Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelklaagt dat het hof, na terugwijzing van de zaak door Uw Raad, ten onrechte heeft geoordeeld dat het niet hoefde te bepalen welk deel van de eerder door het gerechtshof opgelegde straf voor de feiten 1 en 3 is opgelegd en welk deel daarvan voor feit 2.
‘De Hoge Raad:
nietde strafoplegging heeft vernietigd. Dit betekent dat in deze procedure uitsluitend aan het oordeel van het hof is onderworpen het onder feit 2 tenlastegelegde en dat de overige beslissingen van het hof in haar arrest van 29 september 2014 tot oplegging van straf, de oplegging van maatregelen en de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen door de Hoge Raad in stand zijn gelaten en daarmee onherroepelijk zijn geworden.’
NJ2005/54 en HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2979,
NJ2016/71 m.nt. Keulen.
eerstelezing is die van het hof. Het hof leest de terugwijzingsopdracht van Uw Raad aldus dat alleen het onder feit 2 tenlastegelegde aan het oordeel van het hof is onderworpen en dat de beslissingen van het hof in het arrest van 29 september 2014 tot oplegging van straf, de oplegging van maatregelen en de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen door Uw Raad in stand zijn gelaten en daarmee onherroepelijk zijn geworden.
tweedelezing gaat ervan uit dat de vernietiging ‘wat betreft het onder 2 tenlastegelegde’ tevens de strafoplegging omvat. Daarvoor pleit, dat de voorwaardelijke gevangenisstraf ook wegens het onder 2 bewezenverklaarde is opgelegd. Voor deze lezing van de terugwijzingsopdracht pleit voorts dat zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de terugwijzingsopdracht die in gevallen als het onderhavige gebruikelijk is. En er is nog een reden om de terugwijzingsopdracht in deze zin te lezen. Het hof heeft in het arrest uit 2014 aan de schadevergoedingsmaatregelen in totaal 3926 dagen vervangende hechtenis verbonden. Eerder heeft Uw Raad in geval van overschrijding van het wettelijk maximum van de vervangende hechtenis bij deze maatregelen – bij samenloop als bedoeld in art. 57 Sr Pro mocht die ten hoogste een jaar bedragen – ambtshalve de duur van de hechtenis zover verminderd dat deze niet boven het wettelijk maximum uitkwam. [4] Een dergelijke ambtshalve ingreep bleef achterwege in het arrest van Uw Raad van 5 juli 2016. Als het arrest van het hof ook wat betreft de strafoplegging werd vernietigd, was ambtshalve cassatie ten aanzien van de duur van deze vervangende hechtenis niet aan de orde. In een dergelijke vernietiging zijn de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen begrepen. [5] Alleen de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen, die aan feit 1 verbonden zijn, bleven in deze lezing buiten de vernietiging. [6]
derdelezing gaat ervan uit dat de vernietiging ‘wat betreft het onder 2 tenlastegelegde’ alleen het gedeelte van de opgelegde straf raakt dat op het onder 2 bewezenverklaarde ziet, en dat het hof de straffen (en maatregelen) voor zover zij wegens het onder 1 en 3 bewezenverklaarde zijn opgelegd diende te bepalen, met analoge toepassing van art. 423, vierde lid, Sv. Dat is in de kern de lezing van de steller van het middel. Voor deze lezing pleit dat zij aansluit bij de bewoordingen van de terugwijzingsopdracht, in zoverre daarin aan het hof wordt opgedragen de zaak wat betreft het onder 2 tenlastegelegde opnieuw te berechten en af te doen, terwijl zij het hof tevens verplicht de beslissingen te nemen die aan de orde zijn bij de feiten die niet aan het oordeel van het hof zijn onderworpen.