In deze zaak stond centraal of de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR van toepassing is op bedragen die in Nederland zijn verdiend maar later op een buitenlandse bankrekening zijn gestort. De erflater, een ondernemer met een interieurwinkel en vaste marktstandplaatsen in Nederland, had winst uit onderneming aangegeven, maar meldde pas in 2014 via de inkeerregeling buitenlandse bankrekeningen bij BNP Paribas Luxemburg.
De Inspecteur legde navorderingsaanslagen op voor de jaren 2004, 2006 en 2007, waarbij het geschil zich richtte op de toepassing van de verlengde navorderingstermijn voor de stortingen op de buitenlandse rekeningen. De Rechtbank oordeelde dat de Inspecteur niet aannemelijk had gemaakt dat de stortingen afkomstig waren uit in het buitenland opgekomen winst, en verklaarde het beroep van erflater gegrond.
De Hoge Raad bevestigde dat de omkering van de bewijslast niet geldt voor de vraag of de verlengde navorderingstermijn van toepassing is. De Inspecteur moet aannemelijk maken dat de winst in het buitenland is opgekomen. Omdat dit niet was gebeurd, werd het beroep van de Inspecteur ongegrond verklaard. Het incidenteel beroep van erflater verviel, en de Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten.