Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
11 februari 2020.
Hoge Raad
In deze strafzaak oordeelt de Hoge Raad over de omvang van een terugwijzingsopdracht na cassatie, specifiek of de vernietiging 'wat betreft de strafoplegging' ook de strafbepaling ex art. 423, vierde lid, Sv omvat. De verdachte was veroordeeld voor vijf feiten, waarbij het hof na terugwijzing alleen de strafoplegging voor feiten 1 en 2 behandelde, terwijl de strafbepaling voor feiten 3, 4 en 5 al eerder was vastgesteld.
De Hoge Raad bevestigt dat een vernietiging 'wat betreft de strafoplegging' niet ziet op beslissingen ex art. 423, vierde lid, Sv. Dit betekent dat de strafbepaling voor feiten waarvan de veroordeling onherroepelijk is, blijft staan en niet opnieuw aan de orde komt bij terugwijzing. Het hof handelde daarmee correct door de straf voor feiten 3, 4 en 5 niet opnieuw te bepalen.
Daarnaast bespreekt de Hoge Raad de gevolgen van een vernietiging 'wat betreft de strafoplegging' voor beslissingen over vorderingen van benadeelden en schadevergoedingsmaatregelen. De oplegging van een schadevergoedingsmaatregel valt onder de strafoplegging, maar de civielrechtelijke vordering niet. Tenslotte oordeelt de Hoge Raad dat de redelijke termijn is overschreden en vermindert de opgelegde taakstraf van 240 uur naar 216 uur, subsidiair hechtenis van 120 naar 108 dagen.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de taakstraf en vervangende hechtenis wegens termijnoverschrijding en bevestigt dat de strafbepaling voor onherroepelijke feiten blijft staan.