ECLI:NL:HR:2010:BN9666
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- E.N. Punt
- P.M.F. van Loon
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt uitspraak over navorderingsaanslag vennootschapsbelasting en verwijst zaak
Belanghebbende kreeg een navorderingsaanslag opgelegd over 1992, die na bezwaar werd gehandhaafd door de Inspecteur. Het Gerechtshof Amsterdam vernietigde deze aanslag, maar de Hoge Raad vernietigde dit arrest en verwees de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Dit Hof vernietigde opnieuw de aanslag, waarna de Staatssecretaris beroep in cassatie instelde bij de Hoge Raad.
De kern van het geschil betrof de uitleg van artikel 16, lid 4, AWR, met name of sprake was van een in het buitenland opgekomen inkomensbestanddeel. Het Hof oordeelde dat dit niet het geval was, omdat de opbrengst van buitenlandse handelstransacties via de directeur op een Nederlandse bankrekening was gestort.
De Hoge Raad oordeelde echter dat het feit dat de opbrengst in contanten in het buitenland werd uitbetaald en daarmee aan het zicht van de Nederlandse fiscus werd onttrokken, voldoende is om te spreken van een in het buitenland opgekomen inkomensbestanddeel. Dit oordeel leidde tot vernietiging van het arrest van het Hof en verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem voor verdere behandeling van onbehandelde geschilpunten.
Het incidentele cassatiemiddel van belanghebbende werd ongegrond verklaard. De Hoge Raad sprak geen kostenveroordeling uit en liet het aan het verwijzingshof over om te beslissen over eventuele proceskostenvergoedingen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem voor verdere behandeling.