ECLI:NL:HR:2007:BA1741

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
02707/06
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 24c SrArt. 57 SrArt. 60a SrArt. 81 RO
Verwijzingen
7 uitgaand · 7 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering vervangende hechtenis bij betalingsverplichtingen in samenloop van strafzaken

In deze strafzaak tegen verdachte, die medeplegen van moord en poging tot moord betrof, heeft het Hof de verdachte veroordeeld tot achttien jaar gevangenisstraf en betalingsverplichtingen opgelegd aan de Staat ten behoeve van twee benadeelde partijen. Het Hof bepaalde tevens vervangende hechtenis bij niet-betaling, waarbij de duur van de vervangende hechtenis respectievelijk 257 en 247 dagen bedroeg.

De Hoge Raad oordeelt dat op grond van art. 36f lid 6 Sr in verbinding met art. 24c Sr en art. 60a Sr bij samenloop van strafzaken de vervangende hechtenis ten hoogste één jaar mag bedragen. De opgelegde duur overschrijdt dit maximum en moet daarom worden verminderd.

De Hoge Raad vernietigt het deel van het arrest dat betrekking heeft op de duur van de vervangende hechtenis en bepaalt deze op respectievelijk 190 en 175 dagen, waarmee het wettelijke maximum van één jaar wordt gerespecteerd. Het overige van het arrest wordt bevestigd en het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: De vervangende hechtenis bij betalingsverplichtingen wordt verminderd tot maximaal één jaar conform wettelijke bepalingen.

Uitspraak

29 mei 2007
Strafkamer
nr. 02707/06
IC/ZK/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 20 februari 2006, nummer 20/008844-05, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Zuid Oost" te Roermond.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 14 april 2005 - de verdachte ter zake van onder 1 primair "medeplegen van moord, meermalen gepleegd" en onder 2 primair "medeplegen van poging tot moord, meermalen gepleegd" veroordeeld tot achttien jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen en gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast zijn aan de verdachte betalingsverplichtingen opgelegd, een en ander zoals in het arrest omschreven.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.M. Sjöcrona, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.1. De bestreden uitspraak houdt in dat het Hof aan de verdachte op de voet van art. 36f Sr de verplichting heeft opgelegd tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] van respectievelijk € 24.474,30 en € 22.474,30. Daarbij heeft het Hof de vervangende hechtenis bepaald op respectievelijk 257 en 247 dagen.
4.2. Op grond van art. 36f, zesde lid, Sr in verbinding met art. 24c Sr kan bij het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat zoals hier bedoeld, worden bepaald dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende hechtenis wordt toegepast. Deze vervangende hechtenis mag in het onderhavige geval, waarin sprake is van samenloop als bedoeld in art. 57 Sr Pro, ingevolge art. 60a Sr in verbinding met art. 24c, derde lid, Sr ten hoogste één jaar bedragen.
4.3. De Hoge Raad zal zelf de duur van de vervangende hechtenis verminderen in die zin dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van één jaar.
5. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de bij de aan de verdachte opgelegde verplichtingen tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] bepaalde vervangende hechtenis;
bepaalt dat het aan de Staat te betalen bedrag van € 24.474,30 ten behoeve van [benadeelde partij 1] bij gebreke van betaling en verhaal dient te worden vervangen door 190 dagen vervangende hechtenis;
bepaalt dat het aan de Staat te betalen bedrag van € 22.474,30 ten behoeve van [benadeelde partij 2] bij gebreke van betaling en verhaal dient te worden vervangen door 175 dagen vervangende hechtenis;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 29 mei 2007.