ECLI:NL:HR:2021:951
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over toepassing bedrijfsopvolgingsregeling bij projectontwikkeling en verhuur
Belanghebbende erfde certificaten en aandelen in vennootschappen die zich bezighouden met projectontwikkeling en verhuur van onroerende zaken. Het geschil betrof de toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) op de waarde van deze aandelen, met name of de verhuuractiviteiten als materiële onderneming kwalificeren.
Het hof oordeelde dat de projectontwikkelings- en verhuuractiviteiten niet als één onderneming kunnen worden beschouwd en dat de verhuuractiviteiten niet meer omvatten dan normaal vermogensbeheer, waardoor de BOR niet op het verhuurvermogen van toepassing is. Belanghebbende stelde dat het hof onjuist had geoordeeld en dat de activiteiten wel als één onderneming moeten worden gezien.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had, maar dat het oordeel onvoldoende gemotiveerd was omtrent de toerekening van bepaalde panden aan de projectontwikkelingsactiviteiten. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor nader onderzoek.
De Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten en moest het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Dit arrest werd gewezen door de Hoge Raad op 18 juni 2021.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof Den Haag voor nader onderzoek naar de toerekening van panden aan projectontwikkelingsactiviteiten.