ECLI:NL:HR:2010:BL9542

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/02431
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:263b BWArt. 81 ROArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Omgangsregeling blijft van kracht na beëindiging ondertoezichtstelling

In deze zaak stond de vraag centraal of een omgangsregeling die tijdens een ondertoezichtstelling op grond van artikel 1:263b BW was gewijzigd, ook na het beëindigen van die ondertoezichtstelling van kracht blijft. De omgangsregeling was in 2004 vastgesteld tussen de vader en zijn in 1998 geboren dochter. In 2006 werd de dochter onder toezicht gesteld door Bureau Jeugdzorg Gelderland (BJZ). De ondertoezichtstelling liep tot 15 juni 2009.

In 2008 wijzigde de kinderrechter op verzoek van BJZ de omgangsregeling op basis van artikel 1:263b BW. Het gerechtshof Arnhem bekrachtigde deze wijziging. De vader stelde hiertegen beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De moeder diende geen verweerschrift in en BJZ verzocht het beroep te verwerpen.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de vader niet tot cassatie konden leiden en dat de omgangsregeling die op grond van artikel 1:263b BW was vastgesteld, ook na het einde van de ondertoezichtstelling van kracht blijft. Deze interpretatie is in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever en het stelsel van de wet. Het beroep van de vader werd verworpen.

Uitkomst: Het beroep van de vader in cassatie wordt verworpen en de gewijzigde omgangsregeling blijft van kracht na beëindiging van de ondertoezichtstelling.

Uitspraak

28 mei 2010
Eerste Kamer
09/02431
EE/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vader],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
1. [De moeder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen,
2. STICHTING BUREAU JEUGDZORG GELDERLAND,
gevestigd te Arnhem,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vader en de moeder en BJZ.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 174870/JE RK 08-16754 van de rechtbank Arnhem van 28 oktober 2008,
b. de beschikking in de zaak 200.020.950 van het gerechtshof te Arnhem van 17 maart 2009.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vader beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De moeder heeft geen verweerschrift ingediend.
BJZ heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1. Tussen de vader en [de dochter], die in 1998 is geboren uit een relatie van de vader met de moeder van [de dochter], is in 2004 een omgangsregeling vastgesteld. [De dochter] is in 2006 onder toezicht gesteld van BJZ.
De ondertoezichtstelling duurde na de laatste verlenging tot 15 juni 2009 en is daarna niet meer verlengd. Op verzoek van BJZ heeft de kinderrechter in 2008 op de voet van art. 1:263b BW de bestaande omgangsregeling gewijzigd. Het hof heeft de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd.
3.2 De door de vader tegen de beschikking van het hof aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gelet op art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.3 Opmerking verdient nog dat volgens de bedoeling van de wetgever en in overeenstemming met de tekst en het stelsel van de wet, een en ander zoals uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.3.3 tot en met 3.3.7, een omgangsregeling die is vastgesteld op de voet van art. 1:263b BW, van kracht blijft nadat de ondertoezichtstelling is geëindigd.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 28 mei 2010.