Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
5 juli 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De verdachte was eerder door het hof veroordeeld voor meerdere feiten, waaronder het niet voldoen aan een ambtelijk bevel en overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994.
De Hoge Raad vernietigde in een eerder arrest de strafoplegging voor het onder 1 tenlastegelegde feit en wees de zaak terug aan het hof voor hernieuwde berechting en afdoening. Het hof sprak de verdachte vrij van het onder 1 tenlastegelegde feit, maar oordeelde dat de strafoplegging voor de feiten 2 en 3 niet opnieuw hoefde te worden beoordeeld.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof hiermee de terugwijzingsopdracht heeft miskend, omdat de vernietiging van de strafoplegging ook de strafoplegging van de overige feiten omvat. Desondanks verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van een evident belang van de verdachte bij zijn klacht en het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een evident belang ondanks miskende terugwijzingsopdracht.