ECLI:NL:GHAMS:2012:BX1532
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen navorderingsaanslagen en boetes wegens niet opgegeven buitenlandse banktegoeden
Belanghebbende werd geconfronteerd met navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en vermogensbelasting over de jaren 1992 tot en met 2000, inclusief verhogingen en boetes van 100%, vanwege het niet opgeven van buitenlandse banktegoeden bij een Duitse bank. Na ontvangst van informatie van Duitse fiscale autoriteiten stelde de inspecteur navorderingsaanslagen vast, waarbij belanghebbende niet meewerkte aan het verstrekken van gegevens.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het Gerechtshof Amsterdam vernietigde deze uitspraak. Het Hof oordeelde dat de inspecteur met redelijke voortvarendheid handelde na ontvangst van de Duitse informatie (Mitteilungen) in 2003 en dat de navorderingsaanslagen terecht ook na de reguliere termijn werden vastgesteld. De geschatte vermogens voor 1993 en 1994 werden als redelijk beoordeeld, mede door toepassing van omkering van de bewijslast vanwege het niet beantwoorden van vragen door belanghebbende.
Het Hof stelde vast dat het opzet van belanghebbende bewezen was, maar dat de strafverzwarende omstandigheden niet zodanig ernstig waren om boetes van 100% te rechtvaardigen. Daarom werden de boetes en verhogingen verminderd tot 40% vanwege de ernst van het feit en overschrijding van de redelijke termijn. Tevens werd het onderzoek heropend voor een nadere uitspraak over immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de hoger beroepsfase.
Uitkomst: Navorderingsaanslagen worden gehandhaafd, boetes en verhogingen verminderd tot 40%, en onderzoek naar immateriële schadevergoeding wordt heropend.