Conclusie
eerste middelklaagt primair dat het hof met betrekking tot bewijsmiddel 2 niet, althans niet in voldoende (begrijpelijke) mate de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging en/of dat de bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit niet (zonder meer) uit de bewijsvoering kan volgen. Subsidiair klaagt het middel dat het hof heeft verzuimd te beslissen op het voorwaardelijk verzoek om verbalisant [verbalisant 1] als getuige te horen.
(het hof begrijpt: dat de verdachten wegrenden)naar de weg. Daarop ben ik weer over het tuinhek naar de voorzijde van de woning geklommen. Ik zag toen dat er een manspersoon vanaf de voordeur van de woning wegrende. Ik zag dat de verdachte linksaf sloeg op de Baron de Schencklaan en hierop een brandgang inrende. Ik zag toen ik de verdachte naderde dat verdachte twee handschoenen vasthad. Ik zag dat hij deze handschoenen in een strook onkruid wierp. Vervolgens heb ik de verdachte gesommeerd om te gaan liggen waarop ik de verdachte heb aangehouden.
uit de richting vande voordeur van de woning, maar ook
uitde woning. De klacht gaat uit van de eerstgenoemde lezing en voert daarnaast aan dat het hof zulks ten onrechte in het midden heeft gelaten, zowel ten aanzien van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de raadsvrouw ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, als in de bewijsvoering.
richtingvan de voordeur van de woning – gezien
opde plaats delict
ten tijdevan de poging tot inbraak en werd hij in de directe omgeving daarvan aangetroffen direct nadat het feit was begaan.
uitde woning te hebben zien komen en houdt, als gezegd, in dat het hof zou hebben verzuimd een beslissing te nemen op een ter terechtzitting door de raadsvrouw gedaan voorwaardelijk verzoek tot het horen van deze getuige.
uitde woning heeft zien komen en daarmee de aan het verzoek verbonden voorwaarde verwezenlijkt is. [2]
uitde voordeur heeft zien lopen. Het hof heeft blijkens zijn arrest vastgesteld dat verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard de verdachte
vanafde voordeur van de woning te hebben zien wegrennen. Daarmee is de aan het verzoek gerelateerde voorwaarde dat het hof ervan uitgaat dat verbalisant [verbalisant 1] de verdachte
uitde woning heeft zien komen, niet vervuld. Anders dan het middel wil, was het hof tot een uitdrukkelijke beslissing op het voorwaardelijke getuigenverzoek niet gehouden. Ook de subsidiaire klacht is tevergeefs voorgesteld.
tweede middelklaagt dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, de vordering van de benadeelde partij heeft toegewezen en de schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd, voor zover deze betrekking hebben op de schade die (aan de paneeldeur) is opgetreden ten gevolge van het handelen van de politie in de woning van de benadeelde partij.
“Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]
De vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] .
NJ2015/359, m.nt. Schalken bijvoorbeeld, oordeelde de Hoge Raad dat de door ontvreemding van overschrijvingskaarten en girale geldbedragen ontstane schade kon worden beschouwd als rechtstreeks geleden door het medeplegen van witwassen van die bedragen. En afhankelijk van de omstandigheden van het geval, kunnen de bewezenverklaarde opzetheling en de kort daarvoor gepleegde diefstal van een goed in zodanig nauw verband tot elkaar staan dat gezegd kan worden dat de door de verdachte gepleegde opzetheling rechtstreeks de door de beledigde partij geleden schade heeft veroorzaakt (HR 24 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0985,
NJ1998/537). Dat mogelijk de schade mede het gevolg is van keuzes die de benadeelde partij na het strafbare feit heeft gemaakt, staat op zichzelf niet aan de aansprakelijkheid van de verdachte in de weg. Zo waren in HR 21 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1533,
NJ1999/801 de door de benadeelde partij gemaakte inschrijvingskosten voor een woning “uit de buurt” van de wegens mishandeling veroordeelde verdachte aan de verdachte toe te rekenen. Voorts liet de Hoge Raad in stand het oordeel dat de door de benadeelde partij met betrekking tot het cilinderslot geleden schade in zodanig nauw verband stond met de bewezenverklaarde diefstal met braak door de verdachte, dat die schade redelijkerwijs moest worden aangemerkt als rechtstreeks aan de benadeelde partij toegebracht (HR 10 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2576). En in het arrest van 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5333 oordeelde de Hoge Raad dat de kosten die in het kader van onderzoek naar het strafbare feit door een ingeschakeld bedrijfsrecherchebureau waren gemaakt, waaronder de personeelskosten, als rechtstreekse schade konden worden aangemerkt. Meer in het algemeen had de Hoge Raad eerder reeds overwogen dat onder rechtstreekse schade mede zijn te verstaan de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt om het gepleegde strafbare feit aan het licht te brengen (HR 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7077,
NJ2008/468, m.nt. Borgers).
condicio sine qua non-toets. [19] In een tweede stap wordt vervolgens de omvang van de schadevergoedingsverbintenis bepaald aan de hand van het criterium van toerekening naar redelijkheid. [20] In art. 6:98 BW Pro is de toerekeningsleer die met betrekking tot de causaliteit in de rechtspraak van de civiele kamer van de Hoge Raad is ontwikkeld, als volgt verwoord: voor vergoeding komt slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.
NJ2008/262 casseerde de Hoge Raad het oordeel van het hof dat ouders voor een door hun minderjarige kinderen begane brandstichting in een horecagelegenheid niet aansprakelijk waren voor de door de horecaondernemer naar aanleiding van een door de brand ontstaan huurgeschil met de verhuurder van het pand geleden inkomensschade. In HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2895,
NJ2014/429 had een werknemer op de werkvloer zijn voet gebroken. Nadat het gips reeds enige tijd van de voet was verwijderd en terwijl de werknemer herstellende was, struikelde hij na het werk thuis over een deurmat. Het daarbij opgelopen knieletsel was volgens het hof niet meer toerekenbaar aan de werkgever, maar de Hoge Raad kon zich in dat oordeel niet vinden en vernietigde het arrest.