ECLI:NL:HR:2003:AF0168
Hoge Raad
- Cassatie
- G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp
- J.B. Fleers
- A.G. Pos
- O. de Savornin Lohman
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Verpandingsverbod leidt tot niet-overdraagbaarheid vordering, niet tot beschikkingsonbevoegdheid
In deze zaak stond centraal of een verpandingsverbod tussen twee partijen de geldigheid van een verpanding van een vordering in de weg staat. Oryx had een pandrecht op vorderingen van [B] B.V., waaronder een vordering op de vennootschap onder firma [A], waarbij een verpandingsverbod was overeengekomen tussen [B] en [A].
De rechtbank en het hof oordeelden dat het verpandingsverbod de overdraagbaarheid van de vordering uitsloot, waardoor de verpanding ongeldig was. Oryx voerde aan dat zij te goeder trouw was en niet op de hoogte van het verbod, maar dit werd verworpen.
De Hoge Raad bevestigde dat het verpandingsverbod niet leidt tot beschikkingsonbevoegdheid maar tot niet-overdraagbaarheid van de vordering zelf. Dit betekent dat de verpanding niet geldig is, ook niet als de pandhouder te goeder trouw is. De wettelijke bepalingen in Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek ondersteunen dit oordeel.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van Oryx en veroordeelde haar in de proceskosten. Hiermee werd het arrest van het hof bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Oryx wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.