ECLI:NL:HR:2003:AF0168

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 januari 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C01/162HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp
  • J.B. Fleers
  • A.G. Pos
  • O. de Savornin Lohman
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:36 BWArt. 3:83 lid 2 BWArt. 3:88 BWArt. 3:98 BWArt. 3:239 lid 4 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verpandingsverbod leidt tot niet-overdraagbaarheid vordering, niet tot beschikkingsonbevoegdheid

In deze zaak stond centraal of een verpandingsverbod tussen twee partijen de geldigheid van een verpanding van een vordering in de weg staat. Oryx had een pandrecht op vorderingen van [B] B.V., waaronder een vordering op de vennootschap onder firma [A], waarbij een verpandingsverbod was overeengekomen tussen [B] en [A].

De rechtbank en het hof oordeelden dat het verpandingsverbod de overdraagbaarheid van de vordering uitsloot, waardoor de verpanding ongeldig was. Oryx voerde aan dat zij te goeder trouw was en niet op de hoogte van het verbod, maar dit werd verworpen.

De Hoge Raad bevestigde dat het verpandingsverbod niet leidt tot beschikkingsonbevoegdheid maar tot niet-overdraagbaarheid van de vordering zelf. Dit betekent dat de verpanding niet geldig is, ook niet als de pandhouder te goeder trouw is. De wettelijke bepalingen in Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek ondersteunen dit oordeel.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van Oryx en veroordeelde haar in de proceskosten. Hiermee werd het arrest van het hof bekrachtigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van Oryx wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.

Uitspraak

17 januari 2003
Eerste Kamer
Nr. C01/162HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
ORYX (HOLDING) B.V., gevestigd te Meer, België,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. A.H. Vermeulen,
t e g e n
[Verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. M.A. Leijten.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiseres tot cassatie - verder te noemen: Oryx - heeft bij exploit van 3 september 1998 verweerster in cassatie, tevens handelende onder de naam [A] v.o.f., gevestigd te [vestigingsplaats] - verder te noemen: [verweerster] - gedagvaard voor de Rechtbank te Rotterdam en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [verweerster] te veroordelen om aan Oryx te betalen een bedrag van ƒ 65.679,91, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van een maand na elke factuurdatum, alsmede de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van ƒ 5.558,99, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dit exploit tot aan de dag der algehele voldoening.
[Verweerster] heeft de vordering bestreden.
De Rechtbank heeft bij vonnis van 1 juli 1999 Oryx haar vorderingen ontzegd.
Tegen dit vonnis heeft Oryx hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 28 december 2000 heeft het Hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft Oryx beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [verweerster] mede door mr. M.C. Brilman, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de door het Hof in rov. 1.1-1.5 vastgestelde feiten. Kort samengevat komen die op het volgende neer. Als zekerheid voor de terugbetaling van een lening van Oryx heeft [B] B.V.(hierna: [B]) in 1995 Oryx een pandrecht verschaft op al haar bestaande en nog te verkrijgen vorderingen. In 1996 heeft [B] uit onderaanneming een vordering van ƒ 65.679,91 verkregen op de vennootschap onder firma [A] v.o.f. (hierna: [A]), van welke vennootschap [verweerster] in 1995 en 1996 vennoot was. Volgens art. 6 van Pro de desbetreffende overeenkomst was het [B] uit onderaanneming verboden haar uit die overeenkomst voortvloeiende vorderingen zonder toestemming van [A] "aan een derde te cederen, verpanden of onder welke titel dan ook in eigendom over te dragen" (hierna: het verpandingsverbod). De vordering van ƒ 65.679,91 op [A] - hierna: de vordering - is vermeld op door [B] in het kader van eerdergenoemde verpanding ten behoeve van Oryx opgemaakte pandlijsten.
3.2 In dit geding gaat het om de vraag of het verpandingsverbod in de weg staat aan de geldigheid van de verpanding van de vordering. De Rechtbank en het Hof hebben die vraag bevestigend beantwoord en op die grond de hiervoor onder 1 vermelde vordering van Oryx, die is gebaseerd op haar pandrecht, afgewezen. Daartegen richt zich het middel.
3.3 In rov. 3.2 heeft het Hof geoordeeld, samengevat, dat [B] niet bevoegd was tot verpanding van de vordering omdat de overdraagbaarheid daarvan wordt bepaald door de rechtsverhouding tussen [B] en [A], terwijl het feit dat Oryx niet op de hoogte was van het verpandingsverbod en te goeder trouw uitging van de beschikkingsbevoegdheid van [B], haar ten opzichte van [A] niet kan baten en een beroep op art. 3:36 BW Pro geen doel treft. Onderdeel 1.2 van het middel bestrijdt dit oordeel, de onderdelen 1 en 1.1 bevatten geen klachten.
3.4.1 Het onderdeel wordt tevergeefs voorgesteld. Weliswaar leidt een verpandingsverbod als dit niet tot beschikkingsonbevoegdheid van de gerechtigde tot de vordering doch tot niet-overdraagbaarheid van de vordering zelf, maar dat doet niet af aan de juistheid van het oordeel dat het verpandingsverbod in de weg staat aan de geldigheid van de verpanding en dat noch het feit dat Oryx niet op de hoogte was van het verpandingsverbod noch het bepaalde in art. 3:36 BW Pro tot een ander oordeel kan leiden.
3.4.2 Art. 3:83 lid 2 BW Pro brengt immers mee dat de overdraagbaarheid van een vordering kan worden uitgesloten door een beding als hier tussen [A] en [B] is gemaakt. Anders dan het onderdeel betoogt, levert een overdracht in strijd met zo'n beding niet slechts wanprestatie van de gerechtigde tot de vordering tegenover zijn schuldenaar op, maar heeft het beding ongeldigheid van die overdracht tot gevolg. Krachtens art. 3:98 geldt Pro dit een en ander ook voor verpanding. Daaruit volgt dat in dit geval de vordering ten gevolge van het verpandingsverbod niet kon worden verpand. Of Oryx ten tijde van de verpanding op de hoogte was van het verpandingsverbod, doet niet terzake. Voorzover met het betoog over de goede trouw van Oryx in het onderdeel wordt bedoeld een beroep te doen op art. 3:88 in Pro verbinding met 3:239 lid 4 BW, faalt het omdat hier geen sprake is van onbevoegdheid die voortvloeit uit de ongeldigheid van een vroegere overdracht, zoals in die bepalingen bedoeld. Ook komt Oryx geen beroep toe op art. 3:36, omdat zij in deze niet is afgegaan op een verklaring of gedraging van de debiteur van de vordering, [A] of [verweerster]; de enige verklaring waarop zij, zoals het Hof in cassatie niet bestreden heeft overwogen, is afgegaan, is die van [B], haar wederpartij.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Oryx in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 847,30 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, A.G. Pos, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer O. de Savornin Lohman op 17 januari 2003.