ECLI:NL:HR:2005:AT5950
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt vernietiging navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 1992 wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende, een in Nederland gevestigde vennootschap, had in 1992 een prêt participatif verstrekt aan een Franse dochtermaatschappij, B SA. De vergoeding uit deze lening werd door B rechtstreeks overgemaakt naar de Nederlandse bankrekening van belanghebbende. In eerste instantie werd de vergoeding als winstbestanddeel in het buitenland aangemerkt en niet belast.
De Inspecteur legde later een navorderingsaanslag op voor 1992, stellende dat de opbrengst niet onder de deelnemingsvrijstelling viel. Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en vernietigde de navorderingsaanslag, omdat het voordeel niet in het buitenland was opgekomen in de zin van artikel 16 lid 4 AWR Pro.
De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof de wettelijke bepaling niet te beperkt had uitgelegd, maar dat de feiten geen andere conclusie toelieten dan dat de vergoeding transparant en rechtstreeks op de Nederlandse rekening was ontvangen. Hierdoor was artikel 16 lid 4 AWR Pro niet van toepassing en was de navorderingstermijn verstreken.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde de Staat in de proceskosten. Hiermee werd de vernietiging van de navorderingsaanslag definitief bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de vernietiging van de navorderingsaanslag wegens verstreken navorderingstermijn.