Appellant, failliet verklaard op 18 oktober 2011, verzocht om verkorting van de looptijd van zijn schuldsaneringsregeling (WSNP) die op 20 februari 2014 door het Gerechtshof Den Haag werd uitgesproken met een standaardduur van drie jaar. De rechter-commissaris wees het verzoek tot verkorting af, waarna appellant hoger beroep instelde.
De rechtbank overwoog dat het verkorten van de looptijd een discretionaire bevoegdheid van de rechter-commissaris is. Hoewel appellant stelde dat de periode van faillissement volledig in mindering gebracht zou moeten worden op de looptijd van de WSNP, oordeelde de rechtbank dat dit niet automatisch het geval is. De WSNP is gericht op het verkrijgen van een ‘schone lei’, terwijl het faillissement primair de vereffening van de boedel beoogt.
Verder stelde de rechtbank dat het minnelijk traject voorafgaand aan de WSNP en de afdrachten tijdens het faillissement niet zonder meer leiden tot verkorting van de looptijd. De belangen van schuldeisers om zoveel mogelijk van hun vorderingen betaald te krijgen, wegen zwaarder dan het belang van appellant om sneller schuldenvrij te zijn. De rechtbank concludeerde dat de driejarige looptijd gehandhaafd moet blijven en bekrachtigde de beschikking van de rechter-commissaris.