Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
Koot Beheer/Tideman q.q. [1] heeft de Hoge Raad van het (niet in de wet of de wetsgeschiedenis gedefinieerde) begrip boedelschuld een definitie gegeven, die in volgende arresten is herhaald. Volgens die definitie zijn boedelschulden (onder meer) schulden die een gevolg zijn van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verplichting. Hiervan uitgaande geldt dat indien de curator geen gevolg geeft aan een hem in zijn hoedanigheid opgelegde last onder bestuursdwang of last onder dwangsom (ter handhaving van het milieurecht), de daaruit voortvloeiende handhavingsschulden boedelschulden zijn. Ik meen dat dit in overeenstemming is met het stelsel van de Faillissementswet. Een andere opvatting leidt bovendien tot lastig te hanteren onderscheidingen, zoals tussen milieuverplichtingen die vóór respectievelijk na het faillissement zijn ontstaan, of tussen milieuverplichtingen naar aanleiding van een actief handelen respectievelijk een nalaten van de curator.
2.Feiten en procesverloop
Koot Beheer/Tideman q.q. [6]
3.Inleidende beschouwingen naar aanleiding van de vragen
zeggenschapscriterium: als drijver van de inrichting wordt aangemerkt degene die in feitelijke zin over de inrichting zeggenschap heeft. [18] Het criterium van een ‘bijzondere gezagsverhouding’, dat ten grondslag ligt aan de hierna te bespreken rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State over de handhaving van milieuregels in faillissementssituaties, is een variant van dit zeggenschapscriterium, toegespitst op gevallen waarin van feitelijke exploitatie van de inrichting geen sprake (meer) is. [19]
onderzoeksverplichtingin geval van beëindiging van een inrichting waarin een bodembedreigende activiteit [20] is verricht: uiterlijk binnen zes maanden na de beëindiging wordt een rapport met de resultaten van een onderzoek naar de bodemkwaliteit aan het bevoegd gezag toegezonden. Art. 2.11 lid 5 bevat een hierop voortbouwende
herstelverplichting: indien uit voornoemd rapport blijkt dat de bodem als gevolg van de activiteiten in de inrichting is aangetast of verontreinigd, draagt degene die de inrichting drijft (de zojuist besproken ‘drijver’) er zorg voor dat binnen zes maanden na toezending van het rapport de bodemkwaliteit tot een nader omschreven niveau is hersteld. [21]
indirectereële executie. Art. 611e lid 1 Rv (inzake het niet-verbeuren van dwangsommen tijdens faillissement) is volgens de heersende leer echter niet (analoog) op bestuursrechtelijke dwangsommen van toepassing. [27] Wel kan het bestuursorgaan op verzoek van de overtreder de last onder dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten of de dwangsom verminderen in geval van ‘blijvende of tijdelijke gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de overtreder om aan zijn verplichtingen te voldoen’ (art. 5:34 Awb Pro). De dwangsom wordt ingevorderd bij invorderingsbeschikking (art. 5:37 Awb Pro).
Alvat-uitspraak uit 1997. [30] De zaak betrof een wegens overtreding van een vergunningsvoorschrift [31] aan een curator opgelegde last onder dwangsom ter zake van een reeds vóór het faillissement veroorzaakte milieuverontreiniging. Bijzonderheid was dat de curator de onderneming van de gefailleerde
niethad voortgezet. De Afdeling overwoog dat de Wet milieubeheer ervan uitgaat dat de uit een vergunning voortvloeiende verplichtingen gelden voor ‘ieder die in een bijzondere gezagsverhouding tot de inrichting staat’ (vergelijk het hiervoor 3.5 bedoelde zeggenschapscriterium). In geval van faillissement is dat volgens de Afdeling ‘de curator, ook als hij de onderneming niet voortzet’. De Afdeling kwam tot de slotsom dat de curator vanaf het moment van de faillietverklaring ‘verantwoordelijk is voor het naleven van de uit de aan Alvat B.V. verleende vergunning ingevolge de Hinderwet voortvloeiende verplichtingen’, en dat de curator op de niet-naleving daarvan ‘kan worden aangesproken’. De last was volgens de Afdeling dus terecht gericht tot de curator in zijn hoedanigheid.
Maasdriel-uitspraak uit 2007, [32] met betrekking tot een last onder dwangsom wegens overtreding van onder meer de Wet milieubeheer, werd de regel uit de
Alvat-uitspraak in algemenere termen herhaald. De Afdeling overwoog dat de curator vanaf het moment van de faillietverklaring verantwoordelijk is voor ‘de uit de milieuwetgeving voortvloeiende verplichtingen’ van de gefailleerde en dat hierbij ‘geen rol’ speelt of de curator de onderneming van de gefailleerde drijft of heeft gedreven.
DIT-uitspraak uit 2013, [33] met betrekking tot een last onder dwangsom wegens overtreding van milieuvergunningsvoorschriften. Daarin overwoog de Afdeling – onder verwijzing naar de twee voorgaande uitspraken – dat de curator, wanneer een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer onderdeel uitmaakt van de boedel, ‘uit hoofde van zijn bijzondere gezagsverhouding verantwoordelijk [is] voor naleving van de voor die inrichting geldende milieuwetgeving’. Dat brengt volgens de Afdeling mee ‘dat de curator vanaf het moment van de faillietverklaring onder dwangsom kan worden gelast om in ieder geval de op dat moment bestaande overtredingen van de milieuwetgeving te beëindigen of herhaling ervan te voorkomen’. Een ‘gebrek aan financiële middelen’ doet hieraan niet af. De Afdeling verduidelijkte verder, voortbouwend op eerdere rechtspraak, [34] dat curatoren ‘geen zorg [behoeven] te dragen voor uitvoering van een niet aan hen, maar aan de gefailleerde, opgelegde last’. Dwangsommen die vóór de faillietverklaring door de gefailleerde zijn verbeurd, leiden tot vorderingen van het bestuursorgaan die ‘in de failliete boedel vallen’. Worden ná de faillietverklaring nog dwangsommen verbeurd door de
gefailleerde, of kosten van bestuursdwang voor zijn rekening gebracht, dan leidt dat tot ‘niet-verifieerbare schulden in de zin van de Faillissementswet’.
Bavin [35] en
Thermphos [36] uit 2014 werd de regel uit de voorgaande uitspraken nog wat breder geformuleerd. De Afdeling overwoog, zonder nog te refereren aan de begrippen ‘inrichting’ en ‘bijzondere gezagsverhouding’, dat de curator ‘als beheerder van de boedel vanaf het moment van faillietverklaring van een bedrijf verantwoordelijk is voor de uit de milieuwetgeving voortvloeiende verplichtingen van het bedrijf’. Of de curator ‘feitelijk de mogelijkheid had om de overtreding te voorkomen dan wel te beëindigen’, achtte de Afdeling in de
Bavin-uitspraak – die betrekking had op een last onder bestuursdwang [37] – ‘niet relevant’. De
Bavin-uitspraak is verder van belang omdat de Afdeling daarin – evenals in de
DIT-uitspraak – een faillissementsrechtelijk oordeel gaf. De in de
Bavin-zaak verhaalde kosten van bestuursdwang, uit hoofde van een aan de curator in zijn hoedanigheid opgelegde last, waren volgens de Afdeling ‘het gevolg van het handelen of nalaten van de curator in strijd met de uit hoofde van zijn hoedanigheid als curator in het faillissement van Bavin op hem rustende verplichting om de Waterwet na te leven’. Aldus deed zich hier volgens de Afdeling de in het arrest
Koot Beheer/Tideman q.q.bedoelde situatie voor van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verplichting, resulterend in een boedelschuld. [38] De
Thermphos-zaak is vermeldenswaard omdat de Afdeling daarin de eerder gekozen lijn uitbreidde tot verplichtingen uit een
persoonsgebondenvergunning (in dit geval een vergunning op grond van de Kernenergiewet). [39]
North Refineryuit februari 2020 [40] bevestigde de Afdeling wat uit de voorgaande uitspraken reeds volgde, namelijk dat de curator alleen in zijn hoedanigheid van beheerder van de failliete boedel – en niet in persoon – verantwoordelijk is voor de naleving van de uit de milieuwetgeving voortvloeiende verplichtingen van een tot de boedel behorende inrichting. De Afdeling overwoog dat het gaat om ‘verplichtingen van de boedel, die door tussenkomst van de curator moeten worden nageleefd, en niet om verplichtingen van de failliete rechtspersoon, die geen zeggenschap meer over het vermogen heeft’.
Alvat-uitspraak) nog uit het specifieke inrichtingsgebonden karakter van de milieuvergunning werd afgeleid.
smallerwaren geformuleerd. Zoals gezegd, de
Alvat-uitspraak berustte nog op het specifieke inrichtingsgebonden karakter van de milieuvergunning en in verband daarmee de ‘bijzondere gezagsverhouding’ van de curator ten opzichte van de inrichting. [43] Ik meen dat moeilijk is vol te houden dat de huidige rechtspraak van de Afdeling, zo breed als zij de verantwoordelijkheid van de curator formuleert, op een uitdrukkelijke en weloverwogen keuze van de wetgever berust. [44]
fixatiebeginselkomt onder meer tot uitdrukking in art. 24 Fw Pro, waarin is bepaald dat de boedel voor ‘verbintenissen van de schuldenaar, na de faillietverklaring ontstaan’ niet aansprakelijk is, behalve voor zover de boedel ten gevolge daarvan is gebaat. [48]
paritas creditorum(art. 3:277 lid 1 BW Pro). [49] Tezamen brengen zij mee dat de op de faillissementsdatum bestaande vorderingen in beginsel naar evenredigheid uit de boedel dienen te worden voldaan, behoudens in de wet erkende redenen van voorrang (en daargelaten de bijzondere positie van separatisten, die onafhankelijk van het faillissement hun recht van parate executie kunnen uitoefenen). [50]
faillissementsschulden, die aan verificatie zijn onderworpen en onderling in beginsel gelijke rang innemen. Tot deze categorie behoren ook schulden die pas tijdens het faillissement zijn ontstaan indien en voor zover zij ‘reeds besloten lagen in de rechtspositie van de schuldeiser zoals die bij het intreden van het faillissement bestond’. [52] Een tweede categorie vormen de zogenaamde
boedelschulden. Dat zijn schulden die ná de faillietverklaring zijn ontstaan in het kader van het beheer en de vereffening van de boedel door de curator. Als zodanig komen deze schulden ten laste van de curator in zijn hoedanigheid. De in art. 24 Fw Pro bedoelde schulden die voortvloeien uit verbintenissen waardoor de boedel is gebaat, zijn hiervan een voorbeeld. [53] De derde categorie wordt gevormd door de overige schulden die ná de faillietverklaring zijn ontstaan: deze schulden zijn
niet-verifieerbaar.
vermogente verdelen onder de gezamenlijke schuldeisers. [54] Het tot het faillissement behorende vermogen – de boedel – bestaat enerzijds uit zaken en vermogensrechten (de activa) en anderzijds uit schulden (de passiva). De schulden corresponderen met vorderingsrechten van de schuldeisers. Een schuld is, vermogensrechtelijk bezien, de passieve zijde van een tussen de schuldenaar en zijn schuldeiser bestaande rechtsbetrekking: een
verbintenis. [55]
verbintenissenenerzijds en vorderingen tot nakoming van
verplichtingenanderzijds. [57] Rechtsvorderingen die ‘voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel hebben’, moeten ter verificatie worden ingediend (art. 26 Fw Pro). Rechtsvorderingen die ‘verplichtingen tot de failliete boedel behorende ten onderwerp hebben’, moeten worden ingesteld tegen de curator (art. 25 Fw Pro). Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever dit onderscheid welbewust gemaakt, ondanks aanvankelijke bezwaren van sommige kamerleden. De reactie van regeringszijde luidde:
tegenden boedel weer in vorderingen, die betaling of voldoening uit den boedel ten doel hebben, en andere. Sommige leden kunnen zich met deze onderscheiding niet vereenigen; zij zouden alle vermogensactiën op dezelfde wijze willen behandelen en aan het verificatieproces onderwerpen. Dit klinkt eenvoudig, maar zou toch onpractisch zijn en verwarring stichten. Ongelijksoortige zaken laten zich niet als gelijksoortige behandelen. Zij, die iets anders vorderen, dan betaling, die bijv. eene revindicatie, een negatoria, enz. hebben ingesteld, zouden zich dan moeten laten verifieeren! Zullen zij ook als geverifieerde schuldeischers medestemmen over een akkoord, zich daarbij en in geval van insolventie met percenten moeten vergenoegen?
afdoende bewezen, dat de
onderscheiding, die het ontwerp maakt,
niet gemist kan worden. Zij steunt trouwens op een natuurlijk onderscheid. Zelfs een leek zal een vordering tot revindicatie, tot demping van een sloot of openstelling van een voetpad op grond van eigendoms- of servituutrecht, niet in aard gelijkstellen met eene vordering tot betaling of voldoening van eene verbintenis. In
geen enkelefaillietenwet is dan ook het bedoelde eenvoudige stelsel aangenomen; overal worden aan het verificatieproces
alleenonderworpen de vorderingen tot betaling uit den boedel. Verwaarloozing der onderscheiding, niet de onderscheiding zelve, zal in de praktijk tot moeilijkheden aanleiding geven.’ [58]
op kosten van de boedelgeschiedt.
rechtsgevolgdat aan die kwalificatie is verbonden: boedelschulden zijn ‘die schulden, welke eene onmiddellijke aanspraak op den boedel geven, welke, als komende ten laste van de curator in zijne qualiteit, door deze onmiddellijk uit den boedel moeten worden voldaan, zonder dat daarvoor verificatie noodig is’. [65]
Circle Plasticsuit 2004 werd deze kritiek nog uitdrukkelijk van de hand gewezen door uw Raad, met de overweging dat de kwalificatie als boedelschuld ‘niet anders [wordt] doordat de desbetreffende verplichting mede haar grond vindt in een al voor de faillietverklaring bestaande rechtsverhouding’. [84] Het nu te bespreken arrest
Koot Beheer/Tideman q.q.uit 2013 bracht een kentering teweeg.
Koot Beheer/Tideman q.q. [85] ging het om de vraag of een ‘opleveringsschuld’, voortvloeiend uit een contractuele verbintenis om schade aan een gehuurde zaak bij het einde van de huur te herstellen of vergoeden, een boedelschuld oplevert in het faillissement van de huurder (bij beëindiging van de huurovereenkomst door de curator). Volgens het toedoencriterium zou het antwoord bevestigend luiden. Uw Raad kwam echter tot een ontkennend antwoord en kwam daartoe terug van het toedoencriterium, zulks uitdrukkelijk mede naar aanleiding van de daarop geuite kritiek.
Koot Beheer/Tideman q.q.een drieledige maatstaf voor de aanvaarding van boedelschulden, die enerzijds restrictiever en anderzijds meeromvattend van aard is. Volgens deze maatstaf zijn boedelschulden ‘slechts die schulden die een onmiddellijke aanspraak geven jegens de faillissementsboedel hetzij ingevolge de wet, hetzij omdat zij door de curator in zijn hoedanigheid zijn aangegaan, hetzij omdat zij een gevolg zijn van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting’. [86] Deze drieledige maatstaf is door uw Raad sindsdien meermalen herhaald, voor het laatst in 2017. [87]
schuldenaarvóór het faillissement aangegane rechtshandeling, zoals de eerder genoemde ‘desinvesteringsbetaling’ en ‘affinancieringsplicht’, vallen buiten het bereik van deze categorie boedelschulden.
verbintenisis bijvoorbeeld sprake indien hij in de uitoefening van zijn functie wanprestatie pleegt (art. 6:74 BW Pro) of onrechtmatig handelt (art. 6:162 BW Pro). De daaruit voortvloeiende verbintenis tot schadevergoeding levert dan, zoals hiervoor al bleek, een boedelschuld op.
verplichting.Hiervan gaf uw Raad in het arrest
Koot Beheer/Tideman q.q. [89] zelf een voorbeeld, te weten ‘de ontruimingsplichting na beëindiging van de huur’, zoals aan de orde was in het eerder genoemde arrest
Circle Plasticsuit 2004. Volgens uw Raad kan die ontruimingsverplichting ook op grond van de nieuwe maatstaf een boedelschuld opleveren. Uw Raad verwees in dit verband naar een ander arrest dat nog onder het regime van het toedoencriterium was gewezen, het arrest
Smit/Van Hees q.q.uit 2006. [90] In dat arrest ging het om een goederenrechtelijke ontruimingsactie die door de eigenaar van bedrijfspanden was ingesteld. In
Koot Beheer/Tideman q.q.leidde uw Raad uit dat arrest af dat de gewezen verhuurder ‘uit hoofde van zijn recht op het gehuurde [kan] verlangen dat de curator de tot de boedel behorende zaken uit het gehuurde verwijdert’. Deze verplichting ‘rust op de curator in zijn hoedanigheid en is derhalve een boedelschuld’, aldus uw Raad in het arrest
Koot Beheer/Tideman.
verplichtingeen boedelschuld, maar de uit de schending van die verplichting voortvloeiende verbintenis. In het
Aldel-arrest uit 2017 [91] lijkt uw Raad zichzelf op dit punt te hebben gecorrigeerd, [92] door bij de weergave van de betreffende passage uit
Koot Beheer/Tideman q.q.alleen over te nemen dat de ontruimingsverplichting ‘rust op de curator in zijn hoedanigheid’, met weglating van de overweging dat zij ‘derhalve een boedelschuld’ is.
Aldel-arrest [93] verduidelijkte uw Raad verder dat een ontruimingsplicht die voortvloeit uit een
persoonlijk gebruiksrechtdat de verhuurder op het gehuurde kan doen gelden, eveneens een boedelschuld kan opleveren in de hier bedoelde zin. Mede tegen deze achtergrond wordt in de literatuur aangenomen dat
alleuit het objectieve recht voortvloeiende verplichtingen die rusten op de curator in zijn hoedanigheid, tot boedelschulden kunnen leiden, dus niet alleen verplichtingen van goederenrechtelijke aard (zoals aan de orde in
Smit/Van Hees q.q.), maar bijvoorbeeld ook verplichtingen die voortvloeien uit het publiekrecht. [94] Vaak wordt in dit verband verwezen naar de bronnen van verplichtingen die art. 6:162 lid 2 BW Pro noemt: subjectieve rechten, de wet en het ongeschreven recht. [95]
Koot Beheer/Tideman q.q., namelijk als boedelschulden wegens de niet-naleving van een op de curator in zijn hoedanigheid rustende verplichting. [96] Sommige auteurs leiden zelfs uit
Koot Beheer/Tideman q.q.af dat uw Raad de kwalificatie van milieuschulden als boedelschulden reeds heeft onderschreven. [97]
Bavin-uitspraak uit 2014 inderdaad heeft geoordeeld dat milieuverplichtingen die rusten op de curator in zijn hoedanigheid kunnen leiden tot boedelschulden van de derde categorie uit het arrest
Koot Beheer/Tideman q.q.Deze bestuursrechtelijke lijn staat ter discussie in de civiele rechtspraak en literatuur.
Thermphos-uitspraak van de Afdeling had geleid. Vermeldenswaard is dat ook in die (civiele) zaak al is aangedrongen op het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. De rechtbank heeft echter uitspraak gedaan zonder prejudiciële vragen te stellen. Uit een interview met de betrokken curatoren blijkt dat de zaak intussen geschikt was. Dat interview geeft overigens een verhelderend beeld van (de omvang van) de saneringsproblematiek waarmee curatoren in de praktijk te maken kunnen krijgen. In de
Thermphos-zaak ging het om een fabrieksterrein met vele kilometers leidingen waarin gevaarlijke fosforrestanten zaten. Om te voorkomen dat die door aanraking met zuurstof zouden ontbranden, moesten de leidingen permanent onder druk en vrij van zuurstof worden gehouden, wat de boedel € 7,5 ton per maand kostte. De totale saneringskosten werden geschat op een bedrag tussen de € 79 en 90 miljoen. [99]
Thermphos-zaak uitdrukkelijk af van de door de Afdeling gekozen lijn
.Volgens de rechtbank dient de vraag of de op grond van het milieurecht verschuldigde kosten zijn te kwalificeren als boedelschulden, niet door de bestuursrechter te worden beantwoord, maar door de civiele rechter. De rechtbank maakte in dit verband een onderscheid tussen (1) kosten die voortvloeien uit milieuverplichtingen die al bestonden ten tijde van de faillietverklaring en (2) kosten die voortvloeien uit milieuverplichtingen die ná de faillietverklaring zijn ontstaan. De onder (1) bedoelde kosten leveren volgens de rechtbank concurrente vorderingen in het faillissement op. De onder (2) bedoelde kosten moeten volgens de rechtbank worden onderscheiden in (a) kosten die zijn veroorzaakt door voortzetting van de gefailleerde onderneming door de curator en (b) andere kosten. Alleen de onder 2 sub a bedoelde kosten leveren volgens de rechtbank boedelschulden op. De onder 2 sub b bedoelde kosten, die niet voortvloeien uit een ten tijde van de faillietverklaring reeds bestaande verplichting en evenmin uit een voortzetting van de gefailleerde onderneming door de curator, zijn volgens de rechtbank niet-verifieerbaar.
actief heeft bijgedragen. Ik zal deze benadering hierna kortweg aanduiden als het ‘veroorzakingsprincipe’. [100] Er zijn ook auteurs die er voorstander van zijn om bij de bestuursrechtelijke lijn aan te sluiten en dus aannemen dat de schending van milieurechtelijke verplichtingen die rusten op de curator
in zijn hoedanigheid, reeds uit dien hoofde tot boedelschulden leidt, ongeacht of de curator de onderneming van de gefailleerde heeft voortgezet. Deze benadering zal ik hierna kortweg aanduiden als het ‘hoedanigheidsprincipe’. [101]
fixatiebeginsel(hiervoor 3.22). In hun visie brengt dit beginsel mee dat milieuschulden die ‘latent aanwezig’ waren op de faillissementsdatum, omdat zij voortvloeien uit een toen reeds bestaande overtreding van milieuregels, tot concurrente vorderingen in het faillissement (behoren te) leiden. [102] Ook beroepen deze auteurs zich op het beginsel van de
gelijkheid van schuldeisers(hiervoor 3.23). Volgens hen staat dat beginsel eraan in de weg dat bestuursorganen, door het opleggen van bestuursrechtelijke lasten aan curatoren, voor zichzelf een buitenwettelijke voorrangspositie in het faillissement creëren, ten koste van de overige schuldeisers. [103] In het verlengde hiervan betogen deze auteurs dat het naleven van milieuverplichtingen op kosten van de boedel in strijd is met de in art. 68 Fw Pro omschreven
taak van de curator. [104] Zij beroepen zich in dit verband op jurisprudentie van uw Raad waaruit wordt afgeleid dat de curator ‘belangen van maatschappelijke aard’ hooguit kan (en soms moet) laten prevaleren boven belangen van
individueleschuldeisers, maar niet boven het belang van de gezamenlijke schuldeisers. [105]
fixatiebeginselis niet van toepassing op publiekrechtelijke milieuverplichtingen. Het gaat hier om objectieve rechtsplichten als hiervoor 3.27 bedoeld, die geen rang kennen en geen onderdeel uitmaken van het tot het faillissement behorende vermogen. Objectieve rechtsplichten moeten onverkort door de curator worden nageleefd, ongeacht hun ontstaansdatum [106] en ongeacht of de boedel daarbij is gebaat. Het beginsel van de
gelijkheid van schuldeisersdoet hieraan niet af. Bij de handhaving van het objectieve recht treedt de overheid immers niet op als schuldeiser, maar als rechtshandhaver. [107] De wettelijke
taak van de curatorbiedt geen vrijbrief om objectieve rechtsplichten te overtreden. De curator neemt in zijn hoedanigheid op gelijke voet met ieder ander deel aan het maatschappelijk verkeer. De naleving van het objectieve recht is een element van zijn taak als beheerder en vereffenaar van de boedel. [108]
Koot Beheer/Tideman q.q.een restrictief criterium voor de aanvaarding van boedelschulden geformuleerd, om tegemoet te komen aan de kritiek op het te ruim geachte toedoencriterium. [109] Tegen die achtergrond zou er volgens hen geen plaats zijn voor de aanvaarding van ‘oneigenlijke’ boedelschulden, zoals milieuschulden die in het teken staan van het algemene milieubelang in plaats van het belang van de boedel. Het gevolg daarvan zou zijn een onttrekking van boedelactief, resulterend in een toename van het aantal negatieve boedels. [110] In dit kader merken sommige auteurs op dat de Hoge Raad de derde categorie boedelschulden in het arrest
Koot Beheer/Tideman q.q.uitdrukkelijk heeft toegespitst op een ‘handelen’ van de curator in strijd met een op hem in zijn hoedanigheid rustende verplichting. Een
nalatenvan de curator – zoals wanneer de curator de gefailleerde onderneming niet voortzet – zou geen boedelschuld opleveren. [111]
nalateneen boedelschuld kan opleveren, wordt erop gewezen dat het voorbeeld dat uw Raad zelf noemde in het arrest
Koot Beheer/Tideman q.q.– de niet-nageleefde ontruimingsverplichting – eveneens een nalaten betreft. [118]
DecideWiseuit 2005. [120] In die zaak ging het om de vraag of de ondernemingskamer bevoegd is om de curator van een gefailleerde onderneming te bevelen een boedelbijdrage beschikbaar te stellen voor een onderzoek als bedoeld in art. 2:344 e.v. BW. Uw Raad oordeelde dat de ondernemingskamer te dien aanzien ‘geen taak’ heeft, evenmin als ten aanzien van ‘de vraag of het gaat om een verbintenis ten gevolge waarvan de boedel is gebaat (art. 24 Fw Pro)’. [121] Men kan erover twisten of hieruit, meer in algemene zin, volgt dat de civiele rechter exclusief bevoegd is te oordelen over de kwalificatie van een schuld als boedelschuld. [122] Duidelijk is in elk geval dat die kwalificatie naar
civielrechtelijke maatstavendient te geschieden. [123] De vraag is hoeveel speelruimte de civiele rechter nog heeft, als de bestuursrechter (daartoe bevoegd) de rechtsgeldigheid heeft vastgesteld van tot de curator in zijn hoedanigheid gerichte handhavingsbesluiten. Verschillende auteurs wijzen erop dat de formele rechtskracht van die besluiten dwingt tot de conclusie dat in civielrechtelijke zin sprake is van een op de curator in zijn hoedanigheid rustende verplichting (van bestuursrechtelijke aard). [124] In dit verband wordt gewezen op het categorische karakter van de derde categorie van boedelschulden, zoals in het arrest
Koot Beheer/Tideman q.q.omschreven: de schending van een op de curator in zijn hoedanigheid rustende verplichting leidt per definitie tot een boedelschuld. [125]
détournement de pouvoir(art. 3:3 Awb Pro). [126] Meer in algemene zin wordt in de literatuur – ook door aanhangers van het hoedanigheidsprincipe – betoogd dat overheden bij de handhaving van het milieurecht in faillissementssituaties met de belangen van de boedel rekening dienen te houden. [127] Tegen deze achtergrond wordt terughoudendheid bepleit bij het incasseren van
dwangsommenten koste van de boedel, met name indien vaststaat dat dit niet tot ongedaanmaking van de overtreding zal leiden. [128] De aanhangers van het hoedanigheidsprincipe zien in dit alles geen reden om af te wijken van het stelsel van de Faillissementswet (het meergenoemde onderscheid tussen verbintenissen en verplichtingen). In hun visie is het aan de
bestuursrechterom erop toe te zien dat overheden van hun verhaalspositie geen misbruik maken. [129] Smelt signaleert in dit verband dat strategisch optreden van schuldeisers ook in zuiver privaatrechtelijke rechtsverhoudingen kan ‘lonen’. Zulk optreden kán misbruik van bevoegdheid opleveren (art. 3:13 BW Pro), maar dat mag niet te snel worden aangenomen. [130]
Koot Beheer/Tideman q.q., die door de curator in zijn hoedanigheid zijn aangegaan. [132] Ook lijkt niet te ontkennen dat de kosten van een door de overheid uitgevoerde sanering uit de boedel moeten worden voldaan, indien en voor zover de boedel daardoor ongerechtvaardigd is verrijkt (art. 6:212 BW Pro). [133] S.C.J.J. Kortmann – aanhanger van het veroorzakingsprincipe – formuleert een uitdrukkelijke uitzondering op dat principe voor gevallen van ongerechtvaardigde verrijking. [134] De aanhangers van het veroorzakingsprincipe lijken ook geen bezwaar te koesteren tegen milieugerelateerde boedelschulden op goederenrechtelijke grondslag, bijvoorbeeld als consequentie van de eigendom van afvalstoffen die zich op het terrein van een derde bevinden. [135] Buiten kijf staat verder dat milieuschulden die dateren van vóór de faillietverklaring, zoals dwangsommen die de schuldeiser zelf in die periode verschuldigd is geworden, géén boedelschulden opleveren (maar concurrente vorderingen). [136] Ten slotte lijken alle auteurs het erover eens te zijn dat op de curator in zijn hoedanigheid in elk geval een zorgplicht rust om overheden te informeren over acute milieurisico’s en om naar vermogen in te grijpen bij acute milieugevaarlijke situaties. [137]
4.Beantwoording van de prejudiciële vragen
Vraag 1: de kwalificatie van bestuursrechtelijke milieuschulden in faillissement
eerste prejudiciële vraagluidt als volgt:
Koot Beheer/Tideman q.q.aanvaarde definitie van boedelschulden, is zowel wat betreft door de curator vervolgens verbeurde dwangsommen als wat betreft de geldschuld die het resultaat is van een aan de curator opgelegde kostenbeschikking de conclusie bijna onontkoombaar: deze geldschulden zijn als boedelschulden te beschouwen. Het zijn immers schulden die het gevolg zijn van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verplichting (de derde in
Koot Beheer/Tideman q.q.onderscheiden categorie van boedelschulden). [140] Vergelijk hiervoor 3.36 e.v. Een kwalificatie als boedelschulden sluit dus niet alleen aan bij de gevestigde rechtspraak van de bestuursrechter, zij is in de tweede plaats ook eenvoudig inpasbaar in het stelsel van de Faillissementswet en in dat van gevestigde rechtspraak van uw Raad.
negatieflaten formuleren, dus als bezwaren tegen een beantwoording in andere zin.
Thermphos-zaak, moet onderscheid worden gemaakt tussen milieuverplichtingen daterend van vóór en van ná het faillissement. Een dergelijk onderscheid past mijns inziens slecht in het stelsel van de Faillissementswet. Het zou neerkomen op een toepassing van het fixatiebeginsel buiten zijn ‘natuurlijke’ domein: het fixatiebeginsel beheerst immers slechts de faillissementsrechtelijke status van
verbintenissenen niet ook die van verplichtingen. Vergelijk hiervoor 3.27.
Thermphos-zaak, waarin de milieuschade ontstond (of dreigde) juist doordat de curator het productieproces had stilgelegd (hiervoor 3.44). Is die schade dan terug te voeren op milieuverplichtingen daterend van vóór of ná het faillissement? En heeft de curator door het
niet-voortzettenvan het productieproces actief bijgedragen aan de schending daarvan? Ook de nu voorliggende zaak illustreert hoe problematisch een onderscheid naar ontstaansmoment is. De Gemeente heeft de Curator gelast nader onderzoek te doen naar en herstel te verrichten van een bodemverontreiniging die eerst ná de faillietverklaring is ontdekt. De
lasten– die de verplichtingen belichamen waaruit de milieuschulden zijn ontstaan – dateren van ná de faillietverklaring. De
bodemverontreiniging– die te beschouwen is als de feitelijke bron van de milieuschulden – dateert echter van daarvóór. Wat is bepalend? Men kan redeneren dat de milieuschulden op de faillissementsdatum ‘latent aanwezig’ waren. Het is echter de vraag of dit overtuigend is. Miskent men aldus niet dat de lasten uitsluitend tot de Curator in zijn hoedanigheid gericht waren en voortvloeiden uit
diensbeslissing om de onderneming van RTC te beëindigen?
RTChad immers niet reeds voorafgaand aan het faillissement onderzoeks- en saneringsverplichtingen; die verplichtingen ontstonden pas daarna, als gevolg van de bedrijfsbeëindiging door de Curator. [143] Wat hiervan ook zij, zoveel is duidelijk dat een onderscheid naar ontstaansmoment evident tot lastig te beslissen discussies leidt.
verplichtingennaar zijn aard niet aan de orde kan zijn. Vergelijk hiervoor 3.26. Verder sluit een onderscheid tussen een handelen en nalaten ook bij
Koot Beheer/Tideman q.q.niet aan. Zoals reeds gezegd (hiervoor 3.51): uw Raad geeft in dat arrest zelf een niet-nageleefde ontruimingsverplichting als voorbeeld van de derde categorie van boedelschulden, hoewel dat geval onmiskenbaar een nalaten betreft.
nalaatom aan de vervolgens door de Gemeente opgelegde lasten te voldoen? Dat inderdaad het nalaten gevolg te geven aan het handhavende handelen van het bestuur bepalend zou kunnen zijn, kan ik niet aannemen. Dat zou ertoe leiden dat de curator zich van zijn milieurechtelijke verplichtingen in feite
nooitiets zou behoeven aan te trekken: als de overheid handhavend gaat optreden, zou de curator dit gewoon naast zich neer kunnen leggen. Bij mijn weten wordt een zo verregaande vrijheid van de curator ten opzichte van milieurechtelijke normen door niemand verdedigd. We lijken dus op zoek te moeten naar nog andere aanknopingspunten voor een kwalificatie als handelen dan wel nalaten, bijvoorbeeld door onderscheid te maken tussen door de curator redelijkerwijs wel of niet te vermijden inbreuken op milieurechtelijke normen (eventueel mede in verband met de omvang van de boedel). Mijns inziens levert dit echter (opnieuw) tal van lastig te beantwoorden vragen op. Ik vervolg deze weg dan ook niet; mijns inziens is voldoende duidelijk dat zij niet goed begaanbaar is.
hard and fast rules, die voor alle betrokkenen zoveel mogelijk rechtszekerheid bieden. [147] Welnu, het is mij niet gelukt om me een omlijning van de leer van het veroorzakingsprincipe voor te stellen, die aan die randvoorwaarde kan voldoen.
detournement de pouvoir(art. 3:3 Awb Pro) afstuit. Het voorschrift dat het bestuursorgaan de rechtstreeks bij een besluit betrokken belangen afweegt (art. 3:4 Awb Pro), brengt mijns inziens mee dat het bestuur met de financiële positie van de boedel rekening houdt voor zover daarvoor ruimte bestaat, met name wat betreft de keuze tussen een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom. Indien de curator onvoldoende financiële mogelijkheden heeft om aan een last onder dwangsom te voldoen, behoort zo’n last niet te worden opgelegd, en zeker niet onder een hoge dwangsom. In voorkomende gevallen zie ik een aanvullende rol voor de civiele rechter. In verband met de formele rechtskracht van het overheidsbesluit dient de civiele rechter weliswaar van de rechtmatigheid van dat besluit uit te gaan, maar na het besluit blijkende omstandigheden kunnen meebrengen dat de onverkorte invordering van de bestuursrechtelijke schulden van de curator jegens de boedel misbruik van bevoegdheid (art. 3:13 BW Pro) oplevert. [157]
tweede prejudiciële vraagluidt als volgt:
nietde rechtsgeldigheid van het besluit betreft, is gebonden aan de inhoudelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan het oordeel van de bestuursrechter over dat besluit. [159]
nietop grond van de formele rechtskracht van het overheidsbesluit, maar op grond van de door uw Raad gehanteerde definitie van boedelschulden. In die zin dicteert de bestuursrechter hier (indirect) de vaststelling van boedelschulden. Maar de civiele rechter heeft wel degelijk het laatste woord (daargelaten een eventuele stelselwijziging door de wetgever): indien uw Raad het criterium voor boedelschulden zou herzien – wat ik niet bepleit – is de kwalificatie van bestuursrechtelijke milieuschulden als boedelschulden niet langer een automatisme. De vraag moet dus ontkennend worden beantwoord.
derde prejudiciële vraagvalt in vijf onderdelen (a tot en met e) uiteen, die telkens de vraag opwerpen of een nader omschreven omstandigheid al dan niet relevant is voor de beantwoording van de eerste prejudiciële vraag, dus voor de faillissementsrechtelijke kwalificatie van de betreffende milieuschuld. De bedoelde omstandigheden betreffen voornamelijk de aard en het moment van de milieuverontreiniging in kwestie.