ECLI:NL:HR:2000:AA8894
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- C.H.M. Jansen
- J.B. Fleers
- A. Hammerstein
- P.C. Kop
- W.H. Heemskerk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling omgangsregeling vader met minderjarig kind na ontzegging omgangsrecht
De vader verzocht de rechtbank om een omgangsregeling met zijn minderjarige zoon vast te stellen nadat hem het omgangsrecht eerder was ontzegd vanwege zijn detentie en strafrechtelijke verleden. De rechtbank wees dit verzoek af omdat de verblijfplaats van het kind en de moeder onbekend was, waardoor niet kon worden onderzocht of omgang in het belang van het kind was.
Het hof bevestigde deze afwijzing ondanks dat de vader inmiddels vrij was, een baan had en geen contact meer had met politie. Het hof oordeelde dat zonder nader onderzoek niet kon worden vastgesteld of omgang in het belang van het kind was, maar kon dit onderzoek niet uitvoeren vanwege de onbekende verblijfplaats van het kind en de moeder.
De Hoge Raad oordeelde dat het uitgangspunt is dat omgang tussen kind en niet-gezaghebbende ouder in beginsel in het belang van het kind is, tenzij een ontzeggingsgrond volgens art. 1:377a lid 3 BW bestaat. De rechter mag een verzoek tot omgang niet afwijzen louter omdat de verblijfplaats van het kind onbekend is. In dat geval moet de behandeling worden aangehouden om alsnog informatie te verkrijgen. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak terug voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor nader onderzoek en beslissing over de omgangsregeling.