Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerstemiddel klaagt over schending van art. 6 EVRM Pro en de artikelen 278, 281 en 415 Sv. ’s Hofs afwijzing van het verzoek van de raadsvrouw van de verdachte tot aanhouding van de behandeling van de zaak teneinde de verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik te laten maken, zou gelet op hetgeen ter motivering van het verzoek is gesteld en aangevoerd niet voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd zijn.
NJ2019/285 m.nt. Mevis heeft Uw Raad enkele algemene opmerkingen gemaakt over de wijze waarop verzoeken tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting die verband houden met het in art. 6, derde lid onder c, EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht dienen te worden onderbouwd en door de rechter dienen te worden beoordeeld. Uw Raad overwoog onder meer:
NJ2006/661 m.nt. Schalken, overwoog het EHRM inzake de mogelijkheid van afstand van het aanwezigheidsrecht:
latitante), which was founded on a presumption with an insufficient factual basis, that he had waived his right to appear at the trial and defend himself (…). It has also had occasion to point out that, before an accused can be said to have implicitly, through his conduct, waived an important right under Article 6 of the Convention, it must be shown that he could reasonably have foreseen what the consequences of his conduct would be (…).
force majeure(…). At the same time, it is open to the national authorities to assess whether the accused showed good cause for his absence or whether there was anything in the case file to warrant finding that he had been absent for reasons beyond his control (…).’
expresslyafstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Zo overwoog Uw Raad in HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1614 dat ’s hofs oordeel ‘inhoudende dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn’ zonder nadere motivering niet begrijpelijk was nu het kennelijk berustte ‘op de enkele grond dat de voorzitter van de receptie van het Hof had vernomen dat de verdachte “afstand heeft gedaan van zijn recht bij de terechtzitting van heden aanwezig te zijn”.’
NJ2002/317 m.nt. Schalken kan worden afgeleid dat Uw Raad in een aantal situaties aanneemt dat de verdachte
tacitlyvrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Dat is in de eerste plaats het geval ‘indien ter terechtzitting de raadsman van de aldaar niet aanwezige verdachte is verschenen en deze niet heeft geklaagd over een betekeningsverzuim’ (rov. 3.26). Voorts moet uit de omstandigheid ‘dat door of namens de verdachte in hoger beroep geen gebruik is gemaakt van de gelegenheid te klagen over het betekeningsverzuim in eerste aanleg’ worden afgeleid dat de verdachte ‘alsnog vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht in eerste aanleg’ (rov. 3.29). En indien de dagvaarding van een verdachte die is ingeschreven in een GBA (thans BRP) of wiens feitelijke woon of verblijfplaats in Nederland of wiens adres in het buitenland bekend is, ‘rechtsgeldig is betekend en de verdachte noch zijn raadsman op de terechtzitting is verschenen, kan de rechter – behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel – uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht’ (rov. 3.33). Daarbij geldt in hoger beroep nog de bijzonderheid dat onder omstandigheden, om afstand van aanwezigheidsrecht te mogen aannemen, ook een afschrift van de appèldagvaarding dient te zijn gezonden naar een opgegeven adres (rov. 3.38).
the applicant had largely contributed to bringing about a situation that prevented him from appearing’ op de terechtzitting (rov 58). Dat biedt mogelijkheden in situaties waarin de rechter uit feiten en omstandigheden afleidt dat de verdachte niet zozeer bij de berechting aanwezig wil zijn als wel aanhouding verzoekt om het strafproces langer te laten duren. Het EHRM zet dat evenwel niet in de sleutel van afstand van recht. Uit de overwegingen die Uw Raad in HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934,
NJ2019/285 m.nt. Mevis heeft geformuleerd, leid ik af dat Uw Raad de gronden die voor een verzoek om aanhouding zijn aangevoerd, wil betrekken bij de afweging van belangen die aan de orde is als ‘zich niet het geval voordoet dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is geoordeeld’.
NJ2013/74 had de raadsman van de verdachte om aanhouding verzocht aangezien de verdachte ‘verhinderd is ter terechtzitting te verschijnen in verband met haar stage’. Het hof wees het aanhoudingsverzoek af ‘aangezien uit de akte uitreiking blijkt dat de oproeping van de verdachte voor de zitting op 20 oktober 2011 rechtsgeldig – aan de griffier – is betekend en er op diezelfde datum een afschrift is verzonden naar het gba-adres van de verdachte. Voorts heeft de raadsman ter terechtzitting van heden verklaard dat de verdachte op de hoogte was van de zittingsdatum. Niet is gebleken dat zij niet in staat is om ter terechtzitting van heden te verschijnen. Het recht van de verdachte om bij de behandeling van de zaak aanwezig te zijn kon worden uitgeoefend. Het hof houdt het er dan ook voor dat dat verdachte ervoor heeft gekozen om niet ter terechtzitting te verschijnen. Naar het oordeel van het hof is er voldoende ruimte geweest om – eventueel namens de verdachte – ter terechtzitting van heden de verdediging te voeren.’ Uw Raad verwierp het beroep in cassatie en overwoog:
NJ2018/324 dat de nadruk die de Hoge Raad legt op het expliciteren van de belangenafweging ‘past in een lijn waarin – anders dan voorheen (…) – door de cassatierechter niet snel meer in een oordeel van de feitenrechter wordt ingelezen dat aan een ander belang dan het belang van de verdachte om in zijn aanwezigheid te worden berecht, voorrang moest worden gegeven. Van de rechter wordt verlangd dat hij kenbaar aandacht schenkt aan de verschillende in het geding zijnde belangen (zie bijv. ook HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:974).’
NJ2016/214 de aandacht. Daarin had de raadsman van de verdachte om aanhouding verzocht teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen gebruik te maken van zijn aanwezigheidsrecht. Aan dat verzoek lag ten grondslag dat de verdachte recent werk had gevonden en bij gebrek aan opgebouwde vrije dagen niet in de gelegenheid was ter terechtzitting aanwezig te zijn. Het hof wees het verzoek af op de grond dat het ‘onvoldoende (is) onderbouwd en van de noodzaak de zaak aan te houden (...) niet (is) gebleken’, omdat op geen enkele wijze was aangetoond ‘dat de verdachte recent werk heeft gevonden en in verband daarmee niet in de gelegenheid is ter terechtzitting aanwezig te zijn’. Uw Raad casseerde en overwoog:
tweedemiddel klaagt over ’s hofs beslissing inzake de door de benadeelde partij [benadeelde] gevorderde schadevergoeding van € 29,90 voor een horloge dat tijdens het verzet zou zijn beschadigd. Er zou niet zijn voldaan aan het vereiste van rechtstreekse schade respectievelijk van schade die door het bewezenverklaarde feit is veroorzaakt of toegebracht. De beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel zou in het licht van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd zijn.
NJ2019/379 m.nt. Vellinga – het overzichtsarrest betreffende de benadeelde partij – overweegt Uw Raad (met weglating van voetnoten):
’Rechtstreekse schade’ (art. 51f, eerste lid, Sv; art. 361, tweede lid aanhef en onder b, Sv)