Conclusie
3.Het eerste middel
NJ2014/441, m.nt. Borgers kan worden afgeleid dat in cassatie weliswaar kan worden geklaagd over de maatstaf die het hof heeft toegepast bij de afwijzing van getuigenverzoeken, maar dat de enkele omstandigheid dat het hof bij de afwijzing van een verzoek niet de juiste maatstaf heeft genoemd, niet zonder meer voldoende rechtens te respecteren belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe feitelijke behandeling van de zaak oplevert. Gelet op het voorgaande heeft de verdachte in cassatie niet zonder meer belang bij een klacht als de onderhavige. [4]
4.Het tweede middel
(hof: [getuige 1] )wilde helpen. Hij heeft buiten op straat bij coffeeshop [A] de Marokkaanse jongen geduwd en tegen de jongen geroepen “Opkankeren, ga je kankermoeder lastigvallen”. De jongen trok toen meteen een mes. Bij de rechter-commissaris heeft [benadeelde] verklaard dat de verdachte deze jongen is. Nadat de jongen een mes trok kwam hij op [benadeelde] afgestapt, zei hij dat hij een Marokkaan was en dat hij niet over zijn moeder moest beginnen. Toen de jongen zich terugtrok heeft hij tegen [benadeelde] gezegd dat hij terug zou komen.
(hof: [benadeelde] )zich ermee begon te bemoeien. [benadeelde] zei wat tegen de jongen, waarop de jongen kwaad werd en begon te schreeuwen. [getuige 1] zag dat de jongen opeens een mes pakte en daar iets bij riep. Hij zag dat de jongen met het mes in zijn hand naar [benadeelde] toe liep. [getuige 1] heeft - nadat hem de beelden zijn getoond - verklaard dat de man met de beige jas en de donkere pet de man is die het mes heeft getrokken.
5.Het vierde middel
Beroep op noodweer ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde
6.Het derde middel
(hof: de auto van het slachtoffer)de kruising met [a-straat] op. Na het passeren van de Nissan Micra rent hij achter dit voertuig aan. De man bevindt zich vervolgens kort achter het voertuig en schiet meermalen in de richting van het voertuig.
trok, een contra-indicatie is voor de voorbedachte raad. Hieruit, en ook uit de voor het bewijs gebezigde verklaring van [getuige 4] , die de verdachte vervoerd zou hebben naar de plaats delict, [25] uit wiens verklaring niet blijkt dat hij bij de verdachte een vuurwapen heeft waargenomen, valt immers af te leiden dat de verdachte het vuurwapen in of onder zijn kleding droeg. In dat verband is het oordeel van het hof dat het handelen van de verdachte niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsbeweging onbegrijpelijk. Dat oordeel is evenmin begrijpelijk gelet op de afzonderlijke beledigende en treiterende gedragingen van [benadeelde] jegens de verdachte (het roepen “Opkankeren, ga je kankermoeder lastigvallen”, het met een auto gas geven, remmen, de verdachte dichterbij laten komen, weer gas geven en een middelvinger opsteken en daarbij roepen “kom nu dan, kom nu dan”). Daarmee is ook het oordeel van het hof dat er geen contra-indicaties aannemelijk zijn geworden die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan, onbegrijpelijk.
NJ1980/204. [29] De verdachte had om 18.50u zijn auto bij de woning van het slachtoffer tot stilstand gebracht, was vandaar, voorzien van met sokken omwikkelde schoenen naar het achtererf van deze woning gelopen, had zich aldaar met een pistool opgehouden en om 22.05u het thuiskomende slachtoffer doodgeschoten. De Hoge Raad oordeelde dat het hof daaruit heeft kunnen afleiden dat de verdachte niet in een opwelling heeft gehandeld maar “na in kalm beraad en rustig overleg het voornemen te hebben opgevat en het besluit te hebben genomen het slachtoffer te doden”. [30]
7.Het vijfde middel
(pagina 530)
(pagina’s 548 en 549)
(pagina 554)
NJ2017/447 m.nt. Kooijmans het volgende overwogen:
8.Het zesde middel
NJ2019/379 m.nt. Vellinga [35] , houdt, voor zover van belang, het volgende in: