Voetnoten
1.Gerechtshof Amsterdam 12 maart 2020, nr. 18/00447, niet gepubliceerd.
2.Gerechtshof Amsterdam 12 maart 2020, nr. 18/00446, ECLI:NL:GHAMS:2020:1168; Gerechtshof Amsterdam 12 maart 2020, nr. 18/00450, niet gepubliceerd; Gerechtshof Amsterdam 12 maart 2020, nr. 18/00449, niet gepubliceerd; respectievelijk Gerechtshof Amsterdam 12 maart 2020, nr. 18/00448, niet gepubliceerd. 3.Een groep is gedefinieerd in art. 2:24b BW. Zie onderdeel 3.22 van het verweerschrift in hoger beroep en bijlage A-8 bij het verweerschrift voor de Rechtbank.
4.Zie onderdeel 2.1 van het verweerschrift in hoger beroep en bijlage A-10 bij het verweerschrift voor de Rechtbank.
5.Bijlage A-2 bij het verweerschrift in beroep.
6.Bijlage B-11 bij het verweerschrift in beroep.
7.Zie onderdeel 2.10 van het verweerschrift in hoger beroep en bijlage B-2 bij het verweerschrift in beroep.
8.Zie bijlage C-0 bij het verweerschrift in beroep.
9.Zie onderdelen 1 en 2.1 van het Verslag bevindingen onderzoek [E] , bijlage C-0 bij het verweerschrift in beroep.
10.Zie bijlage C-1 bij het verweerschrift in beroep.
11.Zie bijlage C-2 bij het verweerschrift in beroep.
12.Zie onderdeel 6.2 van het verweerschrift.
13.De in deze conclusie opgenomen citaten uit jurisprudentie en literatuur zijn meestal zonder daarin voorkomende voetnoten opgenomen. Citaten met een tekstbewerking, zoals onderstrepingen, vet- of cursiefzettingen, zijn veelal als onbewerkt weergegeven. In citaten voorkomende witregels zijn soms weggelaten.
14.Rechtbank Noord-Holland, 26 juni 2018, nr. 16/3546, ECLI:NL:RBNHO:2018:5637 (niet zelfstandig gepubliceerd op rechtspraak.nl. 15.Geldend in 2012.
16.Geldend in 2012.
24.Zie art. 35c, eerste lid, aanhef en sub c, SW, zoals opgenomen in onderdeel 4.4 van deze conclusie.
36.Hof Den Bosch 13 september 1994, nr. 92/2246, gepubliceerd bij het arrest van de Hoge Raad van 29 mei 1996 in
49.NTFR 2020/2449.
50.NLF 2020/1171.
51.FutD 2020-1351.
52.Vakstudie 07 – SW, artikel 35c, Bedrijfsopvolgingsregeling, begrip ondernemingsvermogen, aant. 16.2
53.T.M. Berkhout en M.J. Hoogeveen, “Falsifieerbare normen en omstandighedencatalogus voor vastgoedexploitanten”,
54.P.G.H. Albert, “De maatstaf voor onderscheid tussen onderneming en belegging bij de verhuur van vastgoed”,
55.A. Rozendal, “De (on)wenselijkheid van een beleggingsfictie voor vastgoed in de BOF; een verduidelijking”,
56.A. Rozendal, “Vermogensetikettering van vastgoed in bedrijfsopvolgingssituaties”,
57.Voetnoot A-G: vgl. de discussie in 4.12-4.14.
58.Art. 35b, lid 1, SW, als opgenomen in onderdeel 4.3 van deze conclusie.
59.Zie art. 35c, lid 1, aanhef en onderdelen a tot en met c, SW, zie onderdeel 4.4 van deze conclusie.
60.Zie artikel 35c, lid 1, onderdeel c, SW: ‘[…] mits het lichaam waarop het belang betrekking heeft een onderneming drijft […]’.
61.Zie artikel 35c, lid 1, onderdeel c en onder 1, SW: ‘[…] voor zover die waarde toerekenbaar is aan […] bedoelde onderneming […]’.
62.Zie bijvoorbeeld de beslissing van het Hof in r.o. 4.8 van zijn uitspraak, opgenomen in onderdeel 2.5 van deze conclusie: ‘[…] is het Hof van oordeel dat belanghebbende met al hetgeen zij heeft aangevoerd, niet aannemelijk heeft gemaakt dat [E] voldoet aan de ‘arbeid-plus’ toets en de ‘rendement-plus’ toets.’
63.Deze definiëring van [E] is vastgesteld door de Rechtbank (r.o. 4) en overgenomen door het Hof (r.o. 2.1); zie onderdeel 2.3 en 2.5 van deze conclusie.
64.Zie feitenvaststelling van de Rechtbank (r.o. 4) en overgenomen door het Hof (r.o. 2.1); zie onderdeel 2.3 en 2.5.
65.Zie ook het arrest van de Hoge Raad van 29 mei 2020, r.o. 2.4.1, opgenomen in onderdeel 4.36 van deze conclusie: ‘Het middel wordt terecht voorgesteld voor zover het inhoudt dat in dit geval op het niveau van Beheer BV moet worden beoordeeld of aan de vijfjaarseis is voldaan (de ondernemingseis), en niet op het niveau van de schenkers (de bezitseis).’
66.Zie art. 35c, lid 5, aanhef, SW, als opgenomen in onderdeel 4.5 van deze conclusie: ‘Ingeval het lichaam waarin de erflater of schenker een aanmerkelijk belang als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, hield, een belang heeft in een ander lichaam, worden voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen de bezittingen en schulden van dat andere lichaam, met inachtneming van de omvang van dat belang, toegerekend aan eerstbedoeld lichaam, […]’.
67.Zie feitenvaststelling van de Rechtbank (r.o. 3) en overgenomen door het Hof (r.o. 2.1),opgenomen in de onderdelen 2.3 respectievelijk 2.5 van deze conclusie.
68.Zie onderdeel 3.2.6 van het beroepschrift in cassatie en onderdeel 7.1 van het verweerschrift in hoger beroep.
69.Zie onderdeel 3.2.6 van het beroepschrift en pagina 9 van het verweerschrift in cassatie.
70.De arbeid-plustoets en rendement-plustoets; vgl.
71.Zie r.o. 4.4.1 van de Hofuitspraak.
72.Zie r.o. 4.4.2 van het Hof, in onderdeel 2.5 van deze conclusie
73.Zie r.o. 4.7.5 van het Hof.
74.Zie r.o. 4.4.3.
75.De laatste twee regels van r.o. 4.4.3 van het Hof, weergegeven in onderdeel 2.5 van deze conclusie.
76.Zie onderdeel 4.33 e.v. van deze conclusie.
77.Zie Hoge Raad 29 mei 1996, nr. 30774, ECLI:NL:HR:1996:AA1845, r.o. 3.3, weergegeven in onderdeel 4.25 van deze conclusie. 78.Zie Hoge Raad 10 maart 2017, nr. 16/04190, ECLI:NL:HR:2017:396, r.o. 2.3.1, opgenomen in onderdeel 4.35 van deze conclusie. 79.Vgl. Hoge Raad 15 maart 1972, nr. 16 741, ECLI:NL:HR:1972:AY4439, opgenomen in onderdeel 4.19 van deze conclusie. 80.Vgl. Hoge Raad 24 juli 2001, nr. 36 436, ECLI:NL:HR:2001:AB2782, r.o. 3.3, opgenomen in onderdeel 4.28 van deze conclusie. 81.Zie onderdelen 5.41 e.v. van deze conclusie.
82.Zie onderdeel 2.3 van het beroepschrift in cassatie, als opgenomen in onderdeel 3.6 van deze conclusie.
83.Zie r.o. 4.5.1 van het Hof, weergegeven in onderdeel 2.5 van deze conclusie.
84.Zie r.o. 4.7.10 van het Hof, als weergegeven in onderdeel 2.5 van deze conclusie. De conclusies uit dit onderzoek zijn terug te vinden in onderdeel 4.8.2 (p. 23 en 24) van het ‘Verslag bevindingen onderzoek [E] ’ d.d. 23 september 2016, dat is opgenomen als bijlage C-0 bij het verweerschrift voor de Rechtbank.
85.Zie de analyse van de tussen 2005 en 2014 gemaakte exploitatiekosten die terug te vinden is in onderdeel 4.9 (p. 26) van het ‘Verslag bevindingen onderzoek [E] ’ d.d. 23 september 2016, dat is opgenomen als bijlage C-0 bij het verweerschrift voor de Rechtbank.
86.Zie r.o. 4.8 van het Hof, opgenomen in onderdeel 2.5 van deze conclusie.
87.Deze voetnoot uit een evaluatierapport is opgenomen in onderdeel 4.18 van deze conclusie.
88.Dit is de arbeid-plustoets, als besproken in onderdeel 5.2 van deze conclusie.
89.Dit heeft het Hof overwogen door in de laatste zin van r.o. 4.7.4 op te merken dat de Inspecteur terecht op deze vergelijking heeft gewezen.
90.Zie onderdeel 3.4.5 van het beroepschrift in cassatie, opgenomen in onderdeel 3.9 van deze conclusie.
91.Zie onderdeel 5.1 (p. 27) van het ‘Verslag bevindingen onderzoek [E] ’ d.d. 23 september 2016 opgenomen als bijlage C-0 bij het verweerschrift voor de Rechtbank.
92.Zie onderdeel 5.2 (p. 27-29) van het ‘Verslag bevindingen onderzoek [E] ’ d.d. 23 september 2016 opgenomen als bijlage C-0 bij het verweerschrift voor de Rechtbank.
93.Zie r.o. 4.7.1 tot en met 4.7.10 van het Hof, opgenomen in onderdeel 2.5 van deze conclusie.
94.Zie op één na laatste zin van r.o. 4.7.6.
95.Zie slotzin van r.o. 4.7.9.
96.Zie slotzin van r.o. 4.7.10.
97.Zie r.o. 4.7.4 van het Hof.
98.Hoge Raad 17 augustus 1994, nr. 29 755, ECLI:NL:HR:1994:ZC5731, r.o. 3.4, zie onderdeel 4.23 van deze conclusie. 99.Zie r.o. 4.5.3 van het Hof.
100.Zie onderdeel 3.4.8 van het beroepschrift in cassatie, opgenomen in onderdeel 3.9 van deze conclusie.
101.Vgl. de samenvatting van deze door de Hoge Raad uitgekristalliseerde vermogensetiketteringsregels die de Raad van State heeft gegeven in zijn advies over de Veegwet Wet IB 2001, opgenomen in onderdeel 4.17 van deze conclusie.
102.Zie de opmerkingen van de Staatssecretaris in het kader van de wijziging van de bedrijfsopvolgingsregeling in de inkomstenbelasting, als opgenomen in onderdelen 4.15 en 4.16 van deze conclusie. Dat de vermogensetiketteringsregels ook gelden voor de bedrijfsopvolgingsregeling in de erfbelasting volgt uit de wetsgeschiedenis, zie onderdeel 4.10 van deze conclusie, en is in 2016 bevestigd door de Hoge Raad, zie onderdeel 4.34.
103.Zie bijvoorbeeld artikel 2, vijfde lid, Wet op de vennootschapsbelasting 1969, waaruit volgt dat besloten vennootschappen, als waarvan in casu sprake is, bij wege van fictie ‘worden geacht hun onderneming te drijven met behulp van hun gehele vermogen’.
104.Zie de opmerking van de Staatssecretaris die zijn opgenomen in onderdelen 4.15 en 4.16 van deze conclusie: ‘Daarom wordt al het vermogen dat in de IB-winstsfeer als keuzevermogen zou kwalificeren voor toepassing van de doorschuifregelingen in de ab-sfeer aangemerkt als ondernemingsvermogen.’
105.Zie onderdeel 3.2.7 van het beroepschrift in cassatie, als opgenomen in onderdeel 3.5 van deze conclusie waarin belanghebbenden betogen dat ‘de etikettering van de onroerende zaken […] in casu [is] voorbehouden aan [E] ’.
106.Indien verhuuractiviteiten wel een onderneming zouden vormen, zou deze vraag niet meer van belang zijn omdat de verhuurde panden in dat geval verplicht als ondernemingsvermogen zouden worden geëtiketteerd.
107.Zie voor het ‘voldoende band’ criterium het arrest van de Hoge Raad van 29 juni 2012 als opgenomen in onderdeel 4.31 van deze conclusie.
108.Zie onderdeel 4.18 (p. 24) van het beroepschrift in hoger beroep.
109.Zie het arrest van de Hoge Raad van 25 maart 2016 als opgenomen in onderdeel 4.32 van deze conclusie.
110.Zie het arrest van de Hoge Raad van 29 augustus 1984, opgenomen in onderdeel 4.20.
111.Bijlage 6 bij het beroepschrift in hoger beroep.
112.Zie verweerschrift in cassatie p. 14-15.
113.Zie r.o. 4.7.5 van het Hof, als opgenomen in onderdeel 2.5.
114.Zie onderdeel 4.18 (p. 24) van het beroepschrift in hoger beroep.