ECLI:NL:HR:1929:358
Hoge Raad
- Cassatie
- Fentener van Vlissingen
- Schepel
- Van Gelein Vitringa
- Kirberger
- Polak
- Rechtspraak.nl
Beperking van derdenbeslag tot goederen en gelden aanwezig bij beslaglegging
In deze zaak stond de omvang van een derdenbeslag centraal, waarbij de Staat der Nederlanden werd veroordeeld tot uitbetaling van een bedrag aan de Buitenlandsche Bankvereeniging. De vraag was of het derdenbeslag zich uitstrekte tot gelden die na de beslaglegging onder de derde kwamen te berusten.
De rechtbank en het hof hadden geoordeeld dat de verklaring van de Staat moest zien op het saldo op het moment van beslaglegging, doch het hof bevestigde dat de Staat ook moest verklaren over latere bedragen die onder zijn beheer kwamen. De Hoge Raad vernietigde dit oordeel en stelde dat het beslag zich beperkt tot de goederen en gelden die op het moment van het leggen van het beslag onder de derde berusten.
De Hoge Raad motiveerde dit door te wijzen op de tekst en strekking van de relevante artikelen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waarbij het beslag bedoeld is om de schuldeiser zekerheid te bieden over de op dat moment aanwezige gelden en goederen. Latere stortingen vallen niet onder het beslag. Hierdoor werd het arrest van het hof en het vonnis van de rechtbank vernietigd en werd de verklaring van de Staat goedgekeurd, waarmee de Staat slechts het bedrag hoefde uit te betalen dat op het moment van beslaglegging bestond.
Uitkomst: Het derdenbeslag strekt zich slechts uit tot goederen en gelden die op het moment van beslaglegging onder de derde berusten.