Conclusie
1.Feiten
“gelezen i.o”. Daaronder is een handtekening geplaatst en
“08-01-‘18”.
2.Procesverloop
kande bewindvoerder machtigen om namens hem te procederen, maar dat is geen vereiste. Ook als Quitantie niet is gemachtigd, kan zij in het hoger beroep worden ontvangen (rov. 4.1).
3.Bespreking van het cassatiemiddel
persoonvan de meerderjarige, maar
één of meer goederenvan hem worden onder bewind gesteld. Het gevolg daarvan is dat zijn bevoegdheid om rechtshandelingen te verrichten met betrekking tot de onder bewind gestelde goederen wordt ingeperkt. [29] De rechthebbende is alleen handelings
onbevoegdten aanzien van die goederen die onder bewind zijn gesteld.
beheervan de onder bewind staande goederen niet toe aan de rechthebbende, maar aan de bewindvoerder, zo bepaalt art. 438 lid 1 BW Pro. Op grond van art. 1:438 lid 2 BW Pro kan de rechthebbende nog wel over de onder bewind staande goederen
beschikken, maar uitsluitend met de medewerking van de bewindvoerder. Als de bewindvoerder medewerking weigert, kan de rechthebbende een vervangende machtiging verzoeken aan de kantonrechter.
beheermoet worden verstaan al datgene wat gedaan moet worden om het goed in stand te houden en de opbrengst ervan te verwerven. Beheer is alles wat gedaan moet worden in het kader van de normale exploitatie van de onder bewind staande goederen. Deze omschrijving van het begrip ‘beheer’ sluit aan bij art. 3:170 lid 2 BW Pro. Onder de normale exploitatie van een goed vallen feitelijke handelingen, zoals het doen van onderhoud, het vervangen van onderdelen, het innen van huur of rente, maar ook rechtshandelingen zoals het sluiten van koopovereenkomsten, het sluiten van arbeidsovereenkomsten of huurovereenkomsten voor zover dit past binnen de normale exploitatie. [30]
bij de vervulling van zijn taakde rechthebbende in en buiten rechte (art. 1:441 lid 1 BW Pro). De beschermingsbewindvoerder vertegenwoordigt de rechthebbende dus niet in het algemeen, maar alleen in het kader van de vervulling van zijn taak.
‘alle handelingen kan verrichten die aan een goed bewind bijdragen’. De wetgever heeft hiermee tot uitdrukking willen brengen dat de bewindvoerder een ruime taakstelling heeft. In de memorie van toelichting is dit als volgt verwoord (mijn onderstreping): [33]
nietin de boedel vallen. De beschermingsbewindvoerder en de Wsnp-bewindvoerder hebben dus ieder over afzonderlijke delen van de goederen van de saniet zeggenschap. [40]
buitende boedel wordt gelaten (tezamen met het nominale bedrag vormt dit het vtlb, zie hiervoor onder 3.4). [41] Hiermee is het de taak van de beschermingsbewindvoerder om ervoor zorg te dragen dat het vtlb juist besteed wordt en dat het vermogen boven het vtlb aan de Wsnp-schuldeisers ten goede komt. [42] Uit de onder 3.15 aangehaalde passage uit de wetsgeschiedenis blijkt bovendien dat het tot de taak van de beschermingsbewindvoerder behoort om ervoor te zorgen dat de beslagvrije voet correct wordt toegepast.
welhoger beroep open. In het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 30 oktober 2009 blijkt dat de schuldenaar op basis van ar. 317 Fw kan klagen over de vaststelling van de hoogte van het op grond van art. 295 lid 2 Fw Pro van rechtswege buiten de boedel vallende bedrag. [54] Op deze manier is gewaarborgd dat de schuldenaar een afwijkend voorstel voor de bepaling van het vtlb aan de rechter kan voorleggen. Het uitsluiten van de beroepsmogelijkheid tegen beslissingen op de voet van art. 295 lid 3 Fw Pro wordt daarmee verzacht. [55]
onderdeel Avan de tweede klacht (toelichting onder 2.1-2.8) wordt aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat de door de R-C gegeven beschikking niet voldoet aan de eisen van art. 230 Rv Pro, die van overeenkomstige toepassing zijn op de verzoekschriftprocedure. Door niet, althans niet kenbaar vast te stellen dat de R-C voor 27 juni 2019 een voor beroep vatbare beschikking heeft gegeven, heeft de rechtbank niet tot niet-ontvankelijkheid kunnen besluiten en is sprake van een onbegrijpelijk oordeel.
onderdeel A(toelichting onder 3.1-3.13) wordt betoogd dat de R-C ten onrechte is uitgenodigd tot het geven van zijn visie. Volgens het onderdeel bestaat de verplichting om de R-C te horen blijkens art. 314 lid 2 Fw Pro in samenhang met art. 65 Fw Pro alleen als sprake is van het beheer of de vereffening van de failliete boedel. Daarvan is volgens het onderdeel geen sprake, nu het niet gaat om een beslissing inzake het beheer, maar een beslissing in een rechtsgeschil.
beheer of vereffeningvan de boedel. Volgens de memorie van toelichtingen gaat het daarbij uitsluitend om zaken betreffende de faillissementsafwikkeling. [58] De ratio van deze bepaling is dat de rechtbank, alvorens te beslissen, kennis kan nemen van de visie van de rechter-commissaris als direct betrokkene bij het faillissement. Aangezien meestal sprake is van een mondelinge beslissing dan wel van een niet, of zeer beperkt gemotiveerde beslissing, is het van belang om over de achtergrond daarvan te vernemen. Voorbeelden zijn geschillen over de vaststelling van het curatorsalaris (art. 71 Fw Pro), het ontslag van de curator (art. 73 Fw Pro) [59] en het (ontslag uit) gijzeling (art. 87 Fw Pro). In al deze zaken gaat het om verzoeken die rechtstreeks aan de rechtbank moeten worden gericht. In die zaken is het horen van de rechter-commissaris een harde eis. Het niet-horen leidt tot vernietiging van de uitspraak. [60] Het horen van de rechter-commissaris vindt meestal plaats doordat deze schriftelijk zijn of haar visie geeft. Deze dient vervolgens aan partijen te worden toegezonden, zodat zij daarop kunnen reageren. [61]
toegestaanom dit te doen. Zeker in een geval waarvan sprake is van een mondelinge beschikking of een zeer summier gemotiveerde beschikking, zou de rechtbank behoefte kunnen hebben aan nadere informatie van de rechter-commissaris. Uit de door A-G Van Peursem in zijn conclusie van 8 juli 2019 aangehaalde feitenrechtspraak blijkt dat het in de praktijk vaker voorkomt dat de rechter-commissaris om zijn of haar visie wordt gevraagd. [65]
onderdeel Bis gehandeld in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor omdat de brief waarbij de R-C is uitgenodigd zijn visie te geven niet in kopie aan Verzoekster en Quitantie is toegezonden.