Uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 6 november 1982 - de inleidende dagvaarding voor wat betreft het aan verdachte onder IV tenlastegelegde nietig verklaard en de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder III primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van "medeplegen van poging tot moord", meermalen gepleegd en "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven", meermalen gepleegd, veroordeeld tot vijf jaren gevangenisstraf.
Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de gedeeltelijke nietigverklaring van de inleidende dagvaarding, en de gegeven vrijspraak - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Mr. A.M.M. Orie, advocaat te 's-Gravenhage, de volgende middelen van cassatie voorgesteld:
De inrichting van de telastelegging bestempelt het gevoerde verweer (pleitnota Hof nos. 18–22) tot een bewijsverweer. Toch impliceert weerlegging van het verweer de beantwoording van een kwalificatievraag: past op het feitelijke substraat van de telastelegging (na "hebbende hij") de kwalificatie bedreiging. In het licht van de verwijzingen haar literatuur en jurisprudentie had het Hof nadrukkelijk moeten motiveren welke feitelijke omstandigheden de bewezenverklaring dragen van het sterk kwalificatief gekleurde deel van de telastelegging, luidende: "bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht". Requirant verwijst naar uw arrest van 16.2.1982, NJ 1982, 411.
(ad II) te Rotterdam op 21 juli 1982 ter uitvoering van zijn voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen de bestuurder van een auto, waarmede de consul-generaal van Turkije te Rotterdam (genaamd [slachtoffer]) placht te worden of werd vervoerd, opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en handelend ter uitvoering van een tevoren opgevat plan en genomen besluit (behelzende een aanslag op die consul-generaal en daarbij - als uitvloeisel van dat plan - het doden van de bestuurder van de auto, waarmede die consul-generaal zou worden vervoerd) op 20 juli 1982 een auto, welke in dat plan als vluchtauto zou dienen, heeft geplaatst op de Westersingel, in welke auto te gebruiken vuurwapens aanwezig waren, en zich op 21 juli 1982 heeft begeven naar de Westersingel, alwaar hij, verdachte, zijn mededaders trof en alwaar hij, verdachte, zichzelf voorzag en zijn mededaders zich voorzagen van vuurwapens en aldus bewapend hebben afgewacht de komst van een auto, waarin gezeten zou zijn voornoemde consul, en alwaar een van zijn mededaders bij de komst van die auto ter plaatse vervolgens meerdere malen met een van die vuurwapens heeft geschoten van nabij op en in de richting van die bestuurder van die auto waarin voornoemde consul-generaal was gezeten, zijnde de verdere uitvoering van dat voornemen en dat misdrijf niet voltooid uitsluitend tengevolge van de van zijn, verdachtes, wil en de wil van een of meer mededaders onafhankelijke omstandigheden dat de kogels uit dat vuurwapen werden tegengehouden door de bepantsering en carrosserie van die auto en hun doel misten en dat die meerbedoelde auto zich met hoge snelheid verwijderde;
(ad III) op 21 juli 1982 in Rotterdam inzittenden van een zwarte personenauto (merk Volkswagen (V.A.G.) type Golf) heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht, hebbende hij, verdachte, toen aldaar daartoe staande nabij de noordwestelijke hoek van de Westersingel en de Mathenesserlaan met een machinepistool van het kaliber 9 mm (van het merk MAT) meerdere schoten afgevuurd in de richting van de brug tussen de Witte de Withstraat en de Mathenesserlaan, waarop zich meergenoemde auto bevond".