ECLI:NL:HR:1996:AA1845

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 mei 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30774
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van der Linde
  • Bellaart
  • De Moor
  • Van Brunschot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak hof over kwalificatie huuropbrengsten als winst uit onderneming of inkomsten uit vermogen

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1988 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd gebaseerd op een belastbaar inkomen van ƒ 190.688 met heffingsrente. Na bezwaar en beroep bij het hof werd de aanslag verminderd tot ƒ 91.035 zonder heffingsrente. Het geschil betrof de vraag of de huuropbrengsten uit panden die belanghebbende had gekocht en verbouwd, winst uit onderneming of inkomsten uit vermogen waren.

Het hof oordeelde dat de omvangrijke werkzaamheden en verbouwingen wezen op een ondernemingsactiviteit en kwalificeerde de huuropbrengsten als winst uit onderneming. De Hoge Raad stelde echter dat voor de kwalificatie alleen van belang is of de werkzaamheden na voltooiing van de verbouwing meer omvatten dan normaal vermogensbeheer. Het oordeel van het hof berustte op een onjuiste rechtsopvatting en het arrest werd vernietigd.

De zaak werd verwezen naar het gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling met inachtneming van de juiste maatstaf. Tevens werd belanghebbende het griffierecht van ƒ 300 vergoed en kreeg zij gelegenheid zich uit te laten over een eventuele proceskostenveroordeling van de wederpartij.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor herbeoordeling met de juiste maatstaf over normaal vermogensbeheer.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 13 september 1994 betreffende de haar voor het jaar 1988 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1988 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 190.688,-- met toepassing van een heffingsrente als bedoeld in artikel 30a, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen tot een bedrag van ƒ 19.335,--, welke aanslag en beschikking, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur zijn gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak en de beschikking inzake de heffingsrente heeft vernietigd, en de aanslag heeft verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 91.035,--, zonder heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende heeft in de jaren 1983 tot en met 1986 een aantal te Q gelegen panden gekocht. Hiertoe behoort het complex c-straat/d-straat (hierna: de panden). Zij heeft de panden vervolgens verbouwd ten einde deze geschikt te maken voor de verhuur - door belanghebbende - van kamers, appartementen en winkels. De in het onderhavige jaar (1988) door belanghebbende met betrekking tot de verhuur van de panden verrichte werkzaamheden bestonden in ieder geval uit het innen van de huren, het oplossen van problemen met de huurders en het schoonhouden van de hal, het trappenhuis en de keuken van een van de panden.
3.2. Voor het Hof was tussen partijen - voor zover te dezen van belang - in geschil of door belanghebbende ter zake van de verhuur van de panden in 1988 genoten opbrengsten voor haar winst uit onderneming vormden, overeenkomstig het standpunt van de Inspecteur, dan wel inkomsten uit vermogen, overeenkomstig het standpunt van belanghebbende.
3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat, mede gelet op de aan de panden door de verbouwingen aangebrachte veranderingen van aard en inrichting en op de omstandigheid dat de aankoop van de panden werd gefinancierd met een hypothecaire geldlening, belanghebbende met de door haar ter zake van de verbouwing verrichte, omvangrijke arbeid beoogde voordelen uit de panden te behalen, welke het aan een belegger in zodanige zaken normaliter opkomende rendement te boven gaan en dat daaruit volgt dat de huuropbrengst van de panden niet kan worden gerekend tot de inkomsten uit vermogen.
3.4. Gelijk het primaire middel terecht betoogt, is, anders dan waarvan het Hof is uitgegaan, voor de beantwoording van de vraag of de huuropbrengst van de panden voor belanghebbende inkomsten uit vermogen vormde, slechts van belang of aard en omvang van de door haar ter zake van de verhuur verrichte werkzaamheden, nadat de verbouwing was voltooid, al dan niet meer hebben omvat dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is. Het hiervóór in 3.3 weergegeven oordeel berust derhalve op een onjuiste rechtsopvatting. 's Hofs uitspraak kan derhalve niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. Het subsidiaire middel behoeft geen behandeling.
4. Proceskosten De Hoge Raad zal met het oog op een eventuele veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken belanghebbende in de gelegenheid stellen als hierna bepaald.
5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze terzake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--, en stelt belanghebbende in de gelegenheid binnen 6 weken na heden zich uit te laten omtrent een eventuele veroordeling van de wederpartij in de kosten van het geding in cassatie.
Dit arrest is op 29 mei 1996 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en Van Brunschot, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.