Conclusie
Nummer20/01738
Het cassatieberoep
De zaak
De tenlastelegging, de bewezenverklaring, de bewijsvoering en de gevoerde verweren
het hof begrijpt 26 april 2020), met mijn auto op een parkeerplaats. Op een gegeven moment kwam er een politieauto ter plaatse. Er ontstond een woordenwisseling tussen mij en de verbalisanten. Ik werd zo boos. Ik was onder invloed van alcohol en lachgas.
Door de collega’s [verbalisant 3] , inspecteur van politie Eenheid Limburg en [verbalisant 4] , brigadier van politie Eenheid Limburg en [verbalisant 5] , hoofdagent van politie Eenheid Limburg en [verbalisant 6] , aspirant van politie Eenheid Limburg, werd mij telefonisch, samengevat, door een ieder medegedeeld:
Een bedreiging kan bestaan uit een uitlating, een (non-verbale) gedraging of een combinatie daarvan. In casu is niet sprake van een uitlating maar van een gedraging. Naar zijn aard is spugen niet een gedraging die op zichzelf voldoende is om bij bedreigde in redelijkheid de vrees te doen ontstaan dat de bedreiging ten uitvoer zou kunnen worden gelegd. Is de aard van een gedraging op zichzelf onvoldoende om als bedreigend te kunnen worden aangemerkt, zoals dat geldt voor spugen, dan kunnen de omstandigheden niettemin zodanig zijn dat zij, bezien in de context waarin die gedraging heeft plaatsgevonden, aan die gedraging het bedreigende karakter geven. De raadsman heeft betoogd dat het enkel (dreigend) spugen zonder vermelding van een corona-gerelateerde omstandigheid op zichzelf nimmer bedreiging met zware mishandeling kan opleveren. Dit betoog is onjuist omdat het miskent dat een bedreiging als bedoeld in artikel 285 Sr Pro enkel uit een gedraging kan bestaan.
De middelen
eerste middelbevat een primaire en een subsidiaire klacht. De kern van de primaire klacht is dat de ‘corona-gerelateerde’ omstandigheden die aan het ten laste gelegde handelen een bedreigend karakter zouden kunnen geven niet ten laste zijn gelegd. Gelet daarop heeft het hof ten onrechte de dagvaarding niet nietig verklaard, althans het bewezen verklaarde feit in zoverre ten onrechte gekwalificeerd als bedreiging met zware mishandeling door bij de kwalificatiebeslissing de grondslag van de bewezenverklaring te verlaten, aldus de steller van het middel.
NJ2005/448. Ten laste gelegd was dat de verdachte de aangever had bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door hem dreigend de woorden toe te voegen: "Bedankt voor die 8 jaar en als ik vrij kom, dan ga ik jou als eerste pakken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking." De Hoge Raad overwoog dat indien het hof had geoordeeld dat de omstandigheden waaronder de uitlatingen van de verdachte zijn gedaan, meebrengen dat van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht sprake is, dat oordeel ontoereikend was gemotiveerd, omdat
de gebezigde bewijsmiddelenover zodanige omstandigheden onvoldoende inhielden. De begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat de gedragingen van de verdachte al dan niet een in art. 285, eerste lid, Sr strafbaar gestelde vorm van bedreiging opleveren, toetst de Hoge Raad ook zelf mede aan de hand van omstandigheden die niet ten laste zijn gelegd maar die wel uit de feitelijke vaststellingen door het hof blijken. Illustratief is in dit verband HR 3 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9309. In die zaak had de verdachte een e-mail over het middel Anthrax en een poeder in een envelop gestopt en deze brief afgeleverd. De Hoge Raad achtte de vrijspraak van de verdachte ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, niet zonder meer begrijpelijk gemotiveerd. Tot dat oordeel kwam hij in het bijzonder tegen de achtergrond van hetgeen het hof had vastgesteld ten aanzien van de toen wereldwijd bestaande onrust over de via brieven en pakketten verspreide Anthrax-bacterie. Die wereldwijd bestaande onrust was een niet ten laste gelegde, maar wel uit de vaststellingen van het hof blijkende (maatschappelijke) omstandigheid die in dit verband relevantie kan toekomen. [5]
in redelijkheidde vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen in een geval als het onderhavige nauw samenhangt met de vraag of de bedreigde op basis van zijn voorstelling van de situatie kon menen te worden blootgesteld aan het reële gevaar zwaar lichamelijk letsel te zullen oplopen.
tweede middelbevat de klacht dat de bewezenverklaring van bedreiging met zware mishandeling door te spugen in de richting van vier verbalisanten ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat het opzet van de verdachte gericht was op het doen ontstaan van een redelijke vrees voor zware mishandeling door besmetting met corona, althans dat het hof heeft nagelaten in het bijzonder de redenen op te geven waarom het hof is afgeweken van een in dat verband gevoerd uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.