ECLI:NL:HR:2018:381

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 maart 2018
Publicatiedatum
20 maart 2018
Zaaknummer
16/02201
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 1 Opiumwetbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt kwalificatie opzettelijk handelen met grote hoeveelheid drugs volgens Opiumwet

De verdachte werd ten laste gelegd dat hij op 16 mei 2015 in de gemeente Werkendam opzettelijk een grote hoeveelheid hennep en hasjiesj vervoerde. Het hof verklaarde bewezen dat het ging om circa 4600 gram hennep en circa 3109 gram hasjiesj, middelen die onder lijst II van de Opiumwet vallen.

De verdachte stelde in cassatie dat het bestanddeel 'een grote hoeveelheid van de middelen' niet was tenlastegelegd en bewezenverklaard. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de tenlastelegging zo moest verstaan dat de strafverzwarende omstandigheid van een grote hoeveelheid drugs voldoende was omschreven door de genoemde hoeveelheden hennep en hasjiesj, die ruim boven de wettelijke drempel van 500 gram lagen.

De Hoge Raad bevestigde dat de kwalificatie van het feit als opzettelijk handelen met een grote hoeveelheid drugs haar grondslag vindt in het bewezenverklaarde en dat het middel faalt. Het cassatieberoep werd verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de kwalificatie van opzettelijk handelen met een grote hoeveelheid drugs wordt bevestigd.

Uitspraak

20 maart 2018
Strafkamer
nr. S 16/02201
SK
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 8 april 2016, nummer 20/002748-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
Het middel klaagt dat het Hof het bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van de middelen". Het voert daartoe aan dat het bestanddeel "een grote hoeveelheid van de middelen" niet is tenlastegelegd en bewezenverklaard.
2.2.1.
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
"hij op of omstreeks 16 mei 2015 te Nieuwendijk, in de gemeente Werkendam, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 4600 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en/of een hoeveelheid van ongeveer 3109 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hasjiesj, zijnde hennep en/of hasjiesj (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet."
2.2.2.
Daarvan is bewezenverklaard dat:
"hij op 16 mei 2015 in de gemeente Werkendam, opzettelijk heeft vervoerd, een hoeveelheid van ongeveer 4600 gram hennep en een hoeveelheid van ongeveer 3109 gram hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II."
2.3.
Het Hof heeft het aldus bewezenverklaarde gekwalificeerd als "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van de middelen".
2.4.1.
Art. 3 Opiumwet Pro luidt, voor zover in cassatie van belang:
"Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:
B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren."
Art. 11, tweede en vijfde lid, Opiumwet luidt:
"2. Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3 onder Pro B, C of D, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
5. Indien een feit als bedoeld in het tweede of vierde lid, betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd. Onder grote hoeveelheid wordt verstaan een hoeveelheid die meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel."
2.4.2.
Art. 1 Opiumwetbesluit Pro luidt:
"1. In dit besluit wordt verstaan onder:
a. wet: Opiumwet;
(...)
2. De hoeveelheid middelen, bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de wet, betreft 500 gram hennep, 200 hennepplanten of 500 eenheden van een ander middel als bedoeld in de bij de wet behorende lijst II."
2.5.
Het Hof heeft klaarblijkelijk de tenlastelegging aldus verstaan dat daarin de in art. 11, vijfde lid, Opiumwet genoemde strafverzwarende - in art. 1, tweede lid, Opiumwetbesluit nader gedefinieerde - omstandigheid dat "het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van de middelen" genoegzaam is omschreven doordat daarin is vermeld "een hoeveelheid van ongeveer 4600 gram hennep en een hoeveelheid van ongeveer 3109 gram hasjiesj". Die met de bewoordingen van de tenlastelegging niet strijdige uitleg moet in cassatie worden geëerbiedigd. Aldus ligt in de tenlastelegging en bewezenverklaring besloten dat het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van de middelen. De kwalificatie vindt derhalve haar grondslag in het bewezenverklaarde.
2.6.
Op het voorgaande stuit het middel af.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier A. El Mokhtari, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 maart 2018.