Belanghebbende, die sinds 1985 een onderneming drijft, kocht in 1995 een complex met bedrijfsruimten en verhuurde deze aan zijn vader, die het vervolgens onderverhuurde aan de onderneming. Het geschil betreft de vermogensetikettering van twee terreinen binnen dit complex, waarvan terrein 2 door het hof als privévermogen werd aangemerkt omdat het louter ter belegging was aangeschaft en verhuurd aan de vader.
De Inspecteur belastte de winst uit de verkoop van het complex, inclusief terrein 2, als winst uit onderneming. Het hof oordeelde echter dat terrein 2 privévermogen was omdat belanghebbende het als particulier verhuurde. De Hoge Raad overweegt dat bij de vraag of een vermogensbestanddeel tot het ondernemingsvermogen behoort, de wil van de belastingplichtige beslissend is, tenzij dit onredelijk is.
De Hoge Raad stelt dat als een belastingplichtige duurzaam kan beschikken over een onroerende zaak die hij verhuurt maar feitelijk gebruikt voor zijn onderneming, dit gedeelte tot het ondernemingsvermogen behoort. Het hof heeft dit onjuist beoordeeld voor terrein 2. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling van de vermogensetikettering van terrein 2 en de gevolgen voor de aanslag.
De Hoge Raad wijst proceskostenveroordeling af en bepaalt dat het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren op 25 maart 2016.