Uitspraak
[woonplaats].
1.De bestreden einduitspraak
2.Het cassatieberoep
3.De conclusie van het Openbaar Ministerie
4.Beoordeling van het middel
5.Slotsom
6.Beslissing
27 februari 1996.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 24 maart 1995, waarin het hof geen straf of maatregel oplegde aan de verdachte voor het opzettelijk en wederrechtelijk beschadigen van enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort. Dit arrest volgde op een eerdere vernietiging door de Hoge Raad van een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam en verwijzing van de zaak.
In eerste aanleg was de verdachte veroordeeld door de Politierechter te Amsterdam tot een geldboete van vijfhonderd gulden, subsidiair tien dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Het Gerechtshof te Amsterdam bevestigde deze straf bij hoger beroep, maar de Hoge Raad vernietigde dit arrest en verwees de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Op de terechtzitting bij het Hof te 's-Gravenhage was de verdachte aanwezig met zijn raadsvrouw, waarna het hof geen straf oplegde maar wel de vordering van de beledigde partij toewijst. De verdachte stelde cassatieberoep in, dat door de Hoge Raad werd verworpen omdat het middel niet tot cassatie kon leiden en geen ambtshalve vernietiginggrond aanwezig was.
De Hoge Raad benadrukte dat de rechter na vernietiging gebonden is aan diens beslissing en dat een cassatieberoep niet gericht kan zijn tegen een uitspraak van de Hoge Raad zelf. Het beroep van de verdachte werd daarom verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage blijft in stand zonder strafoplegging.