Conclusie
middelbehelst de klacht dat het hof het bewezen verklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van de middelen”, omdat het bestanddeel “een grote hoeveelheid van de middelen” niet ten laste is gelegd en bewezen is verklaard.
NJ2008/95 m.nt. Reijntjes was ten laste gelegd dat de verdachte “met een ander of met anderen” openlijk geweld had gepleegd. Daarvan werd “met een ander” bewezen verklaard. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de tenlastelegging klaarblijkelijk aldus heeft verstaan dat de in art. 141, eerste lid, Sr voorkomende term ‘in vereniging’ daarin is omschreven met de woorden “met een ander of anderen” en dat het hof, uitgaande van die uitleg, terecht heeft geoordeeld dat het bewezen verklaarde het misdrijf van art. 141, eerste lid, Sr oplevert. [10] In een zaak waarin de verdachte terechtstond wegens het overtreden van een huisverbod, oordeelde het hof bij de kwalificatie van het bewezen verklaarde dat in de tenlastelegging weliswaar het woord ‘uithuisgeplaatste’ niet stond vermeld, maar dat dit niet noodzakelijk was omdat in de tenlastelegging wel de woorden “een aan hem opgelegd huisverbod” waren opgenomen. Het bewezen verklaarde kon daarom worden gekwalificeerd als “als uithuisgeplaatste handelen in strijd met een met toepassing van artikel 2 lid 1 van Pro de Wet tijdelijk huisverbod gegeven huisverbod”. De Hoge Raad liet dit oordeel in stand en wees er daarbij op dat volgens art. 1 van Pro de Wet tijdelijk huisverbod onder ‘uithuisgeplaatste’ wordt verstaan degene aan wie een huisverbod is opgelegd. [11]
NJ2016/433 m.nt. Van Kempen. De verdachte in deze zaak was veroordeeld voor “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.” De strafverzwarende omstandigheid (“terwijl dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft”) was evenwel noch ten laste gelegd noch bewezen verklaard. De Hoge Raad oordeelde dat de kwalificatie haar grondslag niet vond in de bewezenverklaring, maar verklaarde het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking de door het hof opgelegde straf en het op het bewezen verklaarde feit gestelde strafmaximum alsmede de omstandigheid dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat de rechter (binnen de grenzen van het strafmaximum voor het bewezen verklaarde feit) bij de strafoplegging ten nadele van de verdachte rekening houdt met een omstandigheid die, hoewel dat had gekund, niet als strafverzwarende omstandigheid is ten laste gelegd en bewezen verklaard, terwijl in cassatie niet is bestreden dat van die omstandigheid ter terechtzitting is gebleken.