Conclusie
adv.: mrs. J. de Bie Leuveling Tjeenk en F.J.L. Kaptein
adv.: mr. B.I. Kraaipoel
1.Feiten en procesverloop
[de vof]), alsmede haar vennoten [vennoot 1] en [vennoot 2] (hierna tezamen met [de vof] , in vrouwelijk enkelvoud:
[de vof]) in staat van faillissement verklaard, [3] onder gelijktijdige intrekking van de op 29 november 2013 aan [de vof] voorlopig verleende surseance van betaling, [4] met aanstelling van de curator als zodanig.
FloraHolland). FloraHolland werd (mede) gefinancierd door de leden in de vorm van een ledenlening en een participatiereserve.
de statuten), die – hierover zijn partijen het eens – leidend zijn ter zake van de kwesties die partijen in de onderhavige procedure verdeeld houden, luiden, voor zover van belang, als volgt:
Rabobank). In dat kader verkreeg [de vof] (hoofdelijk) meerdere financieringen, tot zekerheid voor de nakoming waarvan [de vof] bij akte van verpanding van november 2009 [12] aan Rabobank heeft verpand:
nietzijn verpand aan Rabobank. [16]
participatiereserve(s), alsmede de daarop gevallen rente,
nietzijn verpand aan Rabobank.
bestaandevorderingen waren. De situatie uit art. 35 lid 2 Fw Pro, dat het goed eerst na aanvang van de dag van de faillietverklaring door de failliet is verkregen, doet zich dus niet voor (rov. 4.4);
niet verpandbaarwas (rov. 4.12);
verpandbaarwas. Met de pandakte tussen [de vof] en Rabobank en mededeling van het pandrecht aan FloraHolland is op rechtsgeldige wijze een openbaar pandrecht gevestigd (rov. 4.18).
principale grief 2komt Rabobank op tegen het oordeel van de rechtbank dat de vordering uit hoofde van de participatiereserve, nu deze onoverdraagbaar is, tevens onverpandbaar is.
incidentele grief 2is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de vorderingen uit hoofde van de participatiereserve en de ledenlening als ten tijde van de faillietverklaring reeds bestaande vorderingen moeten worden aangemerkt. De
incidentele grief 3keert zich tegen het oordeel dat de vordering uit hoofde van de ledenlening verpandbaar is.
Grief 1 in het principaal hoger beroepstrekt ertoe dat het onoverdraagbaarheidsbeding uit art. 34 lid 7 van Pro de statuten van FloraHolland slechts verbintenisrechtelijke strekking heeft en geen goederenrechtelijk effect (rov. 2.13);
Grief 3 in het principaal hoger beroepneemt veronderstellenderwijs tot uitgangspunt dat art. 34 lid 7 statuten Pro een goederenrechtelijk onverpandbaarheidsbeding impliceert. De grief strekt ertoe dat, indien dit het geval is, FloraHolland heeft ingestemd met de verpanding (afstand heeft gedaan van het verbod uit art. 34 lid Pro 7), dan wel de verpanding op 4 december 2009 heeft bekrachtigd (rov. 2.17);
Grief 2 in het principaal hoger beroepricht zich tegen het oordeel van de rechtbank dat (de keerzijde van) art. 3:228 BW Pro met zich brengt dat het onoverdraagbaarheidsbeding van art. 34 lid 7 statuten Pro tevens onverpandbaarheid meebrengt (rov. 2.20);
Oryx/ […] [25] heeft de Hoge Raad over een beding dat cessie en verpanding verbood, geoordeeld dat een in strijd daarmee verrichte cessie op grond van art. 3:83 lid 2 BW Pro ongeldig was en dat “krachtens artikel 3:98 [BW] dit een en ander ook [geldt] voor verpanding”. De verwijzing naar art. 3:98 BW Pro impliceert dat verpanding separaat (los van overdraagbaarheid), goederenrechtelijk kan worden uitgesloten en dat de grondslag hiervoor art. 3:98 BW Pro (jo. art. 3:83 lid 2 BW Pro) is. Dit is in overeenstemming met de opvatting dat art. 3:81 lid 1 en Pro 3:228 BW niet gelezen behoeven te worden als wettelijke uitzondering op de overeenkomstige toepassing van de regels voor de overdracht van goederen op de vestiging van beperkte rechten op die goederen. Daarbij past dat ook mogelijk is dat een vordering in de zin van art. 3:83 lid 2 BW Pro onoverdraagbaar wordt gemaakt maar niet onverpandbaar (rov. 2.21);
niettevens verpanding daarvan uitsluit, tenzij uit de – naar objectieve maatstaven uit te leggen – formulering daarvan blijkt dat daarmee (ook) onverpandbaarheid (met goederenrechtelijke werking als bedoeld in art. 3:83 lid 2 jo Pro. art. 3:98 BW Pro) is beoogd (rov. 2.23);
kanbesluiten tot betaalbaarstelling daarvan aan het desbetreffende lid. Voor het ontstaan van een dergelijke aanspraak is dus een handeling c.q. wilsverklaring van FloraHolland vereist. Zolang een dergelijke handeling nog niet is verricht, moet de aanspraak als een toekomstige vordering in de zin van art. 35 lid 2 Fw Pro worden aangemerkt (vgl.
Staal Bankiers/Ambags q.q. [26] ). Gesteld noch gebleken is dat op het moment van faillietverklaring van de [de vof] reeds besluiten als bedoeld in art. 34 lid 3 statuten Pro waren genomen (rov. 2.26);
Grief 2 in het incidenteel hoger beroepklaagt over het oordeel van de rechtbank dat de aanspraken van [de vof] op de participatiereserve en uit hoofde van de ledenlening per datum faillissement niet als toekomstige vorderingen moeten worden aangemerkt. Voor de participatiereserve heeft het hof deze kwestie al beoordeeld in rov. 2.25-28 (rov. 2.30);
Grief 3 in het incidenteel hoger beroepstrekt ertoe dat het persoonlijk karakter van het lidmaatschap en de niet-vrije overdraagbaarheid daarvan (art. 6 lid 7 statuten Pro) maakt dat ook de aanspraken van een lid uit de ledenlening niet overdraagbaar zijn en daarom ook onverpandbaar waren (rov. 2.32);
2.Bespreking van het principale en het incidentele cassatieberoep; inleiding
bestaandeen bovendien
voor verpanding vatbarevorderingen jegens FloraHolland.
bestaandevordering. Zij achtte de vordering uit de ledenlening tevens
verpandbaar, maar die uit de participatierekening
onverpandbaar. Op die grond verklaarde zij voor recht dat het saldo op de participatierekening niet is verpand aan Rabobank. [27]
participatierekeninggeadministreerde saldo ontstaat pas een vordering indien en doordat een besluit tot betaalbaarstelling als bedoeld in art. 34 lid 3 statuten Pro is genomen; nu niet is gesteld of gebleken dat ten tijde van de faillietverklaring reeds een dergelijke handeling c.q. wilsverklaring van de debiteur was verricht, kwalificeert de aanspraak als
toekomstigevordering in de zin van art. 35 lid 2 Fw Pro (rov. 2.26);
ledenleningkwalificeert als een ten tijde van de faillietverklaring
bestaande vorderingonder (voorwaardelijke) tijdsbepalingen van art. 17 lid 3 statuten Pro (rov. 2.31);
niet onverpandbaar(rov. 2.20-2.24 resp. rov. 2.32-2.33).
ledenaansprakelijkheidheeft een wettelijke basis (art. 2:55 BW Pro) en houdt – kort gezegd – in dat de leden in geval van ontbinding van de coöperatie bijdragen in het volledige tekort. In de praktijk wordt echter op ruime schaal gebruik gemaakt van de mogelijkheid om deze verplichting in de statuten uit te sluiten of tot een maximum te beperken (art. 2:56 lid 1 BW Pro). Hiermee correspondeert de letter-aanduiding W.A., U.A. respectievelijk B.A. in de naam van de rechtspersoon. [37] In het thans voorliggende geval is sprake van een uitsluiting van aansprakelijkheid van de leden (‘Coöperatieve Bloemenveilig FloraHolland U.A.’).
lang vreemd vermogenvan de coöperatie. Bij coöperaties in de agrarische sector is het gebruikelijk dat jaarlijks een bepaald percentage van het voor uitkering aan de leden vatbare exploitatie-overschot niet wordt uitbetaald in contanten, maar door de coöperatie wordt geplaatst op een ledenschuldrekening waarvoor de betrokken leden door de coöperatie worden gecrediteerd. Er ontstaat op deze wijze een langlopende schuld van de coöperatie aan de leden, eventueel met achtergesteld karakter. Na een x-aantal jaren vindt de aflossing (gestaffeld) naar rato van het jaar van dotering plaats. Gebruikelijk is dat over de tegoeden op de ledenschuldrekeningen een rente wordt vergoed. In de praktijk komen verschillende vormen voor. [41] Blijkens art. 17 lid 1 van Pro de statuten 2013 van FloraHolland kan de ledenlening worden gevoed door inhouding van een percentage van de koopprijzen van de via de coöperatie af te rekenen producten [42] of door bijschrijving van een deel van het batig saldo op de voet van art. 33 lid 3 statuten Pro. Deze lening is achtergesteld bij alle vorderingen van derden (art. 17 lid 6 statuten Pro).
eigen vermogenvan de coöperatie en kunnen worden aangewend ter delging van eventuele verliezen. [45] In de statuten kan worden bepaald wanneer uitkering plaatsvindt, bijvoorbeeld na een bepaalde (langere) termijn of in geval van regelmatige uittreding of bedrijfsbeëindiging. Het effect daarvan is dat vermogen de coöperatie verlaat. [46] Art. 34 van Pro de statuten 2013 van FloraHolland bepaalt dat de ten name van de afzonderlijke leden in de boeken van de coöperatie geadministreerde participatierekeningen tezamen de participatiereserve vormen, en dat deze participatiereserve behoort tot het eigen vermogen van de coöperatie. De participatierekeningen worden gevoed door bijschrijving van een deel van het batig saldo van de exploitatierekening (art. 33 lid Pro 1) en kunnen blootstaan aan afboeking van tekorten (art. 33 lid Pro 4). De statuten voorzien in een uitgebreide regeling van de eventuele uitkering van (delen van) het saldo (art. 34 leden Pro 3-6).
Principaal middel en onderdeel III incidenteel middel: toekomstige of bestaande vorderingen?
principale cassatieberoepvan Rabobank richt zich tegen rov. 2.26-2.28 van het arrest, waarin het hof de stelling van de curator c.s. honoreert dat de aanspraak van [de vof] op (het saldo van) de
participatierekeningten tijde van de faillietverklaring een
toekomstige vorderingin de zin van art. 35 lid 2 Fw Pro betrof.
ledenleningals een ten tijde van de faillietverklaring reeds
bestaande vorderingmoet worden gekwalificeerd.
stille verpandingvan toekomstige vorderingen geldt op grond van art. 3:239 lid 1 BW Pro dat dit slechts mogelijk is voor zover de vordering rechtstreeks zal worden verkregen uit een op het tijdstip van vestiging van het pandrecht reeds bestaande rechtsverhouding (het ‘grondslagvereiste’).
openbareverpanding van toekomstige vorderingen (art. 3:236 lid 2 jo Pro. 3:94 lid 1 BW) geldt het grondslagvereiste echter niet. Er geldt slechts het vereiste van het doen van mededeling aan de schuldenaar van de te verpanden vordering. Openbare verpanding bij voorbaat van een toekomstige vordering is dus mogelijk indien de schuldenaar van deze vordering reeds bekend is.
verschuldigdheidvan de prestatie
vaststaat. [58]
geachtreeds te bestaan indien zij haar onmiddellijke grondslag vindt in een reeds bestaande rechtsverhouding. [59] Van deze ruime opvatting omtrent het bestaan van vorderingen is uw Raad in 1982 teruggekomen in het arrest
SOS/ABN,waarin werd overwogen:
typevordering.
huurtermijnendie op de dag van faillietverklaring nog niet zijn verschenen, moeten naar het oordeel van uw Raad in
WUH/Emmerig q.q. [64] als op dat moment toekomstige vorderingen worden beschouwd. Het ontstaan van dergelijke vorderingen, die niet geacht kunnen worden hun bestaan reeds te zijn aangevangen op het tijdstip waarop de huurovereenkomst tot stand kwam, is afhankelijk van toekomstige, vooralsnog onzekere omstandigheden waaronder de daadwerkelijke verschaffing van het huurgenot waarvoor de betreffende termijn de tegenprestatie vormt. Dat geldt ook bij huur voor bepaalde tijd.
vordering ter waarde van het maatschapsaandeelvan een gefailleerde maat op de andere maten oordeelde uw Raad in het arrest
Staal Bankiers/Ambags q.q. [65] dat deze, als zijnde afhankelijk van wilsverklaringen van de debiteur – te weten: de verkiezing de maatschap voort te zetten en de uitoefening van het recht het maatschapsaandeel over te nemen –, niet kwalificeert als voorwaardelijke vordering maar eerst ontstaat door aflegging van deze wilsverklaringen.
Dubbeld/Laman [66] oordeelde uw Raad met betrekking tot een vordering uit hoofde van een contractueel
boetebedingdat deze afhankelijk is van de wanprestatie van de debiteur en eerst door die wanprestatie ontstaat.
verplichting tot affinanciering(van de premievrije aanspraak op een evenredig ouderdomspensioen) volgens uw Raad pas door de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de curator (
Frima q.q./Blankers [67] ).
[…] / […] [68] oordeelde uw Raad – onder verwijzing naar
Staal/Ambags q.q.– dat een
verbintenis tot uitbetaling van een bedrag uit kredietruimtepas ontstaat wanneer de kredietnemer van zijn bevoegdheid tot afroep van het krediet (‘wilsrecht’) gebruik maakt. Naar het oordeel van uw Raad brengt het enkele bestaan van een relatie tussen bank en cliënt die strekt tot het op afroep verstrekken van krediet aan de cliënt, niet mee dat de cliënt reeds op die grond een – vooralsnog voorwaardelijke – vordering op de bank heeft, ook al vindt de vordering die na afroep ontstaat haar onmiddellijke grondslag in de tussen bank en cliënt gesloten kredietovereenkomst.
ING/Nederend q.q. [69] volgt dat
vorderingen tot ongedaanmaking of restitutieals gevolg van ontbinding of opzegging van een overeenkomst door de curator, voor de toepassing van art. 35 lid 2 Fw Pro moeten worden aangemerkt als vorderingen die pas ontstaan door de beëindigingshandeling. Door de ontbinding of opzegging wordt immers de rechtsverhouding tussen partijen ingrijpend gewijzigd, als gevolg waarvan veelal bestaande verbintenissen tot een einde komen en nieuwe verbintenissen (tot ongedaanmaking of restitutie) ontstaan, aldus uw Raad.
wettelijke regresvorderingvan een hoofdelijk schuldenaar op grond van art. 6:10 BW Pro heeft uw Raad in het arrest
ASR/Achmea [70] geoordeeld dat deze vordering pas ontstaat op het moment dat de hoofdelijk verbonden schuldenaar de schuld voldoet voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat. Deze betaling is dus niet een voorwaarde in de zin van art. 6:21 BW Pro, maar een wettelijke voorwaarde voor het ontstaan van de regresvordering. Aangaande een
contractuele regresvorderingheeft uw Raad in
De Lage Landen/Van Logtestijn q.q. [71] overwogen dat de wet zich er niet tegen verzet dat bij overeenkomst een voorwaardelijke regresvordering (onder opschortende voorwaarde van betaling) in het leven wordt geroepen,
naasteen eventuele toekomstige wettelijke regresvordering.
vorderingen uit hoofde van geneeskundige behandelingenoordeelde uw Raad dat, gelet op de aard van de geneeskundige behandelingsovereenkomst en hetgeen blijkt uit het stelsel van de wet en de wetsgeschiedenis, een redelijke toepassing van art. 7:461 BW Pro meebrengt dat ingeval in het kader van een geneeskundige behandelingsovereenkomst meerdere, als zodanig identificeerbare en op geld waardeerbare deelprestaties kunnen worden aangewezen, na verrichting van elk van die deelprestaties een daarmee corresponderende vordering tot betaling van loon ontstaat, tenzij partijen anders zijn overeengekomen (
Famed/Kreikamp q.q. [72] ).
SOS/ABN [74] geformuleerde criterium (ook wel het ‘Kleijn-criterium’ genoemd):
door de debiteur en/of de crediteurte verrichten handeling(en), terwijl sprake is van een vordering onder opschortende voorwaarde indien de werking van de vordering afhankelijk is gesteld van een toekomstige gebeurtenis die zich
aan de invloed van partijen onttrekt.
voorwaardemaakt en wat tot een
ontstaansvereiste, laat zich niet in een eenvoudige en onderscheidende maatstaf vatten. Het zal veelal afhangen van de aard van de betrokken rechtsverhouding en – binnen zekere grenzen – de bedoeling van partijen. [80]
wordt voldaan/uitgekeerd”), terwijl de corresponderende bepalingen in de statuten 2013 uitgaan van een mogelijkheid tot uitkering (“
kan besluiten”).
AlveraFlora) [81] naast de aanspraken op aflossing van de ledenlening ook die op uitbetaling van de participatiereserve als ten tijde van de faillietverklaring reeds
bestaandevorderingen bestempeld. Nadat zij, onder verwijzing naar A-G Strikwerda [82] , had vooropgesteld dat voor die kwalificatie de aard van de toekomstige gebeurtenis bepalend is, overwoog zij als volgt:
als hoofdregel” zouden worden afgelost/uitgekeerd) dat de vorderingen uit hoofde van de ledenlening en de participatiereserve op datum faillissement
bestaandevorderingen waren, zij het onder een tijdsbepaling (omdat de aflossing/uitkering na verloop van tijd zou plaatsvinden).
Sub Rosa) [85] eveneens dat de aanspraken uit hoofde van de ledenleningen en participatiereserves, voor zover door de rechtsvoorgangers van FloraHolland (CBF en CBA [86] ) voorafgaand aan de faillietverklaring op de desbetreffende rekeningen geboekt, moeten worden gekwalificeerd als ten tijde van de faillietverklaring
bestaandevorderingen onder opschortende voorwaarden/tijdsbepalingen. Daartoe nam het onder meer in aanmerking:
AlveraFlora) en het arrest van het hof Den Haag van 3 juni 2014 (
Sub Rosa) stelt Tekstra vast dat de formuleringen van de statuten in deze zaken onderling verschillen, maar dat zij in beide gevallen aangeven dat uitbetaling na een bepaald aantal jaren zal geschieden, of zoveel eerder of later als dat van de kant van Floraholland wordt vastgesteld. Hij onderschrijft de rechterlijke oordelen dat het gaat om bestaande vorderingen en is van mening dat zowel voor de ledenlening als de participatiereserve geldt dat een vordering ontstaat op het moment van
bijschrijvingop de ‘rekeningen’. Wel merkt ook Tekstra op dat de participatiereserve een wat meer hybride figuur vormt, vooral omdat die wordt gekwalificeerd als eigen vermogen van de coöperatie. Niettemin vormt ook de participatiereserve volgens de annotator een vanaf het bijboekingsmoment bestaande vordering, waarvan de opeisbaarheid in de toekomst ligt. Volgens Tekstra valt de vordering het beste te vergelijken met een vordering van een aandeelhouder in een vennootschap wegens vastgesteld dividend met uitgestelde “betaalbaarstelling”, [91] zijnde eveneens een bestaande vordering.
Sub Rosa-uitspraak de juiste. Het hof haakt aan bij de wijze waarop de partijen de vordering hebben vorm gegeven en zoals zij dit hebben vastgelegd in de statuten. Volgens deze auteur betreft het ontstaansmoment van een vordering een kwestie van privaatrecht en geldt binnen het privaatrecht partijautonomie en contractsvrijheid. Het komt dan ook allereerst aan op hetgeen partijen met betrekking tot het ontstaansmoment van de vordering hebben afgesproken. Het feit dat de
opeisbaarheidvan de vordering beïnvloed kan worden door de debiteur of crediteur staat hier los van. De vordering is pas toekomstig als het
ontstaanvan een vordering afhankelijk is van een in de toekomst door de debiteur en/of crediteur nog te verrichten handeling, aldus de auteur.
kanFloraHolland besluiten om een deel van de participatiereserve aan haar leden uit te keren. Ook bij uitkeringen in verband met het einde van een lidmaatschap, bijvoorbeeld als gevolg van een faillissement van een lid,
kanFloraHolland besluiten om tot uitkering over te gaan. De vordering tot uitkering is derhalve afhankelijk van besluitvorming aan de kant van FloraHolland en kwalificeert dus als
toekomstig. De statuten van FloraHolland die aan de orde waren in de in het artikel van Vermaire besproken uitspraken bevatten nog niet deze discretionaire bevoegdheid: deze bepaalden nog dat de reserves
wordenuitgekeerd bij het einde van een lidmaatschap.
ledenkapitaal. De vordering vertoont daarmee grote gelijkenis met de vordering ter zake van de waarde van het maatschapsaandeel die centraal stond in het arrest
Staal Bankiers/Ambags q.q.Gelijk aan de daar aan de orde zijnde kapitaalinbreng wordt de participatiereserve beschouwd als risicodragend eigen vermogen en wordt dat pas uitgekeerd na een daartoe genomen besluit van de debiteur (in het ene geval de andere vennoten en in het andere geval de coöperatie), dus een wilsverklaring aan de zijde van de debiteur. In lijn met het arrest
Staal Bankiers/Ambags q.q.ontstaat de vordering tot uitkering van participatiereserves daarom pas na het besluit van de debiteur, aldus Boeve. Tot dezelfde uitkomst komt men indien de uitkering van een participatiereserve wordt gezien als een
vertraagde winstuitkering. De vordering tot uitkering van dit winstaandeel, vergelijkbaar met een dividenduitkering, ontstaat pas nadat de debiteur daarover een besluit heeft genomen, aldus Boeve.
toekomstigevordering. Volgens de annotatoren vertoont de participatierekening zoals deze statutair is vormgegeven gelijkenis met winstreserves zoals die in statuten van kapitaalvennootschappen vaak worden verbonden aan verschillende soorten aandelen. Deze behoren tot het eigen vermogen van de BV (art. 2:373 lid 1 sub f BW Pro) en in beginsel zijn alleen de houders van de desbetreffende aandelen tot een dergelijke reserve gerechtigd. Uit de statuten (2013) van FloraHolland blijkt dat een lid de op zijn participatierekening bijgeschreven bedragen niet kan verzilveren door overdracht of omzetting, maar deze in twee gevallen aan zich kan laten uitkeren, namelijk: (i) steeds (uiterlijk) 21 jaar na bijschrijving van de desbetreffende bedragen, en (ii) het saldo ineens, indien hij in staat van faillissement is verklaard. In beide situaties heeft het lid echter niet zonder meer recht op betaling. In het eerstgenoemde geval wordt er alleen uitgekeerd als de algemene ledenvergadering daartoe heeft besloten op voorstel van het bestuur, en in het tweede geval moet het bestuur tot de uitkering hebben besloten. Gaan deze organen daar niet toe over – het is mogelijk dat de participatierekening wordt aangewend ter delging van verliezen en dat als gevolg daarvan minder of zelfs niets wordt uitgekeerd – dan heeft het lid geen recht op uitkering. Het besluit tot uitkering is dus geen formaliteit, maar een ontstaansvoorwaarde. Gelet daarop moet volgens Rensen en Steneker de vordering tot uitbetaling van de participatierekening, voordat de algemene ledenvergadering respectievelijk het bestuur het besluit tot uitkering heeft genomen, worden aangemerkt als een toekomstige vordering. De vordering uit hoofde van de ledenlening is volgens de annotatoren wel een bestaande vordering, nu uit art. 7:129 lid 1 BW Pro volgt dat de vordering tot terugbetaling van een geldlening ontstaat op het moment dat het geld wordt verstrekt.
principale middelbestreden rov. 2.26-2.28 en de voorafgaande rov. 2.25 luiden als volgt:
kanbesluiten tot betaalbaarstelling daarvan aan het desbetreffende lid (en dat een dergelijk besluit na dat eenentwintigste boekjaar niet meer kan worden genomen). Dit betekent dat voor het ontstaan van een dergelijke aanspraak een handeling c.q. wilsverklaring is vereist van FloraHolland, alsdan debiteur van het lid, en dit maakt dat de desbetreffende aanspraak zolang een dergelijke handeling nog niet is verricht, in de zin van artikel 35 lid 2 Fw Pro als toekomstige vordering moet worden aangemerkt (vgl. HR 25 maart 1988, ECLI:NL:HR: 1988:AD0247,
NJ1989/200 (Staal Bankiers/Ambags q.q.)). Gesteld noch gebleken is dat ten aanzien van het saldo op de participatierekening op het moment van faillietverklaring van [de vof] reeds besluiten als bedoeld in artikel 34 lid 3 van Pro de statuten waren genomen.
niet in geschil” is dat art. 34 lid 3 van Pro de statuten aldus moet worden uitgelegd dat de algemene vergadering op voorstel van het bestuur uiterlijk in het eenentwintigste boekjaar na het boekjaar waarin een bedrag op de participatierekening van een lid is bijgeschreven,
kanbesluiten tot betaalbaarstelling daarvan aan het desbetreffende lid. Volgens het subonderdeel is deze vaststelling onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd in het licht van de stelling van Rabobank dat op grond van art. 34 lid 3 van Pro de statuten een bedrag dat wordt bijgeschreven op de participatierekening uiterlijk na 21 jaar
wordtterugbetaald aan het desbetreffende lid. Daarmee zou zij hebben aangevoerd dat de algemene vergadering tot terugbetaling
zalbesluiten. [95]
Feiten” (CvA, nrs. 3-38). Onder die kop heeft Rabobank de toepasselijke statuten vermeld (nr. 28) en vervolgens, onder aanhaling van art. 17 statuten Pro, de regeling van de ledenlening samengevat (nrs. 30-32). Vervolgens heeft zij op dezelfde wijze (met citaat van de artikelen 33 en 34 statuten) de regeling van de participatierekening samengevat (nrs. 33-34). Gelet op deze context heeft het hof de passage in CvA nr. 34 kennelijk en niet onbegrijpelijk opgevat als een louter beschrijvende parafrase van art. 34 leden Pro 3-5 statuten, waarbij het tweede deel (“Een bedrag dat…”) kennelijk de termijnen van voldoening herhaalt (21 jaar) respectievelijk noemt (10 jaar) die kunnen gelden
indiendaadwerkelijk tot voldoening, als bedoeld in het eerste deel van de passage (“kan”), wordt besloten. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof in dit deel van de passage niet de stelling van Rabobank heeft gelezen dat de algemene vergadering telkens tot betaalbaarstelling van de betreffende jaarlaag als bedoeld in art. 34 lid 3 statuten Pro
zalbesluiten.
besluitvan de algemene vergadering als bedoeld in art. 34 lid 3 statuten Pro. Het hof heeft daarmee miskend dat het antwoord op de vraag naar het ontstaansmoment van een vordering afhankelijk is van de
aardvan de desbetreffende rechtsverhouding, in dit geval de rechtsverhouding uit hoofde van de participatierekening. De aard van die rechtsverhouding brengt mee dat de vordering uit hoofde van de participatierekening reeds ontstaat op het moment dat het desbetreffende bedrag wordt
bijgeschrevenop de participatierekening. Ter onderbouwing voert het subonderdeel de volgende omstandigheden aan:
staat vastdat dit bedrag uiterlijk in het 21e boekjaar na dat van de bijschrijving zal worden
uitgekeerd. Het door bijschrijving ontstane creditsaldo kan op grond van de statuten slechts op twee manieren worden uitgekeerd: of het wordt uitbetaald aan het lid (uitkering door uitbetaling), of het wordt afgeboekt ter delging van een tekort (uitkering door verrekening). Slechts het moment van uitkering, derhalve de
opeisbaarheid, is afhankelijk van een toekomstige onzekere gebeurtenis (het besluit van de algemene vergadering), maar niet het
bestaanvan de vordering;
rekening-courantverhouding. Op grond van art. 6:140 lid 1 BW Pro is dan op ieder tijdstip het saldo verschuldigd (maar niet noodzakelijkerwijs al opeisbaar). Een vordering uit hoofde van een saldo op een rekening-courantverhouding is daarom een bestaande vordering, ongeacht of die opeisbaar is;
vergoeding, bestaande uit een percentage van het saldo op de desbetreffende participatierekening, bijgeschreven op de participatierekening (art. 33 lid 2 statuten Pro). Deze vergoeding kan niet anders worden begrepen dan als een rentevergoeding. Als het saldo op de participatierekening niet zou kwalificeren als een bestaande vordering, valt niet in te zien waarom rente wordt vergoed over dat saldo.
subonderdeel 1b(i).
subonderdeel 1b(iii). [98]
kanzijn:
Kramer q.q./NMB);
Staal Bankiers/Ambags q.q.) of de crediteur (
[…] / […] ; ASR/Achmea);
ING/Nederend q.q.);
Famed/Kreikamp q.q.), en
De Lage Landen/Van Logtestijn q.q.).
eigen vermogenvan de coöperatie (art. 34 lid Pro 1);
kan, op voorstel van het bestuur, besluiten dat een in een bepaald boekjaar op de participatierekeningen bijgeschreven bedrag (‘jaarlaag’) aan de leden betaalbaar wordt gesteld, uiterlijk in het 21e boekjaar na het boekjaar waarin die jaarlaag is toegevoegd (art. 34 lid Pro 3);
kanhet bestuur besluiten dat de contante waarde van het saldo van de participatierekening binnen drie maanden na de vaststelling van de jaarrekening over het boekjaar waarin het vonnis tot faillietverklaring onherroepelijk is geworden, wordt uitgekeerd (art. 34 lid Pro 5).
Staal Bankiers/Ambaqs q.q., dat zolang een dergelijke handeling nog niet is verricht, sprake is van een toekomstige vordering in de zin van art. 35 lid 2 Fw Pro. In rov. 2.27 oordeelt het hof – in cassatie niet bestreden – dat de stelling van Rabobank dat het in de recente geschiedenis van FloraHolland niet is voorgekomen dat jaarlagen niet zijn uitgekeerd, niet maakt dat een verplichting tot uitkering bestond of dat het nemen van het door de statuten voorgeschreven besluit betekenisloos is. In rov. 2.28 passeert het hof – evenmin bestreden – de stelling van Rabobank dat, na het ongebruikt verstrijken van de in de statuten genoemde termijn, een natuurlijke verbintenis tot uitkering van het saldo resteert.
kan”) kon het hof oordelen dat de vordering met betrekking tot de participatierekening afhankelijk is van (een) handeling(en) c.q. wilsverklaring(en) van de debiteur (een voorstel van het bestuur en besluit van de algemene vergadering (art. 34 lid Pro 3)). Vervolgens heeft het hof terecht, in lijn met het arrest
Staal Bankiers/Ambags q.q., [99] geoordeeld dat een vordering die afhankelijk is van (een) wilsverklaring(en) aan de zijde van de debiteur, pas ontstaat door het afleggen van deze wilsverklaring(en). Toepassing van het Kleijn-criterium (zie nr. 3.32 hiervoor) zou tot dezelfde uitkomst leiden.
opeisbaarheidvan de vordering. Een dergelijke bepaling is in de statuten van FloraHolland echter niet opgenomen.
nieteen vordering tot uitkering verkrijgen. Dit maakt het oordeel van het hof niet onjuist of onbegrijpelijk. Zoals aangegeven, kwalificeert de participatiereserve veelal – en ook in dit geval – als eigen vermogen van de coöperatie en hebben de leden als zodanig niet a priori aanspraak op uitkering van een aandeel in de winst (zie hiervoor, nrs. 2.6 e.v.).
vaststaatdat dit (uiterlijk in het 21e boekjaar daarna)
zal worden uitgekeerd, hetzij door uitbetaling, hetzij door verrekening. Daarmee ziet het middel eraan voorbij dat naar het niet onbegrijpelijke oordeel van het hof uit de statuten volgt dat de vraag
ofhet bijgeschreven bedrag wordt uitbetaald afhankelijk is van een daartoe genomen besluit van de zijde van de coöperatie.
onder (ii)– het bestaan van een rekening-courantverhouding tussen de coöperatie en het lid – berust op de
vooronderstellingdat sprake is van geldvorderingen en -schulden (art. 6:140 BW Pro) en behelst in die zin een cirkelredenering. [100] Het hof heeft echter, op basis van een niet onbegrijpelijke uitleg van de statuten, geoordeeld dat het lid geen vordering op de coöperatie verkrijgt zolang door de coöperatie/debiteur geen besluit tot uitkering is genomen. De bijschrijvingen en afboekingen op de participatierekening zijn dan te beschouwen als administratieve handelingen, die als zodanig geen vorderingsrecht scheppen.
onder (iii)– bijschrijving van een participatievergoeding als bedoeld in art. 33 lid 2 statuten Pro – ziet eraan voorbij dat deze vergoeding slechts naar omvang wordt bepaald door het bedrag op de participatierekening; haar bijschrijving is niet afhankelijk van de verschuldigdheid van dat bedrag. [101] Uit de statuten volgt niet dat de participatievergoeding kwalificeert als rente. Dat de hoogte van het bij de berekening van de participatievergoeding te hanteren percentage gelimiteerd is tot die van het rentepercentage over de ledenlening (art. 33 lid Pro 2 (slot) jo. 17 lid 2 statuten) maakt dit niet anders.
subonderdeel 1cfaalt eveneens. Op de aangegeven vindplaatsen heeft Rabobank de stelling in kwestie – te weten: dat een besluit tot delging van een exploitatiekort door afboeking op de participatierekening (art. 33 lid 4 statuten Pro) leidt tot het ontstaan van een tegenvordering van FloraHolland welke met het saldo van de participatierekening wordt verrekend – aangevoerd ten betoge dat de mogelijkheid van afboeking van tekorten op de participatierekening (i) niet meebrengt dat geen sprake zou zijn van een vordering van het lid uit hoofde van de participatierekening (MvA inc., nr. 20), respectievelijk (ii) geen invloed heeft op het ontstaansmoment van de vordering uit hoofde van de participatierekening (CvA, nr. 83). In de eerste plaats heeft het hof hierin niet de stelling moeten lezen dat het creditsaldo slechts kan worden uitgekeerd door uitbetaling of afboeking ter delging van een tekort (zoals het subonderdeel veronderstelt), laat staan de stelling dat vaststaat dat een bijgeschreven bedrag zal worden uitgekeerd (subonderdeel 1b). In de tweede plaats ligt een verwerping van die laatste twee stellingen besloten in het oordeel van het hof (in rov. 2.26) dat de vordering uit hoofde van de participatierekening
pas ontstaatdoor het door de statuten voorgeschreven besluit tot betaalbaarstelling.
subonderdeel 1dslaagt niet. Ook van deze stelling – kort gezegd: betaling van een als ‘rente’ aan te merken participatievergoeding veronderstelt het bestaan van een vordering – ligt de verwerping besloten in het oordeel dat de vordering pas ontstaat na het besluit tot betaalbaarstelling. Onbegrijpelijk is dit niet. Ik verwijs naar nr. 3.70 hiervoor.
onderdeel 2faalt in navolging van onderdeel 1.
Grief 2 in het incidenteel hoger beroepklaagt over het oordeel van de rechtbank dat de aanspraken van [de vof] (…) uit hoofde van de ledenlening per datum faillissement niet als toekomstige vorderingen moet worden aangemerkt. (…)
NJ2010/653 (ING/Nederend q.q.)) als zodanig ingrijpend worden aangemerkt, dat zou moeten worden gesproken van een nieuwe vordering. De werking van artikel 17 lid 4 van Pro de statuten is slechts dat de bestaande vordering uit hoofde van de ledenlening vervroegd opeisbaar wordt.”
vervroegd opeisbaarwordt (art. 17 lid 4 statuten Pro).
zullen wordenafgelost. Voorts bepaalt art. 17 lid 4 dat Pro, na het eindigen van het lidmaatschap, het tegoed op de ledenlening aan het oud-lid
wordtvoldaan op de in de statuten aangegeven wijze.
ING/Nederend q.q. [106] In het geval dat tot dit arrest heeft geleid had een vennootschap al haar bestaande en toekomstige vorderingen aan de bank verpand. Na haar faillietverklaring had de curator een aantal overeenkomsten van de vennootschap met derden opgezegd. Uw Raad oordeelde dat vorderingen tot ongedaanmaking of restitutie als gevolg van ontbinding of opzegging van een overeenkomst voor de toepassing van art. 35 lid 2 Fw Pro moeten worden aangemerkt als vorderingen die pas ontstaan door de beëindigingshandeling, omdat door de ontbinding of opzegging de rechtsverhouding tussen partijen ingrijpend wordt gewijzigd, als gevolg waarvan veelal bestaande verbintenissen tot een einde komen en nieuwe verbintenissen (tot ongedaanmaking of restitutie) ontstaan. In het onderhavige geval is echter geen sprake van een dergelijke ingrijpende wijziging van de rechtsverhouding en het tenietgaan van verbintenissen, maar van het vervroegd opeisbaar worden van een reeds bestaande vordering tot terugbetaling van een geldlening.
Onderdelen I en II incidenteel middel: kan een onoverdraagbare vordering worden verpand?
niet onverpandbaarzijn (rov. 2.20-2.24 resp. rov. 2.32).
participatierekeningbestaat, gelet op (i) het in het principale cassatieberoep tevergeefs bestreden oordeel van het hof dat de vordering uit hoofde van de participatierekening kwalificeert als toekomstige, van besluiten als bedoeld in art. 34 lid 3 statuten Pro afhankelijke vordering in de zin van art. 35 lid 2 Fw Pro, en (ii) de onbestreden vaststelling dat dergelijke besluiten ten tijde van de faillietverklaring niet waren genomen (rov. 2.26), bij de klachten geen belang. Deze oordelen tezamen dragen immers reeds zelfstandig de door het hof bekrachtigde beslissing van de rechtbank dat het saldo op de participatierekening niet aan Rabobank is verpand. Ik bespreek de klachten in zoverre ten overvloede.
onderdeel IIsubsidiair [107] aan dat, in tegenstelling tot wat het hof in rov. 2.23 en 2.32 heeft overwogen, als uitgangspunt moet gelden dat een overdrachtsverbod waarvan uit de – naar objectieve maatstaven uit te leggen – formulering blijkt dat daarmee goederenrechtelijke werking als bedoeld in art. 3:83 lid 2 BW Pro is beoogd, zo moet worden uitgelegd dat het ook in de weg staat aan een rechtsgeldige verpanding, tenzij de mogelijkheid tot verpanding voldoende duidelijk is toegestaan. Althans heeft het hof miskend dat voor de beantwoording van de vraag of een goederenrechtelijk overdrachtsverbod ook moet worden uitgelegd als een goederenrechtelijk verpandingsverbod, geen bijzondere uitlegregel geldt, aldus onderdeel II.
Grief 2 in het principaal hoger beroepricht zich tegen het oordeel van de rechtbank dat (de keerzijde van) artikel 3:228 BW Pro, dat alle goederen die voor overdracht vatbaar zijn, verpandbaar maakt, met zich brengt dat het onoverdraagbaarheidsbeding van artikel 34 lid 7 van Pro de statuten, tevens onverpandbaarheid meebrengt. Ook overigens is volgens Rabobank geen sprake van onverpandbaarheid.
NJ2004/281 (Oryx/ […] ), heeft de Hoge Raad over het in die zaak aan de orde zijnde beding dat
cessie en verpandingverbood, geoordeeld dat een in strijd daarmee verrichte cessie op grond van artikel 3:83 lid 2 BW Pro ongeldig was en dat “krachtens artikel 3:98 [BW] dit een en ander ook [geldt] voor verpanding”. De verwijzing door de Hoge Raad naar artikel 3:98 BW Pro impliceert dat verpanding separaat, dat wil zeggen los van eventuele onoverdraagbaarheid, goederenrechtelijk kan worden uitgesloten en dat de grondslag hiervoor artikel 3:98 BW Pro (in verbinding met artikel 3:83 lid 2 BW Pro) is. Dit is in overeenstemming met de opvatting dat artikelen 3:81 lid 1 en 3:228 BW niet gelezen behoeven te worden als wettelijke uitzondering op de overeenkomstige toepassing van de regels voor de overdracht van goederen op de vestiging van beperkte rechten op die goederen. Daarbij past dat ook mogelijk is dat een vordering in de zin van artikel 3:83 lid 2 BW Pro onoverdraagbaar wordt gemaakt maar niet onverpandbaar.
vorderingsrechtenbepaalt art. 3:83 lid 2 BW Pro dat de overdraagbaarheid ook kan worden uitgesloten door een
beding tussen schuldeiser en schuldenaar. Deze bepaling berust op de gedachte dat partijen in beginsel de vrijheid hebben om bij overeenkomst de inhoud en de grenzen van het vorderingsrecht zelf te bepalen, dus ook de overdraagbaarheid ervan. [108]
verpandbaarheidkan worden uitgesloten door een beding tussen schuldeiser en schuldenaar. [109]
Oryx/ […] [110] was in de overeenkomst tussen schuldeiser en schuldenaar het beding opgenomen dat het de schuldeiser verboden was zijn uit die overeenkomst voortvloeiende vorderingen zonder toestemming van de schuldenaar aan een derde “
te cederen, verpanden of onder welke titel dan ook in eigendom over te dragen” (door uw Raad in het vervolg aangeduid als “
het verpandingsverbod”). Met betrekking tot de vraag of het verpandingsverbod in de weg stond aan de geldige verpanding van een uit de overeenkomst ontstane vordering oordeelde uw Raad:
goederenrechtelijke werkinggeven aan een contractueel overdraagbaarheids- of verpandingsverbod. Een handeling in strijd met zo’n beding kan niet leiden tot een rechtsgeldige overdracht of verpanding. [111]
obligatoir bedingovereenkomen dat het vorderingsrecht niet of slechts beperkt zal mogen worden overgedragen of verpand. Een dergelijk beding heeft geen goederenrechtelijke werking: een vervreemding of verpanding in weerwil van het beding raakt de geldigheid van de overdracht of verpanding niet, maar leidt ertoe dat de schuldeiser tekortschiet in de nakoming van zijn verbintenis om niet te doen. [112]
Oryx/ […]is in de literatuur dan ook kritisch ontvangen. De kern van deze kritiek is dat goederenrechtelijke werking van contractuele overdrachts- en verpandingsverboden de schuldeiser van de vordering belemmert in zijn mogelijkheden de vordering voor financieringsdoeleinden te gebruiken, bijvoorbeeld door de vordering te verpanden of in het kader van factoring of securitisation te cederen. Dit zou de financiering van ondernemingen bemoeilijken. Daarnaast is opgemerkt dat Nederland met deze benadering uit de pas loopt met andere Europese rechtsstelsels. [116]
Coface/Intergamma. [118] In dit arrest overweegt uw Raad in de eerste plaats dat de kritische ontvangst van het arrest
Oryx/ […]in de literatuur geen aanleiding vormt tot heroverweging van zijn rechtspraak, omdat die strookt met de wettekst en wetsgeschiedenis en omdat moet worden aangenomen dat de praktijk zich hierop heeft ingesteld. Het gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten om een keuze te maken uit de alternatieven die kunnen worden overwogen met betrekking tot de regeling van overdrachtsverboden, aldus uw Raad. Vervolgens oordeelt uw Raad:
NJ2005/493). Als uitgangspunt bij de uitleg van bedingen die de overdraagbaarheid van een vorderingsrecht uitsluiten, moet worden aangenomen dat zij uitsluitend verbintenisrechtelijke werking hebben, tenzij uit de - naar objectieve maatstaven uit te leggen - formulering daarvan blijkt dat daarmee goederenrechtelijke werking als bedoeld in art. 3:83 lid 2 BW Pro is beoogd.”
Coface/Intergammageformuleerde uitlegmaatstaf betoogd dat met een beding goederenrechtelijke werking is beoogd indien de onoverdraagbaarheid c.q. onverpandbaarheid – blijkens de formulering van het beding – tot
eigenschap van de vorderingis gemaakt, en het beding niet slechts verplichtingen aan partijen bij de overeenkomst oplegt. [119]
Oryx/ […], dat
“krachtens artikel 3:98 [BW] dit een en ander ook [geldt] voor verpanding”,geen ontkennend antwoord op deze vraag worden afgeleid. Uit deze overweging van uw Raad volgt mijns inziens niet meer dan dat art. 3:98 jo Pro. 83 lid 2 BW het mogelijk maakt om (alleen) de verpandbaarheid van de vordering uit te sluiten en dat in dat geval een verpanding in strijd met het verpandingsverbod niet slechts wanprestatie oplevert, maar ongeldigheid van de verpanding tot gevolg heeft. [120]
nietvan rechtswege tot de onverpandbaarheid van de vordering, maar moet door uitleg worden vastgesteld of partijen hebben beoogd de vordering tevens onverpandbaar te maken.
en overdraagbaarrecht toekomt, binnen de grenzen van dat recht de in de wet genoemde beperkte rechten kan vestigen. Voorts kan volgens art. 3:228 BW Pro op alle goederen
die voor overdracht vatbaar zijneen recht van pand hetzij van hypotheek worden gevestigd. De tekst van deze artikelen is duidelijk: alleen voor overdracht vatbare goederen – vorderingen daaronder begrepen – kunnen worden verpand;
deeloverdracht’ is [123] , rechtvaardigt de conclusie om (ook los van art. 3:81 lid 1 en Pro art. 3:228 BW Pro) aan te nemen dat onoverdraagbaarheid van de vordering aan verpanding in de weg staat;
opvatting iibepleiten (samengevat) als volgt weerlegd: [124]
nietzonder meer voortvloeit dat partijen ook beoogd hebben de vatbaarheid voor verpanding uit te sluiten. Partijen dienen dit uitdrukkelijk bepaald te hebben of door uitleg dient te worden vastgesteld dat zij dit hebben beoogd, aldus Verhagen en Rongen.
schriftelijkaan de debiteur is gedaan. [138]
zou moetenleiden tot onverpandbaarheid, laat de tekst van de artikelen 3:81 en 3:228 BW naar mijn mening geen ruimte om voor het pandrecht op vorderingen een uitzondering toe te staan op het (dwingendrechtelijke) overdraagbaarheidsvereiste. Partijen hebben met betrekking tot vorderingsrechten weliswaar een grote vrijheid om hun rechtsverhouding naar eigen wens vorm te geven, maar deze vrijheid vindt zijn grenzen in wettelijke regels van dwingend recht. Art. 3:228 BW Pro is een dergelijke bepaling van dwingend recht. [144]
Oryx/ […], terecht opgemerkt dat, als opvatting ii zou worden aanvaard, dit hoogstwaarschijnlijk slechts tot gevolg zal hebben dat schuldenaren voortaan naast een overdrachtsverbod ook uitdrukkelijk een verpandingsverbod zullen bedingen. [145] Dit zal derhalve waarschijnlijk niet leiden tot de gewenste verruiming van de financieringsmogelijkheden voor het bedrijfsleven.
nietkan worden verpand. Het hof heeft dit miskend in rov. 2.21 van het arrest, en heeft daarop vervolgens ten onrechte voortgeborduurd in rov. 2.22-2.24 en 2.32.
Oryx/ […], zie hiervoor onder 4.13). Ook de curator (van de schuldeiser) kan daarop een beroep doen.
onderdeel Ivan het incidentele middel slaagt.
lidmaatschapzo moet worden uitgelegd dat hiermee goederenrechtelijke onoverdraagbaarheid van de in dezelfde bepaling genoemde
ledenleningis gegeven.
5.Onderdeel IV incidenteel middel: ledenlening naar aard onoverdraagbaar
lid 2BW had verworpen, heeft het hof vervolgens in de bestreden rov. 2.33 als volgt overwogen:
aardniet overdraagbaar is als bedoeld in art. 3:83
lid 1BW, waarbij samengevat is aangevoerd dat:
aard van het rechtzich tegen overdracht verzet.
persoonlijk karakterhebben, zoals wanneer de te verrichten prestatie verband houdt met persoonlijke eigenschappen van de schuldeiser, [152] of wanneer de aard van de aan de vordering ten grondslag liggende rechtsverhouding zich tegen overdracht verzet. [153] In de literatuur worden onder meer het recht op levensonderhoud en het recht op pensioen, [154] alsmede het recht op kost en inwoning op grond van een pensionovereenkomst [155] genoemd als vorderingen die naar hun aard onoverdraagbaar zijn. Met betrekking tot het vorderingsrecht van de curator in faillissement op grond van art. 2:248 BW Pro (bestuurdersaansprakelijkheid) heeft uw Raad geoordeeld dat dit vorderingsrecht, gezien zijn bijzondere aard, niet voor overdracht vatbaar is. [156]
De Staat/Appels [158] dat de aard van een in het kader van steunverlening door de staat verstrekt krediet met zich kan brengen dat het zozeer gebonden is aan de persoon van de staat als schuldeiser, dat de rechten en bevoegdheden uit het krediet slechts door de staat behoren te worden uitgeoefend. Het vorderingsrecht van een bank op een cliënt uit hoofde van een overeenkomst van geldlening verzet zich er volgens uw Raad niet tegen dat dit vorderingsrecht door een bank aan een niet-bank wordt overgedragen. [159]
stelling i, dat de vordering afhankelijk is van het (niet-overdraagbare) lidmaatschap, geldt dat het hof deze stelling in rov. 2.33, eerste twee volzinnen, uitdrukkelijk heeft verworpen. Het hof oordeelt daar immers dat het recht op terugbetaling van de ledenlening, in tegenstelling tot het stemrecht van het lid, geen recht is dat onlosmakelijk aan het lidmaatschap is verbonden. Dit oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Het hof hoefde dit oordeel bovendien niet nader te motiveren.
stelling iiin te gaan, omdat deze niet als essentieel valt aan te merken Zelfs indien deze stelling – dat FloraHolland zelf van mening is dat de vordering uit hoofde van de ledenlening niet overdraagbaar is – zou moeten worden aanvaard, dan kan dit er niet toe leiden dat de vordering uit hoofde van de ledenlening
naar haar aardniet-overdraagbaar is.
stelling iiigeldt dat het hof deze in rov. 3.32 expliciet heeft verworpen in het kader van de beoordeling van de vraag of de ledenlening onverpandbaar is als gevolg van een beding in de zin van art. 3:83 lid 2 BW Pro. Het hof hoefde deze stelling daarom niet opnieuw te bespreken in het kader van de beoordeling van de vraag of de ledenlening naar haar aard onverpandbaar was op grond van art. 3:83 lid 1 BW Pro.