningen, eveneens bij UBS. In HR
BNB2004/367 oordeelde u dat geen sprake is van ‘opkomen’ in het buitenland als effectentransacties op een Nederlandse rekening bij een Nederlandse bank worden uitgevoerd en enkel het beheer van die Nederlandse rekening zich in het buitenland afspeelt. Ook met dat geval is onze dga niet vergelijkbaar, nu hij en zijn mede-aandeelhouder de rekening(en) waarop zij de BV rechtstreeks lieten betalen, bij UBS in Zwitserland aanhielden. De zaak HR
BNB2006/64 (Duitse provisies ontvangen door een Nederlandse BV worden door die BV geheel binnen Nederland deels doorbetaald aan de directeur van een gelieerde BV) is evenmin vergelijkbaar omdat zowel de betaling door de ene BV als de ontvangst door de directeur van de andere BV zich in Nederland afspeelden, terwijl onze dga zich daarentegen rechtstreeks in Zwitserland heeft laten betalen. Ook de vergelijking met uw IJssalon-arrest HR
BNB2018/87 gaat mank omdat de ijssalonexploitanten de Nederlandse contante omzet van hun Nederlandse ijssalon in Nederland verzwegen en in een Nederlandse bankkluis verstopten; dat zij later besloten hun zwarte geld naar het buitenland te verplaatsen, maakte uiteraard niet dat hun daaraan voorafgaande winstonttrekking en -verzwijging alsnog een niet-Nederlands aspect kreeg. De Zwitsers ogende valse facturen en de rechtstreekse betalingen op de Zwitserse (code)rekening(en) van de (mede-aandeelhouder van) de dga hebben evident wél een zeer Zwitsers aspect. Ook in HR
BNB2018/88 (Interieurwinkel) tenslotte, ontbrak het buitenlandse aspect tussen opkomst,
routingen ontvangst van de betalingen dat in de zaak van onze dga juist prominent aanwezig is. Uit niets bleek (de Inspecteur maakte niet aannemelijk) dat de op Luxemburgse bankrekeningen gestorte winstbedragen die de erflater had opgebiecht, ergens anders vandaan kwamen dan uit diens Nederlandse interieurwinkel en uit niets bleek dat hij die bedragen niet in Nederland had ontvangen (en pas later overgebracht naar Luxemburg, net als de ijssalonexploitanten).
BNB2010/333 ging het om opbrengsten van Pools-Russische handelstransacties die in contanten in Polen waren ontvangen door de directeur van de belanghebbende BV en die met onjuiste kwalificatie (‘dividend Polen’) door hem op een Nederlandse bankrekening van de belanghebbende BV werden gestort, die de betalingen als vrijgesteld deelnemingsdividend presenteerde. De buitenlandse bron van de vordering en de onttrekking aan het zicht van de fiscus door de wijze van betaling ervan (contant in Polen), waren voldoende om de vordering onder de verlengde navorderingstermijn te doen vallen. Het geval van onze belanghebbende is het spiegelbeeld: de ontvangst in Zwitserland van het ab-voordeel en de onttrekking ervan aan het zicht van de fiscus door de wijze van uitbetaling (Zwitsers ogende valse facturen; Zwitserse code-rekening) zijn dan evenzeer voldoende om de verhulde ab-voordelen onder de verlengde navorderingstermijn te doen vallen. In HR
BNB2015/225 ten slotte, ging het niet om het ‘opkomen’ van inkomsten, maar om het ‘aanhouden’ van vermogen in het buitenland. Dat het in het buitenland verhulde vermogen mogelijk vanuit Nederland werd beheerd, deed niet ter zake omdat dat niet wegnam dat het vermogen in het buitenland werd aangehouden. Voor zover een vergelijking tussen aanhouden van vermogen en opkomen van inkomsten en daarmee tussen die zaak en onze zaak mogelijk is, geldt dan dat in het geval van onze dga niet ter zake doet dat de betaling van het ab-voordeel vanuit Nederland plaatsvond omdat die omstandigheid niet wegneemt dat dat voordeel aan hem in Zwitserland is opgekomen omdat hij het zich rechtstreeks daar op een coderekening heeft laten uitbetalen op basis van Zwitsers ogende valse facturen.