Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Subonderdeel 1aklaagt dat inmenging in het recht van de moeder op haar familie- en gezinsleven, waaronder haar recht op omgang met de kinderen, alleen is toegestaan voor zover bij de wet daarin is voorzien (art. 8 lid 2 EVRM Pro). Analoge toepassing van art. 1:377e jo. art. 1:377a, lid 3 BW is daarmee in strijd, aldus het subonderdeel.
nr. 11). Mocht het hof bedoelen dat het de artikelen 1:377a en 1:377e BW analoog kan toepassen op het bij onderdeel 2 bedoelde verzoek van de gecertificeerde instelling, berust dat op een onjuiste rechtsopvatting omdat het enkele feit dat de minderjarigen onder voogdij van de gecertificeerde instelling staan, nog niet met zich brengt dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking als bedoeld in art. 1:377e jo. art. 1:377a, lid 3 BW. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat daarvan wel sprake is, is dat onbegrijpelijk nu de gecertificeerde instelling daartoe onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld (
nr. 12).
family life/vie familiale− in beginsel recht op omgang. [3]
subonderdeel 1bbetoogt, is duidelijk wat het hof bedoelt met analoge toepassing van artikel 1:377a en 1:377e BW. Daarvoor is niet vereist dat de rechter een nauwe persoonlijke betrekking tussen de gecertificeerde instelling en de minderjarige vaststelt. Het subonderdeel mist feitelijke grondslag voor zover het veronderstelt dat het hof dat wel heeft vastgesteld. Onderdeel 1 dient daarom te falen.
subonderdeel 2a(nrs. 13 t/m 17 van het middel) gaat het hof uit van een onjuiste rechtsopvatting:
nr. 13);
nr. 14);
r. 15);
nr. 16).
nr. 17).
subonderdeel 2bis rov. 3 onbegrijpelijk, omdat blijkens het proces-verbaal van de zitting van 17 augustus 2016, de gecertificeerde instelling haar verzoek niet heeft aangevuld, maar het hof het tot de rechtbank gerichte verzoek van de gecertificeerde instelling ambtshalve als een tot hem gericht verzoek heeft aangemerkt. Voor zover het hof in rov. 3 en 16 meende het verzoek ambtshalve in behandeling te mogen nemen, is dat oordeel volgens
subonderdeel 2conjuist dan wel onbegrijpelijk nu art. 1:377g BW een speciale regeling kent voor ambtshalve toepassing en niet blijkt dat aan de voorwaarden uit die bepaling is voldaan.
onderdeel 3nu dit alleen een voortbouwende klacht bevat.