Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
5.3 Vergelijking met [A BEDRIJF]
8.4 Conclusies
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende maakte in hoger beroep bezwaar tegen de niet-toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOR) op de verkrijging van certificaten van aandelen in een vastgoedvennootschap. De vennootschap houdt zich bezig met zowel projectontwikkeling als verhuur van onroerende zaken. De inspecteur kwalificeerde slechts de projectontwikkelingsactiviteiten als ondernemingsvermogen en wees de verhuuractiviteiten aan als normaal vermogensbeheer.
Het Hof bevestigt dat voor toepassing van de BOR sprake moet zijn van een materiële onderneming, waarbij arbeid en kapitaal duurzaam zijn georganiseerd met het oogmerk winst te behalen. De ontwikkelingsactiviteiten worden als onderneming aangemerkt, maar de verhuuractiviteiten niet, omdat deze niet meer arbeid omvatten dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is en ook het rendement niet significant hoger is dan dat van vergelijkbare vastgoedbeleggers.
Belanghebbende stelde dat de activiteiten zo verweven zijn dat het gehele vermogen ondernemingsvermogen vormt, maar het Hof acht dit niet aannemelijk. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt wegens gebrek aan onderbouwing. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de aanslag verminderd en de inspecteur veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de aanslag erfbelasting verminderd tot een lagere belaste verkrijging met toepassing van de BOR op projectontwikkelingsactiviteiten.