Conclusie
1. Feiten en procesverloop
2. Bespreking van de cassatiemiddelen
Middel 1neemt stelling tegen rov. 4.3 van de bestreden beschikking. Volgens het middel zou de rechtbank daarin geen daadwerkelijke belangenafweging hebben gemaakt maar van oordeel zijn geweest dat de enkele omstandigheid dat bij handhaving van de driejaarstermijn een groot deel van de schuldenlast kan worden voldaan reeds voldoende grond oplevert voor afwijzing van het verzoek.
Middel 2voert een viertal klachten aan tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.4 dat [verzoeker 2] niet in aanmerking kan komen voor een verkorting van de duur van de schuldsaneringsregeling omdat zij daaraan voorafgaand niet in staat van faillissement heeft verkeerd. De klachten komen erop neer dat de rechter niet gebonden is aan de Recofa-richtlijnen, deze richtlijnen niet limitatief zijn, de rechtbank ten onrechte geen betekenis heeft gehecht aan het gegeven dat [verzoeker 2] het meerdere boven het vrij te laten bedrag heeft afgedragen en de wetgever bedoeld heeft een schuldenaar niet (veel) langer dan drie jaar onder het bestaansminimum te laten leven. De eerste twee klachten falen omdat de rechter weliswaar niet gebonden is aan de Recofa-richtlijnen maar wel de vrijheid heeft zich daarop te oriënteren [7] . De laatste twee klachten vinden hun weerlegging in de bespreking van middel 1.